RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaaknummer / rolnummer: C/09/708104 KG ZA 26-735
Vonnis in kort geding van 31 juli 2026
in de zaak van
[eiser] , te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. K. Renssen, te Den Haag,
tegen
WONINGSTICHTING HAAG WONEN, te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Haag Wonen,
advocaat : mr. M. Badoux, te Utrecht.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 juli 2026, met de producties 1 tot en met 25;
- de brief van mr. Badoux van 15 juli 2026, met de producties 1 tot en met 6;
- de brief van mr. Renssen van 16 juli 2026, met de producties 26 tot en met 35;
- de op 17 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij de advocaten pleitnotities hebben overgelegd.
De vonnisdatum is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[eiser] bewoont sinds 2 oktober 2006 een woonruimte aan de [adres 1] te [plaats]. Direct onder de woonruimte van [eiser], op het adres [adres 2], woont de heer [naam]. Zowel [eiser] als [naam] huren hun woonruimten van Haag Wonen, evenals de andere bewoners van het appartementen-complex.
Op 19 april 2026 heeft [eiser] aangifte gedaan wegens bedreiging, belediging en racistische opmerkingen door [naam]. De politie heeft bij bericht van 27 april 2026
laten weten dat er geen/onvoldoende getuigen en/of ander bewijs is gevonden, zodat het Openbaar Ministerie niet kan overgaan tot een kansrijke vervolging.
Bij brief van 13 mei 2026 heeft mr. Renssen aan Haag Wonen onder meer geschreven:
“Tot mij wendde zich de heer [eiser], huurder van uw pand aan de [adres 1] in [plaats].
De heer [eiser] (hierna: "cliënt") vertelde mij dat hij al lange tijd overlast ervaart van de heer [naam]. Die overlast heeft hij herhaaldelijk bij u gemeld.
Mogelijk nieuw voor u is dat niet alleen cliënt, maar ook andere omwonenden ernstige overlast ervaren van de heer [naam]. Hierbij stuur ik u een aantal verklaringen van direct omwonenden (met naam en toenaam genoemd in de brieven) waaruit blijkt dat al deze personen overlast ervaren (zie bijlagen). Het zijn overigens niet alleen verklaringen van omwonenden, maar ook bijvoorbeeld van de bezoekers van het Koffiehuis dat zich bevindt in de straat. Daarnaast stuur ik u ook een handtekeningenlijst, die is opgesteld nadat cliënt een ronde heeft gedaan bij buren nadat hij heeft gevraagd wie er nog meer overlast ondervindt van de heer [naam].
Het zal u opvallen dat zowel de verklaringen, als de handtekeningenlijst niet voorzien zijn van een datum. Ik heb cliënt gevraagd de omwonenden te vragen een datum op hun verklaring te laten plaatsen. In de tussentijd kunt u uiteraard al wel navraag doen bij de omwonenden en actie ondernemen richting de heer [naam].
Cliënt liet mij ook een e-mail lezen waaruit ik opmerk dat u op dit moment ook bezig bent op te treden tegen de heer [naam]. Graag ontvang ik binnen twee weken na heden van u een terugkoppeling waaruit blijkt:
1) welke concrete stappen er op het moment worden ondernomen tegen de heer [naam];
2) of u van plan bent een procedure op te starten en;
3) of die procedure dan een kort geding- of een bodemprocedure zal zijn.”
3. Het geschil
[eiser] vordert, samengevat, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I primair: Haag Wonen veroordeelt om uiterlijk binnen twee weken na betekening van het vonnis over te gaan tot het opstarten van een kort geding procedure tot ontruiming van het gehuurde (door het uitbrengen van een dagvaarding binnen die termijn) tegen [naam];
II subsidiair: Haag Wonen veroordeelt om uiterlijk binnen twee weken na betekening van het vonnis over te gaan tot het opstarten van een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde (door het uitbrengen van een dagvaarding binnen die termijn) tegen [naam];
III meer-subsidiair: Haag Wonen veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis overlastgever [naam] een laatste kans-overeenkomst aan te bieden en/of een gedragsaanwijzing te geven, althans het gebrek (lees: het onvoldoende optreden tegen de overlast die wordt veroorzaakt door [naam]) te verhelpen;
IV Haag Wonen veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 250 voor elke dag of deel daarvan Haag Wonen niet voldoet aan de veroordeling onder I tot en met III;
V Haag Wonen veroordeelt in de proceskosten.
