Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/044501-26
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 26 mei 2026 (pro forma) en 11 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.B. Schiphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. C.W.J. Faber naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 februari 2026 tot en met 11 februari 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland één of meerdere (scherpschietende en doorgeladen) wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten- een pistool van het merk FEG, model PA-63, kaliber .380 APC (9x17mm) en/of- een revolver van het merk Röhm, model RG 699, kaliber 9mm Flobert Grenaille (hagel)(telkens) zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een revolver en/of pistool
en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten- 6 stuks pistoolmunitie, kaliber .380 APC (9x17mm) en/of- 5 stuks randvuurmunitie, kaliber 9mm Flobert Grenaille (hagel)voorhanden heeft gehad;
2hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks- de periode van 9 augustus 2023 tot en met 11 oktober 2023 en/of- de periode van 11 september 2025 tot en met 11 februari 2026te 's-Gravenhage, althans in Nederland om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigenvan een hoeveelheid cocaïne en/of (meth)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,door- (via chat applicaties op telefoons) met één of meerdere personen (meermalen) besprekingen te voeren over de beschikbaarheid en/of de kwaliteit en/of prijs en/of de (af)levering en/of (de wijze van) transport van één of meerdere middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of- één of meerdere zakjes bevattende een hoeveelheid cocaïne en/of (meth)amfetamine en/of- een weegschaaltje en/of- één of meerdere ponypacks en/of- één of meerdere telefoonsvoorhanden te hebben;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks- de periode van 9 augustus 2023 tot en met 11 oktober 2023 en/of- de periode van 11 september 2025 tot en met 11 februari 2026te 's-Gravenhage, althans in Nederland al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne en/of (meth)amfetamine, aanwezig heeft gehad;
3hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 juni 2020 tot en met 30 december 2020 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland en/of Spanje en/of Peru tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigenvan een hoeveelheid cocaïne en/of (meth)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of- een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,door- (via (beveiligde) chat applicaties op (PGP)-telefoons) met één of meerdere personen (meermalen) besprekingen te voeren over de invoer/uitvoer en/of vervoer en/of (de wijze van) transport van één of meerdere middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, van/naar Nederland en/of van/naar Spanje en/of van/naar Peru en/of- (via (beveiligde) chat applicaties op (PGP)-telefoons) met één of meerdere personen (meermalen) besprekingen te voeren over de beschikbaarheid en/of de kwaliteit en/of prijs en/of de (af)levering en/of (de wijze van) transport van één of meerdere middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of- één meerdere mobiele (PGP) telefoons met SkyECC-applicatie en/of (beveiligde) chat applicaties voorhanden te hebben en/of- een hoeveelheid cocaïne en/of (meth)amfetamine voorhanden te hebben;
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde, met dien verstande dat ten aanzien van feit 2 het deel van de pleegperiode dat ziet op het jaar 2023 moet worden verkort naar de periode van 9 augustus 2023 tot en met 24 september 2023 en dat de pleegperiode ten aanzien van feit 3 moet worden verkort naar 24 juni 2020 tot en met 20 december 2020.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman een partiële vrijspraak bepleit voor het voorhanden hebben van het vuurwapen van het merk FEG en de bijbehorende munitie. Met betrekking tot het overige onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1Het toetsingskaderDe rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor hoeft het wapen zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. (vgl. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:510).
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt voorts dat iemand in beginsel verantwoordelijk gehouden kan worden gehouden voor de goederen die zich in zijn of haar privédomein bevinden, zoals de woning (vgl. HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1194). Bij het aantreffen van een vuurwapen op een dergelijke plaats mag van de verdachte een redelijke verklaring worden gevergd.
Het pistool aangetroffen in de woning Uit het procesdossier volgt dat de verdachte in de periode voorafgaand aan zijn aanhouding op de [adres 1] zijn verblijfplaats had. Uit het politieonderzoek is namelijk gebleken dat zijn telefoon een zendmast aanstraalt, waarvan voornoemd adres zich binnen het dekkingsgebied bevindt. Ook heeft een observatieteam op 17 november 2025 de verdachte de woning op voornoemd adres zien binnengaan. Op 11 februari 2026 is deze woning, die onder meer over twee slaapkamers beschikt, door de politie doorzocht. In één van de slaapkamers is een (doorgeladen) wapen met daarin munitie aangetroffen. In deze slaapkamer zijn ook verschillende persoonlijke spullen van de verdachte gevonden, waaronder documenten op zijn naam en zowel het paspoort als de portemonnee met pasjes van de overleden vader van de verdachte. Op grond daarvan acht de rechtbank het aannemelijk dat de slaapkamer waarin het vuurwapen is aangetroffen, de slaapkamer van de verdachte was. Er zijn geen contra-indicaties gevonden voor het scenario dat het aangetroffen vuurwapen aan de verdachte toebehoorde, te meer aangezien in de andere slaapkamer juist documenten zijn aangetroffen op naam van een andere persoon.
De rechtbank overweegt dat onder deze omstandigheden van de verdachte mag worden gevergd dat hij een redelijke verklaring geeft voor de aanwezigheid van het vuurwapen in zijn slaapkamer. De verdachte heeft zich echter steevast op zijn zwijgrecht beroepen en geen enkele verklaring gegeven over een mogelijke andere toedracht. Hij heeft zelfs niet verklaard dat de wapens en munitie niet aan hem toebehoorden. Dat is slechts in algemene zin door zijn raadsman geopperd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het gelet op die omstandigheden niet anders zijn dan dat de verdachte zich in enige mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen in zijn slaapkamer. De verdachte heeft bovendien ook beschikkingsmacht gehad over dat wapen, omdat het in zijn slaapkamer voor het grijpen lag.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het pistool van het merk FEG en de bijbehorende zes stuks munitie die in zijn slaapkamer zijn aangetroffen, voorhanden heeft gehad.
Dat op dit vuurwapen geen DNA-sporen zijn aangetroffen die matchen met het DNA-profiel van de verdachte leidt – in het licht van de gebruikte bewijsmiddelen en de genoemde omstandigheden – niet tot een ander oordeel.
De revolver aangetroffen in de auto van de verdachte De (doorgeladen) revolver met bijbehorende munitie is aangetroffen in een verborgen ruimte in de auto (kenteken [kenteken] ), waarin de verdachte is aangehouden en waarvan hij op dat moment ook de bestuurder was. De verdachte heeft voorts verklaard dat deze auto zijn auto is. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat op het wapen DNA van (onder meer) de verdachte zat. Het vuurwapen bevond zich bovendien in een afgesloten, verborgen ruimte onder het dashboard, die niet zomaar kon worden geopend. Deze verborgen ruimte met daarin het vuurwapen was zodoende ook niet voor elke willekeurige persoon in de auto toegankelijk.
Gelet op die omstandigheden mag van de verdachte een redelijke verklaring voor de aanwezigheid van het wapen worden gevergd, maar de verdachte heeft zich ook met betrekking tot dit vuurwapen steeds op zijn zwijgrecht beroepen, waardoor een dergelijke verklaring is uitgebleven. De rechtbank overweegt dat, het voorgaande in samenhang bezien, het naar haar oordeel niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich, als eigenaar en bestuurder van de auto, in enige mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de revolver van het merk Röhm en de bijbehorende munitie hetgeen in de auto is aangetroffen, voorhanden heeft gehad.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2Inhoud van de berichtenDe rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de uitgelezen telefoons toebehoren aan de verdachte. In die telefoons zijn grote verzamelingen met berichten gevonden tussen de verdachte en andere personen die duidelijk zien op (de handel in) verdovende middelen. Zo wordt er veel gesproken over ‘blokken’, ‘colo’ en ‘boli’, wat duidt op cocaïne, maar ook over andere middelen. Er worden prijzen genoemd die passen bij de handelswaarde van de genoemde stoffen, er wordt naar de beschikbaarheid van die stoffen gevraagd en er worden transportmogelijkheden besproken. In één van de berichtenuitwisselingen schrijft de verdachte naar een tegencontact, waarmee hij eerder onder andere sprak over het bestellen van ‘oil’ als grondstof voor speed, dat hij de app Telegram niet meer moet gebruiken, omdat op het nieuws is geweest dat deze app niet langer veilig is. In de woning van de verdachte zijn bovendien meerdere voorwerpen en stoffen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met (de handel in) verdovende middelen, zoals een grammenweegschaal en versnijdingsmiddelen voor cocaïne. Ook zijn foto’s verstuurd en ontvangen waarop onder andere blokken te zien zijn met daarin stempels geperst, zoals veelal bij cocaïne wordt gedaan. Op andere foto’s is ook wit poeder te zien, in een lepel of op een weegschaal. Meerdere van die foto’s kunnen bovendien worden gelinkt aan de woning van de verdachte en voorwerpen die daar zijn aangetroffen. De verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen en geen verklaring gegeven over de inhoud van de berichten die op zijn telefoons zijn aangetroffen, hoewel in de gegeven omstandigheden van hem een verklaring mocht worden gevergd.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met meerdere personen, over langere periodes, berichten heeft uitgewisseld die zien op het bevorderen van de handel in verdovende middelen.
Voorhanden hebben van verdovende middelen Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verstuurde foto’s, volgt dat de verdachte de beschikking heeft gehad over (blokken) wit poeder. Ook kan uit de berichten worden afgeleid dat hij de beschikking gehad zou hebben over – naar eigen zeggen – cocaïne. Bij de aanhouding van de verdachte en de daaropvolgende doorzoekingen zijn geen (grote hoeveelheden van deze) verdovende middelen aangetroffen.
In de woning van de verdachte is wel een grammenweegschaal aangetroffen. Op de weegschaal zat wit poeder. Een indicatieve test gaf aan dat deze substantie cocaïne betrof. Toen de auto van de verdachte na zijn aanhouding in beslag werd genomen en doorzocht, werd daarin een grammenweegschaal met wit poeder erop en een zakje met wit poeder aangetroffen. Zowel de sporen op de weegschaal als de inhoud van het zakje werden eveneens indicatief getest als cocaïne. Ook op het dashboard en de bijrijdersstoel lagen witte sporen waarop de indicatieve test positief uitsloeg voor cocaïne.
Gelet op het feit dat naast de weegschaal in de auto en de weegschaal in de woning ook ponypacks zijn aangetroffen in de woning van de verdachte, evenals versnijdingsmiddelen voor cocaïne, in samenhang bezien met de gehele context van het dossier, acht de rechtbank de indicatieve testen voldoende om aan te nemen dat het hier daadwerkelijk ging om cocaïne. De genoemde omstandigheden maken dat van de verdachte een redelijke verklaring kon worden gevergd. Ook hierover heeft de verdachte echter geen tekst en uitleg gegeven.
Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank ook het voorhanden hebben van (een onbepaalde hoeveelheid) cocaïne worden bewezen verklaard.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3Identificatie gebruiker Sky-ID [account]De rechtbank overweegt dat de gebruiker van het Sky-ID [account] zichzelf in berichten van 15 juni 2020 ‘ [naam 1] ’ noemt. [naam 1] is de roepnaam van de verdachte. Daarnaast schrijft de gebruiker van het account op 21 september 2020 aan een tegencontact dat zijn adres [adres 2] is. Uit het onderzoek is gebleken dat dat adres op dat moment de verblijfplaats van de verdachte was. Via het IMEI-nummer waarvan [account] gebruikmaakte, kon verder worden opgemaakt dat het basisstation waarbinnen het [adres 2] valt ook het meeste werd aangestraald door [account] . Daarnaast maakte het account zeer regelmatig gebruik van het basisstation aan de [adres 3] . Uit onderzoek is gebleken dat het woonadres van de zoon en ex-partner van de verdachte binnen het zendgebied van dat basisstation valt.
De raadsman heeft aangevoerd dat uit de berichten op pagina 109 van het procesdossier valt op te maken dat evident iemand anders dan de verdachte gebruikmaakte van het Sky-account. De rechtbank overweegt dat de raadsman doelt op enkele berichten die via het account [account] zijn verstuurd door iemand die zich presenteert als ‘ [naam 2] ’. Uit die berichten en de berichten die daarop volgen, wordt naar het oordeel van de rechtbank echter duidelijk dat de berichten die door ‘ [naam 2] ’ zijn gestuurd eenmalig gebruik van het account betroffen. Dat eenmalige gebruik door een andere persoon maakt niet dat het in alle andere gevallen niet de verdachte geweest kan zijn die gebruikmaakte van het account.
Er zijn geen contra-indicaties aangetroffen voor de identificatie van de verdachte als de gebruiker van het Sky-account [account] . Met het oog op de hiervoor genoemde omstandigheden, geldt ook hier dat van de verdachte een redelijke uitleg gevergd had kunnen worden, maar dat die is uitgebleven.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan de verdachte naar het oordeel van de rechtbank worden geïdentificeerd als de gebruiker van het Sky-ID [account] . De rechtbank zal de gebruiker van het account [account] in het hiernavolgende dan ook aanduiden als ‘de verdachte’. Waar in de bewijsmiddelen wordt gesproken over ‘ [account] ’, leest de rechtbank dit als ‘de verdachte’.
Inhoud van de berichten De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit geen van de bewijsmiddelen is gebleken dat de in de berichten besproken zaken daadwerkelijk hebben geleid tot concrete handelingen, gedragingen of transacties en dat de verdachte daarom moet worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Immers, het enkele uitwisselen van berichten over een zekere situatie is niet strafbaar als het misdrijf dat de dader voor ogen had niet in enige mate concrete vormen heeft aangenomen, aldus de raadsman.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is om het met de zelfstandige strafbaarstelling van de gedragingen uit artikel 10a van de Opiumwet, mogelijk te maken dat juist in een vroeg stadium van de organisatie van de (internationale) handel in (hard)drugs kan worden ingegrepen. Voor een bewezenverklaring is vereist dat bij de dader het opzet heeft bestaan om de handel voor te bereiden of te bevorderen. Ook is vereist dat de verdachte aan die intentie uiting heeft gegeven door één of meer van de voorbereidings- of bevorderingshandelingen te verrichten die in artikel 10a, eerste lid, Opiumwet zijn beschreven. Voor het bewijs is niet vereist dat reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze handelingen dienen. Ook is – anders dan de raadsmaan betoogt – niet relevant dat de verwezenlijking van het misdrijf niet heeft plaatsgevonden. Voorbereidingshandelingen zijn zowel strafbaar wanneer de pleger in de voorbereidingsfase is blijven steken als wanneer het voorgenomen misdrijf waarop de voorbereidingshandelingen zich richten, is gerealiseerd of dat een poging daartoe is ondernomen. Voorbereidings- of bevorderingshandelingen kunnen lijken op (of zelfs overeenkomen met) gedragingen die over het algemeen worden gezien als medeplichtigheid. Dergelijke handelingen zijn in artikel 10a Opiumwet echter als zelfstandig misdrijf strafbaar gesteld.
De rechtbank overweegt dat in de berichten die door de verdachte zijn verstuurd en ontvangen, stelselmatig en over langere periodes gesprekken zijn gevoerd met meerdere tegencontacten, waarbij ook foto’s zijn verstuurd van allerlei verschillende verdovende middelen. Gelet op de inhoud en het verloop van de chatgesprekken die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, alsmede de wijze van communiceren, blijkt dat de verdachte marktkennis heeft en dat hij vertrouwd is met de manier van onderlinge informatie-uitwisseling. Uit de chatgesprekken blijkt voorts dat de verdachte, al dan niet als tussenpersoon, telkens concreet en serieus in chatgesprekken informatie heeft gevraagd en ontvangen op vragen van derden en zelf ook vragen heeft doorgezet die gaan over marktprijzen, aantallen, herkomst, verkoop, beschikbaarheid, en transportlijnen van verdovende middelen. Uit de berichten blijkt duidelijk dat dit geen vrijblijvende informatie-uitwisseling of sporadische grootspraak was, maar dat de intentie van de verdachte gericht was op de bevordering en/of voorbereiding van de invoer, uitvoer en verkoop van verdovende middelen. De berichten zijn bovendien consistent qua inhoud en op verschillende manieren in ieder geval enigszins concreet. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de berichten over en foto’s van de container waarin “veertig stuks” verstopt kunnen worden, het bericht waarin de verdachte aangeeft dat hij in elke container tassen kan gooien met een extra zegel erin voor na het openmaken, de berichten over zowel potentiële als reeds gevestigde afnemers en de berichten over transport door middel van vrachtwagens met (bevroren) vis dan wel per boot, het uithalen (in Spanje) en het heen en weer rijden naar Galicië door een derde. Als deze berichten op een andere manier uitgelegd dienen te worden, was het onder deze omstandigheden aan de verdachte geweest om daarover te verklaren, maar dat heeft hij niet gedaan.
Gelet op het vorenstaande zijn de gedragingen van de verdachte aan te merken als het opzettelijk plegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet en wordt het verweer van de raadsman verworpen.
Voorhanden hebben verdovende middelen Ten aanzien van het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde verdovende middelen overweegt de rechtbank dat uit de berichten en foto’s die door de verdachte zijn verstuurd, blijkt dat hij grote hoeveelheden ‘blokken’ tot zijn beschikking had. Op basis van de foto’s en de gebezigde termen, in combinatie met de prijzen die in de berichten worden genoemd, gaat het naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar om de in de tenlastelegging genoemde middelen.
De verdachte voerde onder meer gesprekken over de beschikbaarheid van die middelen en de bedragen waarvoor hij deze zou verkopen. Daaruit volgt dat hij als heer en meester kon bepalen wat er mee zou gebeuren. Zodoende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij de ten laste gelegde verdovende middelen voorhanden heeft gehad.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij op 11 februari 2026 te 's-Gravenhage meerdere (scherpschietende en doorgeladen) wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten- een pistool van het merk FEG, model PA-63, kaliber .380 APC (9x17mm) en- een revolver van het merk Röhm, model RG 699, kaliber 9mm Flobert Grenaille (hagel),zijnde vuurwapens in de vorm van een revolver en/of pistool en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten- 6 stuks pistoolmunitie, kaliber .380 APC (9x17mm) en - 5 stuks randvuurmunitie, kaliber 9mm Flobert Grenaille (hagel)voorhanden heeft gehad;
2hij in - de periode van 9 augustus 2023 tot en met 24 september 2023 en - de periode van 11 september 2025 tot en met 11 februari 2026, in Nederland om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigenvan een hoeveelheid cocaïne en/of (meth)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,door- via chat applicaties op telefoons met meerdere personen (meermalen) besprekingen te voeren over de beschikbaarheid en/of de kwaliteit en/of prijs en/of de (af)levering en/of (de wijze van) transport van één of meerdere middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en - één of meerdere zakjes bevattende een hoeveelheid cocaïne en - een weegschaaltje en - één of meerdere ponypacks en - één of meerdere telefoonsvoorhanden te hebben;
3hij in de periode van 24 juni 2020 tot en met 20 december 2020 in Nederland en Spanje tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigenvan een hoeveelheid cocaïne en/of (meth)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of- een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,door- via (beveiligde) chat applicaties op (PGP)-telefoons met meerdere personen (meermalen) besprekingen te voeren over de invoer/uitvoer en/of vervoer en/of (de wijze van) transport van één of meerdere middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, van/naar Nederland en/of van/naar Spanje en- via (beveiligde) chat applicaties op (PGP)-telefoons met meerdere personen (meermalen) besprekingen te voeren over de beschikbaarheid en/of de kwaliteit en/of prijs en/of de (af)levering en/of (de wijze van) transport van één of meerdere middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en - een mobiele (PGP) telefoon met SkyECC-applicatie en/of (beveiligde) chat applicaties voorhanden te hebben en - een hoeveelheid cocaïne en (meth)amfetamine voorhanden te hebben;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht, indien zij tot een strafoplegging komt, de straf substantieel te matigen ten opzichte van de eis van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een tweetal vuurwapens, welke beide waren doorgeladen met de bij de betreffende vuurwapens behorende munitie. Beide vuurwapens waren dus klaar voor gebruik. Het ene vuurwapen lag in de slaapkamer van de verdachte. Het andere vuurwapen lag in de auto van de verdachte binnen handbereik, te weten in een verborgen ruimte in het dashboardkastje. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de invoer, uitvoer, verkoop en het vervoer van harddrugs door via (crypto)telefoons te informeren naar harddrugs en inlichtingen te verschaffen over (onder meer) beschikbaarheid, prijzen van harddrugs en wijze van transport.
