RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38374
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting, eiser heeft als Unieburger geen rechtmatig verblijf, de maatregel wordt op de juiste wettelijke grondslag voortgezet, de gronden kunnen de maatregel dragen en de minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting.Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 9 juli 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1993, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.W. van Wier-Skup als tolk (tolkennummer 10029) en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Heeft de minister zijn inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie geschonden?
5. Eiser voert aan dat de minister de inspanningsverplichting heeft geschonden. Hij heeft van 1 juli tot 9 juli 2026 in strafrechtelijke detentie gezeten maar niet is gebleken dat er tijdens de strafrechtelijke detentie is gewerkt aan zijn uitzetting. 5.1. Gelet op paragraaf A5/6.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 geldt als uitgangspunt dat moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Deze paragraaf behelst een inspanningsverplichting en biedt geen garantie aan vreemdelingen dat zij na strafrechtelijke detentie niet in vreemdelingenbewaring zullen worden gesteld.
De rechtbank stelt voorop dat de inspanningsverplichting slechts gedurende een relatief korte periode van acht dagen heeft bestaan. Daarnaast heeft de AVIM tijdens de strafrechtelijke detentie op 1 juli 2026 met eiser gesproken over wat hij in de periode tussen 24 juni 2025 en 10 maart 2026 buiten Nederland heeft gedaan. Deze vraag is van belang om te onderzoeken of eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en of hij als Unieburger opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland heeft gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met dit gesprek tijdig een aanvang gemaakt met de voorbereiding van de eventuele uitzetting van eiser en daarmee voldaan aan zijn inspanningsverplichting.
Is eiser ten onrechte op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw 2000 in vreemdelingenbewaring gesteld?
6. Eiser voert aan dat hij ten onrechte op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in vreemdelingenbewaring is gesteld omdat hij als Unieburger rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Hij is vorig jaar uitgezet naar Polen heeft vervolgens bijna negen maanden in strafrechtelijke detentie gezeten. Daarna is hij naar België gegaan. Gelet op de duur van het verblijf buiten Nederland moet worden geconcludeerd dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. 6.1. Uit het arrest F.S. van 22 juni 2021 volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek van een Unieburger is niet voldoende. Of een Unieburger zijn verblijf in een lidstaat daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij die beoordeling zijn de volgende elementen van belang: 1) de periode dat de Unieburger buiten het grondgebied van het gastland heeft verbleven, 2) omstandigheden waaruit blijkt dat de banden tussen de Unieburger en het gastland zijn verbroken en 3) omstandigheden waaruit blijkt dat de Unieburger het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. De belangen van elk element moeten worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval en moeten tegen elkaar worden afgewogen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in de periode van 24 juni 2025 en 10 maart 2026 buiten Nederland heeft verbleven. Eiser heeft verklaard dat hij in Polen ongeveer negen maanden in strafrechtelijke detentie heeft gezeten en dat hij daarna via België naar Nederland is gereisd. Dat eiser negen maanden in strafrechtelijke detentie in Polen heeft verbleven is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Eiser heeft niet gesteld en dit is ook niet met stukken aangetoond dat hij het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar Polen heeft overgebracht. Uitsluitend de (duur van de) strafrechtelijke detentie in Polen kan naar zijn aard niet als bewijs dienen dat eiser het centrum van zijn persoonlijke of professionele belangen naar Polen heeft overgebracht. Dat eiser kort na afloop van de strafrechtelijke detentie in Polen weer via België naar Nederland is vertrokken duidt er eerder op dat het centrum van zijn persoonlijke belang aan Nederland gebonden is gebleven.
Gelet op alle concrete omstandigheden van dit geval is de rechtbank van oordeel dat eiser het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen niet heeft overgebracht naar Polen en dat hij zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Dit betekent dat eiser na zijn terugkeer naar Nederland geen rechtmatig verblijf had als Unieburger en de maatregel van vreemdelingenbewaring op de juiste wettelijke grondslag is opgelegd.
