ECLI:NL:RBDHA:2026:24054

ECLI:NL:RBDHA:2026:24054

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer NL26.25412
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Dublin, Kroatië, gelet op interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat eiser in Kroatië adequate zorg kan krijgen, beroep op arrest C.K. maakt dat niet anders, artikel 16 Dublinverordening, niet aannemelijk gemaakt dat eiser voor zorg afhankelijk is van concrete hulp van zijn zus, artikel 17 Dublinverordening, beroep ongegrond.

Uitspraak

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Turkse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. Y. Izgi),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn zus en zijn zwager, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat, mede, aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMbV).

Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.

Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 25 maart 2026 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 7 april 2026 aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Daarbij is onder meer het volgende vermeld: “you are also requested to inform us in advance (…) about any particular health situation, both from the physical and from the psychical point of view (…).”

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

5. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat ten aanzien van Kroatië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het persoonlijke relaas van eiser over de behandeling bij aankomst in Kroatië maakt dat niet anders. Dit gaat namelijk niet over de situatie dat hij als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen.

Medische omstandigheden

6. In de door de eiser overgelegde medische informatie is vermeld dat eiser ruim tien jaar geleden psychotische klachten heeft gekregen, die zijn weggegaan met olanzapine. Eiser heeft verteld weer stemmen te horen en gevraagd om olanzapine. In een overgelegde verwijzingsbrief is vermeld dat er psychotische kenmerken spelen en dat er een goede reactie is op olanzapine. Verder blijkt uit een overgelegde brief van 28 mei 2026 dat eiser

is aangemeld voor een intakegesprek bij het FACT Team van Mediant en uit een afspraakoverzicht dat op 18 augustus 2026 een intakegesprek bij PSY-M is ingepland.

De minister heeft zich in het bestreden besluit van 4 mei 2026 op het standpunt gesteld dat uit de bij de zienswijze meegestuurde documenten blijkt dat eiser psychische klachten heeft. Volgens de minister blijkt uit die documenten niet dat alleen Nederland hem kan behandelen en kan Kroatië deze medische problemen net zo goed behandelen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat eiser in Kroatië adequate zorg kan krijgen. Eiser heeft met de in beroep overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat dat niet het geval zal zijn. Eiser kan verder niet uit eigen ervaringen putten wat betreft de zorg in Kroatië, omdat uit zijn verklaringen blijkt dat hij vrij snel na zijn aankomst is weggegaan uit Kroatië om naar Nederland af te reizen. Bovendien heeft de minister er op gewezen dat Nederland de medische gegevens met Kroatië kan delen als eiser hier toestemming voor geeft en dat de overdracht tijdelijk wordt uitgesteld als Kroatië op dat moment aangeeft geen goede zorg te kunnen geven. Het beroep van eiser op het arrest C.K. maakt voorgaande, gelet op de daarbij gegeven onderbouwing, niet anders. Er is ook verder geen stuk ingebracht waarin een medisch deskundige een inschatting maakt van risico’s van overdracht van eiser aan Kroatië en concludeert dat overdracht aan Kroatië een reëel risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser.

Artikel 16 Dublinverordening

7. Eiser doet een beroep op artikel 16 van de Dublinverordening en stelt dat hij afhankelijk is van zijn in Nederland woonachtige zus.

Artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Wanneer, wegens een (…) een ernstige ziekte (…) een verzoeker afhankelijk is van de hulp van zijn (…) zus (…) die wettig verblijft in een van de lidstaten, zorgen de lidstaten er normaliter voor dat de verzoeker kan blijven bij die zus, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden, de zus, in staat is voor de afhankelijke persoon te zorgen en de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.”

Dit betekent dat eiser aannemelijk moet maken dat hij van zijn zus afhankelijk is voor het verlenen van de benodigde hulp. Dit betekent dat zijn zus een zodanig unieke positie als zijn zorgverlener moet innemen dat zij niet of zeer moeilijk door anderen is te vervangen.

In de zienswijze van 14 april 2026 heeft eiser naar voren gebracht dat hij zich bij zijn zus vertrouwd voelt, dat hij thans bij haar inwoont en dat overdracht betekent dat hij van zijn familie zal worden gescheiden. De minister heeft hierop in het besluit van 4 mei 2026 overwogen dat eiser moet laten zien dat zijn zus de enige is die voor hem kan zorgen en eiser dit niet heeft laten zien met (medische) documenten en ook niet met wat hij verteld heeft. Daarbij is er op gewezen dat zijn zus al 28 jaar in Nederland verblijft. In dit kader is ook verwezen naar artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1560/2003.

Tijdens de zitting van 21 augustus 2026 is door de zus en zwager van eiser naar voren gebracht dat eiser nu circa vijftien jaar stemmen hoort, dat hij een tijdje bij familie in Saoedi-Arabië en Cyprus heeft verbleven, maar dat hij nooit echte behandeling heeft kunnen krijgen. Nu hij in Nederland is willen ze graag dat hij hier wordt behandeld met een naaste die zorg voor hem draagt. De minister heeft hierop naar voren gebracht dat er geen behandelplan is waarin staat dat eiser de nabijheid van zijn zus nodig heeft. 7.5. Uit wat naar voren is gebracht blijkt de wens van de familie om eiser hier in Nederland te laten behandelen. Die wens is evenwel niet voldoende om te concluderen dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening tussen eiser en zijn in Nederland woonachtige zus. Uit de overgelegde stukken volgt onvoldoende dat de benodigde zorg alleen door de zus in Nederland zou kunnen worden verleend. Er ligt bijvoorbeeld geen behandelplan waaruit dat blijkt. De medische informatie die aan de rechtbank is overgelegd bestaat er vooral uit dat er medicatie wordt verstrekt die ook voor de reis naar Nederland werd ingenomen en de vermelding dat eiser daar goed op reageert. Daarbij komt dat, zoals de minister ook aanvoert, eiser in de 28 jaar voor zijn komst naar Nederland, zonder de nabijheid van zijn zus heeft doorgebracht. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser met hetgeen hij heeft ingebracht niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor de zorg afhankelijk is van concrete hulp van zijn zus.

Artikel 17 van de Dublinverordening

8. In het bestreden besluit heeft de minister de punten zoals hiervoor weergegeven besproken en overwogen dat er geen gebruik wordt gemaakt van de discretionaire bevoegdheid. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid de aanvraag toch te behandelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen, omdat daar andere regelingen voor openstaan.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen.

10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand