ECLI:NL:RBDHA:2026:24066

ECLI:NL:RBDHA:2026:24066

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 09-228234-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd (26 Wet wapens en munitie) en het medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (47, 157 Sr), onvoorwaardelijke PIJ-maatregel en jeugddetentie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09-228234-25

Datum uitspraak: 6 augustus 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

op dit moment in voorlopige hechtenis verblijvende in [forensisch centrum] te [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 1 december 2025, 29 januari 2026, 9 april 2026, 15 juni 2026 (alle pro forma) en 23 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).

De officier van justitie in deze zaak is mr. W. Noort en de raadsman van de verdachte is

mr. H.W. van Eeuwijk te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2. De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

1. het op 27 augustus 2025 in Den Haag voorhanden hebben van een of meer wapens van categorie III onder 1 en categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie en bijbehorende munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie;

2. medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing gepleegd op 15 augustus 2025 in Den Haag bij een coffeeshop, dan wel de medeplichtigheid daaraan.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gebruikte bewijsmiddelen feit 1

De rechtbank zal voor feit 1 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal SARDIEN25/DH1R025075, van de politie Eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 85).

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 juli 2026;

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 augustus 2025 (p. 35-38);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 augustus 2025 (p. 39-41);

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 augustus 2025 (p. 42-45).

Gebruikte bewijsmiddelen feit 2

De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.

Bewijsoverwegingen feit 2

Door de verdediging is betoogd dat de verdachte niet de rol van medepleger had bij het ten laste gelegde feit, maar slechts de rol van medeplichtige. De verdachte heeft het middel waarmee het feit is gepleegd, te weten een tasje met daarin het vuurwerk en de brandstof, gegeven aan de uitvoerder en hij heeft hem informatie gegeven. Hij heeft dan ook enkel gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaft, aldus de verdediging.

Om de vraag te beantwoorden of de verdachte als medepleger of als medeplichtige van dit feit verantwoordelijk kan worden gehouden, overweegt de rechtbank als volgt.

Om het handelen van de verdachte als medeplegen aan te kunnen merken moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Vast staat dat op 15 augustus 2025 rond 02:00 uur een ontploffing heeft plaatsgevonden bij coffeeshop SpaceBall in Den Haag. De ontploffing is veroorzaakt door een explosief tot ontploffing te brengen en hierdoor is er forse schade aan het pand ontstaan.

Uit het dossier blijkt dat het explosief bij de coffeeshop door één persoon is aangestoken en dat een ander persoon op de uitkijk stond. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat de uitvoerder van de explosie [medeverdachte 1] betreft. De verdachte heeft [medeverdachte 1] via Snapchat benaderd en hem gevraagd om deze ontploffing te veroorzaken. Vlak voor de ontploffing hebben zij elkaar ontmoet bij station Hollands Spoor in Den Haag. Hier heeft de verdachte aan [medeverdachte 1] een tas overhandigd met daarin het vuurwerk en de brandstof om de ontploffing te kunnen veroorzaken. Uit het dossier volgt verder dat de verdachte tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij alleen een aansteker moest meenemen, dat hij het adres en een foto van de coffeeshop aan [medeverdachte 1] doorgeeft en dat hij laat weten dat er een chauffeur in de buurt op [medeverdachte 1] zou wachten. Hij bericht [medeverdachte 1] dat hij de kino (volgens de verdachte betekent dit explosie) ‘gelijk moet sturen’, want hij moet (dit) de chauffeur ook laten weten. Hij adviseert over het beste tijdstip om te gaan. Op de vraag van [medeverdachte 1] of hij nog ‘2 biva’(bivakmutsen) had kunnen regelen instrueert de verdachte [medeverdachte 1] dat zij gewoon capuchons moeten opzetten en naar beneden moeten kijken.

Gelet op deze handelingen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte als medepleger valt aan te merken van het opzettelijk tot ontploffing brengen van het explosief bij coffeeshop SpaceBall. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte een sturende en onmisbare rol heeft gehad in de (voorbereiding van) de ontploffing. De verdachte heeft [medeverdachte 1] aangestuurd en instructies gegeven om de ontploffing uit te voeren en heeft daarbij op nauwe en bewuste wijze met hem samengewerkt. Zonder deze handelingen van de verdachte had het feit niet gepleegd kunnen worden. Daarmee heeft verdachte, hoewel niet is komen vast te staan dat hij bij de uitvoering fysiek aanwezig is geweest, een intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het teweegbrengen van de explosie, waardoor sprake is geweest van medeplegen.

Levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

Om de vraag te beantwoorden of van de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, moet de rechtbank beoordelen of uit de

bewijsmiddelen blijkt dat op het moment van het teweegbrengen van de ontploffing een

dergelijk gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.