Had de minister de maatregel van bewaring vanwege het indienen van een asielaanvraag moeten omzetten naar een maatregel op grond van artikel 59b van de Vw 2000?
7. Eiser voert aan dat hij op 14 juli 2026 een asielaanvraag heeft ingediend en dat de maatregel van bewaring daarom had moeten worden omgezet naar een andere wettelijke grondslag.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 de juiste grondslag blijft en dat de maatregel niet hoeft te worden omgezet. Anders dan voorheen kan een Unieburger die een asielaanvraag indient niet meer op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring worden gesteld. Dit is een gevolg van het Asiel- en Migratiepact dat op 12 juni 2026 in werking is getreden. Artikel 59b van de Vw 2000 heeft betrekking op vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vw 2000. Deze artikelen verwijzen naar (artikel 10 van) de Procedureverordening. Gelet op de definitiebepaling van artikel 3, onder 12, van de Procedureverordening valt eiser als Unieburger niet langer onder de definitie van verzoeker als bedoeld in de Procedureverordening.
Op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 kan de minister de vreemdeling in bewaring stellen als die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 en als aan een van de daarna in dit artikellid benoemde voorwaarden is voldaan.
Op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw heeft de vreemdeling in Nederland onder andere rechtmatig verblijf:
( f) in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, terwijl de vreemdeling overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven totdat op de aanvraag is beslist, tenzij artikel 10, derde of vierde lid, van de Procedureverordening van toepassing is, en
( h) in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting of overdracht van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.
Op grond van artikel 1 van de Vw 2000 wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder “aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel”: een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van de Procedureverordening dan wel een aanvraag om verblijf als gezinslid van een vreemdeling die internationale bescherming geniet, als bedoeld in de artikelen 29b, 29c en 29d.
Op grond van artikel 3, onder 12, van de Procedureverordening wordt onder “verzoek om internationale bescherming” of “verzoek” verstaan: een verzoek om bescherming van een lidstaat door een onderdaan van een derde land of een staatloze die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst.
Eiser is onderdaan van een EU-lidstaat, namelijk Polen, en is geen onderdaan van een derde land of een staatloze. Dit betekent dat eisers asielaanvraag niet voldoet aan de definitie van verzoek om internationale bescherming als bedoeld in de Procedureverordening en daarmee ook niet aan de definitie van aanvraag om een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de Vw 2000. Door het indienen van de asielaanvraag heeft eiser daarom geen rechtmatig verblijf in Nederland gekregen op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook terecht gesteld dat inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 niet meer mogelijk is en eiser op de juiste wettelijke grondslag in bewaring zit.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke en juridische juistheid van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. Ambtshalve ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te oordelen dat de gronden feitelijk onjuist of onvoldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden, in onderlinge samenhang bezien met de daarbij gegeven motivering, zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
9. Eiser voert tot slot aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hij is op 9 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld maar pas op 13 juli 2026 is een vlucht aangevraagd. De vlucht staat daarnaast pas gepland voor 22 juli 2026.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser uit Nederland. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister op 10 juli 2026 toestemming aan het Openbaar Ministerie heeft gevraagd om eiser te mogen uitzetten en dat op 13 juli 2026 een vlucht is aangevraagd. Dat de minister wellicht sneller had kunnen handelen door eerder een vlucht aan te vragen, maakt niet dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Het gaat er immers niet om of de minister wellicht voortvarender had kunnen handelen, maar of de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting werkt. Dat het na het boeken van de vlucht nog meer dan een week duurt voordat eiser daadwerkelijk zal worden uitgezet is ook geen reden om het handelen van de minister onvoldoende voortvarend te achten. Deze termijn acht de rechtbank niet onevenredig lang. Daarbij is van belang dat de minister afhankelijk is van de beschikbaarheid van vluchten, ook als een vreemdeling meewerkend is en geen escorts nodig zijn.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.S. Abbing, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.