De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de georganiseerde drugshandel, die doorgaans ook gepaard gaat met ernstige geweldscriminaliteit. Voorts levert het gebruik van harddrugs gevaar op voor de volksgezondheid vanwege de verslavende werking van drugs en schadelijkheid van de hierin verwerkte (chemische) stoffen voor de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast plegen de gebruikers van harddrugs vaak vermogensdelicten om in hun verslaving te kunnen voorzien, waardoor veel overlast voor de samenleving veroorzaakt wordt. De verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële belang. Door dat voorop te stellen heeft hij geen oog gehad voor de bovengenoemde schadelijke gevolgen die zijn handelen heeft voortgebracht voor de samenleving. Dit zijn zeer ernstige feiten en de rechtbank rekent het handelen van de verdachte dan ook zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 februari 2026. Daaruit volgt dat de verdachte eerder (in 2022) is veroordeeld voor handel in de verdovende middelen en wapenbezit.
Persoon van de verdachte
Over de verdachte is geen reclasseringsrapportage opgesteld, noch heeft hij veel over zijn persoonlijke omstandigheden willen verklaren bij de politie of ter terechtzitting. Zodoende moet de rechtbank uitgaan van de summiere informatie over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die is terug te vinden in het dossier. Uit het dossier volgt dat de verdachte geen werk heeft en dat hij van zijn vader een grote erfenis heeft gekregen, waardoor zijn aanvraag voor een uitkering is afgewezen. Verder heeft de verdachte een (minderjarige) zoon met zijn ex-partner.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een pistool of revolver op de openbare weg een gevangenisstraf van 8 maanden vermeld en 4 maanden gevangenisstraf voor het voorhanden hebben van een pistool of revolver in een woning. Als uitgangspunt voor de eenmalige (voltooide) in- en/of uitvoer van drie tot vier kilo harddrugs wordt een gevangenisstraf van 30 maanden genoemd. Aan het aanwezig hebben van één blok harddrugs wordt in de oriëntatiepunten een gevangenisstraf van 5 maanden gekoppeld.
De rechtbank overweegt in het voordeel van de verdachte dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een verdenking van voltooide drugshandel, maar van de voorbereiding daarvan. Zodoende zal zij uitgaan van de helft van de in de oriëntatiepunten voor drugshandel genoemde uitgangspunten. In het nadeel van de verdachte overweegt de rechtbank dat de oriëntatiepunten zien op éénmalige gedragingen of handelingen, maar dat uit de foto’s en berichten die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, blijkt dat de verdachte zich in veel meer gevallen en over langere periodes heeft ingelaten met de bewezen verklaarde voorbereidingshandelingen en hij deze feiten in vereniging heeft gepleegd.
De rechtbank weegt voorts in het nadeel van de verdachte mee dat beide vuurwapens waren doorgeladen, dat die binnen handbereik lagen en dat er tegelijkertijd munitie is aangetroffen in de wapens waarmee scherp kan worden geschoten. Eveneens in strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat zowel ten aanzien van het wapenbezit als ten aanzien van de Opiumfeiten sprake is van recidive.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De in beslag genomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp, te weten de Audi met kenteken [kenteken] , zal worden onttrokken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezen verklaarde feit is begaan, met behulp van dit voorwerp de opsporing van het onder 1 bewezen verklaarde feit is belemmerd en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank overweegt daartoe dat in de in beslag genomen auto de bijrijdersairbag is gedemonteerd en op die plek een verborgen ruimte is geïnstalleerd, waarin een doorgeladen vuurwapen is aangetroffen. De verborgen ruimte was niet eenvoudig te openen. Verbalisanten hebben pas toegang gekregen tot de verborgen ruimte nadat een groot deel van het dashboard was gedemonteerd. De rechtbank acht het ongecontroleerde bezit van een auto zonder bijrijdersairbag en met een verborgen ruimte in strijd met het algemeen belang, omdat dat soort ruimtes vrijwel altijd is bedoeld en wordt gebruikt om voorwerpen uit het zicht te onttrekken, waarvan het bezit op zich zelf in strijd is met de wet of die zijn bedoeld om te gebruiken voor strafbare gedragingen.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
de eendaadse samenloop van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2, primair:
om een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen/vervoermiddelen/stoffen/ gelden/andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
ten aanzien van feit 3:
om een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen/vervoermiddelen/stoffen/ gelden/andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Personenauto [kenteken] (Omschrijving: Bouwjaar 2017, Zwart, merk: Audi).
Dit vonnis is gewezen door
mr. V.J. de Haan, voorzitter,
mr. J.J. Balfoort, rechter,
mr. W.E. Povel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 augustus 2026.