Boven de coffeeshop, waar ten tijde van de ontploffing - die ‘s nachts plaatsvond - niemand

aanwezig was, is een woning gelegen. De slaapkamer van de bewoner van die woning ligt

aan de voorkant van het pand, direct boven de winkel en direct achter de gevel van de

coffeeshop. Uit het dossier volgt dat genoemde bewoner op het moment van de ontploffing

lag te slapen in zijn slaapkamer. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat bij de ontploffing

gebruik is gemaakt van een zogenoemde vuurwerkbrandstofcombinatie. Als een dergelijke

combinatie tot ontploffing wordt gebracht, ontstaat er een luchtdrukgolf. Door die golf

kunnen ramen breken. De bewoner in kwestie had in aanraking kunnen komen met

rondvliegende glasscherven en daardoor lichamelijk letsel kunnen oplopen. Bovendien

brengt het tot ontploffing brengen van een explosief in combinatie met een fles met

brandstof in algemene zin een risico met zich mee dat brand ontstaat in de omgeving,

waaronder in dit geval ook in de woning gelegen boven de coffeeshop. Dat dit gevaar niet

denkbeeldig was, blijkt onder andere uit de beelden van in de omgeving aanwezige camera’s

waarop te zien is dat na het aansteken van de vuurwerkbrandstofcombinatie een grote

vuurbal ontstaat en vervolgens een enorme vlam waarneembaar is die tegen de ramen

aanslaat en boven het perceel uit komt. Dat het om een grote steekvlam ging, volgt uit het

feit dat de vuurbal niet in zijn geheel op de camerabeelden waarneembaar is. Van belang is verder dat onder andere het kozijn van het raam aan de voorzijde van de coffeeshop na de ontploffing in brand vloog en bleef branden, en er op de gevel van de coffeeshop roetafzetting is waargenomen tot op ongeveer twee meter boven de raamgevel. Als de brand had doorgezet en was overgeslagen naar de woning boven de coffeeshop en de bewoner door de brand en de rookontwikkeling die dit met zich meebrengt, rook had ingeademd of ingesloten zou raken, dan zou dit tot fatale gevolgen hebben kunnen leiden.

Daarnaast blijkt uit de camerabeelden dat vlak na de ontploffing een auto langs rijdt, terwijl de brand als gevolg van de ontploffing nog zichtbaar is. Hierna loopt er aan de overzijde van de coffeeshop een voetganger langs. De inzittende(n) van de auto en de voetganger hadden van de ontploffing dezelfde gevolgen kunnen ondervinden als de bewoner van de boven de coffeeshop gelegen woning.

Gelet op het voorgaande was het naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de

ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat levensgevaar en gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel zou kunnen ontstaan voor de in de boven de coffeeshop gelegen

woning aanwezige persoon, de in voertuigen aanwezige personen en omstanders. De

rechtbank komt daarmee tot een volledige bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Conclusie

De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1hij op 27 augustus 2025 te 's-Gravenhage meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten- een semi automatisch pistool waarvan het merk en type onbekend zijn, kaliber 9 mm kort en- bijbehorende munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 16 patronen van het merk CBC, kaliber .380 Auto en - een omgebouwd gaspistool van het merk Blow, type TR 914, kaliber 7.65 mm en- bijbehorende munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 patronen van het merk Diverse, kaliber 7.65 mm; zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten- een alarmpistool van het merk Bruni, type P4, kaliber 8mm knall en- bijbehorende munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1 knalpatroon van het merk GFL, kaliber 8mm;voorhanden heeft gehad;