[eiser] legt aan de vorderingen, samengevat, ter grondslag dat hij al geruime tijd overlast heeft van [naam]. [naam] gedraagt zich intimiderend (al dan niet door middel van honden), scheldt [eiser] uit en bejegent hem racistisch. Ook de partner van [eiser] ervaart die overlast. Daarnaast veroorzaakt [naam] drugsgerelateerde overlast, bestaande uit dealen en een constante wietlucht. Ook diverse buren en exploitanten van diverse horecaondernemingen in de buurt ervaren dezelfde overlast van [naam]. Verder heeft [eiser] door zijn allergie er last van dat [naam] of zijn honden gebruik maken van de traplift en de gedeelde portiek, waardoor er hondenharen achterblijven. Toen [eiser] [naam] hierop heeft aangesproken werd hij uitgescholden. Dit alles heeft tot spanningen geleid tussen [eiser] en [naam]. Sindsdien uit [naam] dreigende teksten als hij langs de Ring deurbel van [eiser] loopt. Door het gedrag van [naam] leeft [eiser] in angst en slaapt hij slecht. Omdat hij slecht ter been is, kan hij een geweldssituatie niet goed ontvluchten. De situatie is niet meer houdbaar. [eiser] heeft meermaals telefonisch geklaagd over de overlast. Daarnaast is Haag Wonen op 13 mei 2026 aangeschreven om in actie te komen. Hierdoor heeft [eiser] voldaan aan zijn meldplicht ex artikel 7:206 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Het ligt op de weg van Haag Wonen om op te treden tegen [naam], zodat zij haar huurders, waaronder [eiser], het ongestoorde huurgenot kan verschaffen.
Haag Wonen voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[eiser] heeft het spoedeisend belang bij zijn vordering voldoende aannemelijk gemaakt.
Het uitgangspunt van de wet is dat een huurder recht heeft op ongestoord huurgenot. Wanneer een zaak niet aan een huurder het genot kan verschaffen dat hij mag verwachten op grond van de huurovereenkomst is sprake van een gebrek en is de verhuurder verplicht dat gebrek te verhelpen (artikel 7:204 lid 2 jo 7:206 lid 1 BW). Overlast door personen wordt in beginsel niet gezien als een gebrek, maar als een feitelijke stoornis door een derde (artikel 7:204 lid 3 BW). Dit is anders wanneer de verhuurder verhuurt aan zowel de partij die de overlast veroorzaakt, als aan de partij die klaagt over die overlast. Indien de verhuurder niet optreedt tegen onrechtmatige overlast van een van zijn eigen huurders, wordt het onvoldoende optreden gezien als een gebrek.
Als een huurder melding maakt van overlast en daarvoor duidelijke aanwijzingen verschaft, mag in het algemeen van de verhuurder verwacht worden dat hij onderzoek doet naar de aard en de oorzaak, de ernst en de duur van de overlast. De verhuurder kan dan beoordelen of sprake is overlast die gezien de omstandigheden als onacceptabel en onrechtmatige heeft te gelden. Niet alle overlast is onrechtmatig; er kan sprake zijn van hinder die buren gewoonlijk van elkaar hebben te accepteren, of van incidentele overlast die niet acceptabel is maar door het incidentele karakter nog niet onrechtmatig is. Om te bepalen of in objectieve zin sprake is van onrechtmatige overlast moet niet alleen gekeken worden naar de mate van hinder voor de omwonenden, maar ook om de vraag in hoeverre het gedrag zelf onbetamelijk is.
Voor toewijzing van een vordering tot veroordeling van de verhuurder om tegen een andere huurder vanwege onrechtmatige overlast een ontbindings- en/of ontruimingsvordering aanhangig te maken is nodig dat de huurder aannemelijk maakt dat sprake is van onrechtmatige overlast die zodanig ernstig is dat de ontbindings- en/of ontruimingsvordering de aangewezen aanpak is en dat deze aanpak een gerede kans van slagen heeft.
Uit de stukken (met name productie 1 van Haag Wonen) maakt de voorzieningen-rechter op dat [eiser] in het verleden (in de jaren 2018 tot en met 2020) een aantal malen heeft geklaagd over de honden van [naam], omdat zij de portiek zouden vervuilen en dat [eiser] door de hondenharen zijn traplift niet kon gebruiken. Haag Wonen heeft daarop actie ondernomen en [naam] in 2020 meermaals aangeschreven (productie 4 Haag Wonen). [naam] heeft daarop toegezegd de portiek tweemaal per week schoon te maken. Over de portiek heeft mr. Renssen ter zitting gezegd dat deze procedure niet over het schoonhouden van de portiek gaat. Dat er nu sprake is van overlast door hondenharen is ook niet aannemelijk gemaakt: recente meldingen van [eiser] over hondenharen zijn niet overgelegd.
[eiser] heeft evenmin recente meldingen over wietlucht of drugsgerelateerde overlast gedaan, althans heeft daarvan geen bewijs overgelegd en ook niet duidelijke stellingen ingenomen. Uit productie 1 van Haag Wonen komt naar voren dat [eiser] daar in de periode vanaf 2020 tot 2023 een aantal malen over heeft geklaagd. Ook daarop heeft Haag Wonen actie ondernomen en op 24 augustus 2023 een brief verstuurd met het verzoek te stoppen met roken in de algemene ruimtes (laatste bladzijde productie 1 van Haag Wonen). Voor zover [eiser] in verband ter zitting nog heeft verklaard dat drugsdealers bij [naam] over de vloer komen en in de kelderbox van [naam] blijven slapen heeft [eiser] dit onvoldoende aannemelijk gemaakt; Haag Wonen is daarover niet geïnformeerd, haar was dit niet bekend.
Wat resteert is de overlast door de gestelde agressieve gedragingen en uitlatingen van [naam]. Dat is waar het [eiser] op dit moment vooral om gaat. [naam] zou zich al langere tijd intimiderend (al dan niet door middel van honden) gedragen, [eiser] uitschelden en hem racistisch bejegenen. Dit zijn op zichzelf ernstige verwijten, maar er moeten voldoende concrete feiten en omstandigheden beschikbaar zijn om te kunnen aannemen dat [naam] over de schreef gaat en van Haag Wonen actie mag worden verlangd. Ter onderbouwing van de verwijten heeft [eiser] een aantal handgeschreven verklaringen van zichzelf, zijn partner, andere huurders en omwonenden overgelegd. Deze verklaringen zijn bij brief van 13 mei 2026 aan Haag Wonen toegestuurd, maar nadien voorzien van (relatief recente) dateringen (producties 26 tot en met 35 van [eiser]). Zoals Haag Wonen terecht heeft aangevoerd, komen deze verklaringen neer op een bevestiging van het standpunt van [eiser], maar bevatten zij geen beschrijving van concrete momenten waarop [naam] zich jegens de personen van wie de verklaringen afkomstig zijn heeft gedragen of uitgelaten, terwijl ook wat vaag blijft wat nu precies de misdragingen zijn van [naam]. Daarbij komt nog dat, zoals Haag Wonen onweersproken heeft aangevoerd, de andere personen dan [eiser] niet zelf hebben geklaagd bij Haag Wonen. Uit de door Haag Wonen als productie 2 overgelegde stukken blijkt ook dat [naam] in de periode van 2019 tot en met 2026 diverse meldingen heeft gedaan over misdragingen door buren, waaronder [eiser]. Dit een ander maakt dat het lastig is voor Haag Wonen om zich een oordeel te vormen over wat er nu precies gaande is tussen [eiser] en zijn medestanders enerzijds en [naam] anderzijds. Begrijpelijk is dat Haag Wonen buurtbemiddeling heeft voorgesteld. Dat is wel geprobeerd, maar heeft niet tot een oplossing tussen [eiser] en [naam] geleid.
Naast de besproken schriftelijke verklaringen heeft [eiser] nog twee videofragmenten van zijn Ring deurbel overgelegd. Op deze fragmenten is te zien dat [naam] eenmaal zijn middelvinger opsteekt richting de camera en in het andere fragment zegt “afmaken allemaal”. Ook dat is te weinig om aannemelijk te achten dat er nu sprake is van (structurele) onrechtmatige overlast door [naam] die zodanig ernstig is dat de ontbindings- en/of ontruimingsvordering de aangewezen aanpak is en dat deze aanpak een gerede kans van slagen heeft. Bij deze stand van zaken hoeft Haag Wonen nu ook (nog) geen laatste kans-overeenkomst aan [naam] aan te bieden of een gedragsaanwijzing te geven.
De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Haag Wonen worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiser] niet binnen 14 dagen na aanmaning tot voldoening nakomt en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. vetter en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.
lh