2hij op 15 augustus 2025 te Den Haag bij een coffeeshop gelegen aan de Wagenstraat tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door vuurwerk en een fles met brandstof met een aansteker aan te steken terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten- de bovenwoning en aangrenzende panden in de Wagenstraat- passerende voertuigen in de Wagenstraat te duchten was en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten- de in voornoemde bovenwoning aanwezige persoon- de in voertuigen aanwezige personen- omstanders te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De op te leggen straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft daarnaast oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel) gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de PIJ-maatregel voorwaardelijk op te leggen. Het strafrecht is een getrapt systeem. Over het algemeen wordt er gestart met een waarschuwing en worden de straffen daarna langzaam opgevoerd. De verdachte heeft tot nu toe geen behandeling gehad. Hij is nu bereid en gemotiveerd om de problematiek die er is aan te pakken in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten De verdachte heeft zich als vijftienjarige schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten. Zo heeft hij zich op 15 augustus 2025 schuldig gemaakt aan het medeplegen van een ontploffing, waarbij gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen te duchten was. De verdachte heeft een ander de opdracht gegeven om een explosief bij coffeeshop SpaceBall in Den Haag tot ontploffing te brengen. Hij heeft kort voor deze ontploffing een tas met het explosief aan de uitvoerder overhandigd, hem instructies gegeven waar hij naartoe moest en hoe hij zijn gezicht moest verbergen. Een aantal seconden nadat de uitvoerder het explosief voor de gevel van de coffeeshop heeft neergelegd en heeft aangestoken, is een enorme vuurbal ontstaan die flinke (brand)schade aan de gevel van de coffeeshop heeft veroorzaakt. In de slaapkamer van de woning direct boven de coffeeshop lag op het moment van de ontploffing de bewoner te slapen. Ook reed er een auto voorbij en liep er een voetganger langs. De verdachte heeft door het teweegbrengen van de ontploffing niet alleen materiële schade veroorzaakt - en had nog meer schade kunnen veroorzaken - maar hij heeft ook een levensgevaarlijke situatie laten ontstaan, met grote risico’s op letsel of nog ernstiger gevolg voor anderen. De verdachte heeft niet stil gestaan bij deze risico’s. Hij heeft zich er ook geen rekenschap van gegeven dat het voor omwonenden bijzonder traumatiserend kan zijn als er in de buurt een explosief tot ontploffing wordt gebracht. Als gevolg van de ontploffing is de coffeeshop, op last van de burgemeester van de gemeente Den Haag, een maand lang gesloten geweest. Naast de financiële gevolgen van de sluiting ondervinden de personen die de coffeeshop exploiteren tot op heden ook nog steeds last van het feit dat het voor hen onduidelijk is waarom zij het doelwit zijn geweest van de ontploffing.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een omgebouwd alarmpistool, een omgebouwd gaspistool en een doorgeladen semi automatisch pistool. De rechtbank neemt de verdachte dit zeer kwalijk, nu hij door zo te handelen een buitengewoon gevaarlijke situatie heeft laten ontstaan. Door deze wapens in huis te hebben, waar ook andere personen wonen, waaronder zijn jongere broertjes, heeft de verdachte het risico genomen dat met deze wapens (al dan niet per ongeluk) personen ernstig verwond zouden raken. Niet alleen zorgt het bezit van wapens in de samenleving voor gevoelens van angst en onveiligheid, maar dat bezit wordt op de jeugdige leeftijd van de verdachte als schokkend ervaren en ten sterkste afgekeurd.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 maart 2026, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende rapportages:

het klinisch multidisciplinair onderzoek Pro Justitia van 30 juni 2026 door GZ-psycholoog drs. [naam 1] en kinder- en jeugdpsychiater dr. [naam 2] ;

het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 13 juli 2026.

Uit het klinisch multidisciplinair onderzoek Pro Justitia komt het volgende naar voren. Bij de verdachte is sprake van een normoverschrijdend-gedragsstoornis met beperkte pro sociale emoties met begin in de kindertijd. Tevens zijn er zorgen over zijn persoonlijkheidsontwikkeling waarbij antisociale en narcistische trekken worden gezien.

Van de vastgestelde pathologie was eveneens sprake ten tijde van het ten laste gelegde. Verondersteld kan worden dat zijn ontwikkelingsproblematiek ten tijde van het ten laste gelegde heeft doorgewerkt. Op grond van het bovenstaande wordt geadviseerd om de verdachte de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.De klinische inschatting is dat de kans op recidive van soortgelijke gewelddadige feiten bij de verdachte buiten een omgeving met veel structuur en toezicht hoog is. Onderzoekers adviseren om aan de verdachte een behandeling op te leggen, teneinde het risico op gewelddadig delictgedrag duurzaam te verlagen. Verwacht wordt dat allereerst een langer durend motivatietraject nodig is. Daar komt bij dat het nog niet duidelijk is of, en zo ja hoe snel, de verdachte tijdens een behandeltraject alsnog openheid zal geven over de delictscenario's. Vervolgens is intensieve behandeling nodig, waarbij niet alleen motivatie bij de verdachte van belang is, maar waarin het ook moeilijk zal zijn voor de verdachte om meer bij zijn binnenwereld te komen, iets wat hij als kind niet heeft kunnen leren en waar hij nu afstand van probeert te houden. Observatie van derden is nodig voor een effectieve behandeling. De behandeling zal in een klinische setting moeten plaatsvinden, terwijl een traject van meerdere jaren wordt verwacht. Daarnaast wordt ingeschat dat een hoog beveiligingsniveau nodig is om het recidiverisico te reguleren. De verdachte houdt zich niet aan aanwijzingen van anderen en ook niet aan voorwaarden, en committeert zich niet aan behandeling. Daarnaast is hij eerder weggelopen uit een instelling. Er is een langdurig patroon van niet meewerken en hij is gedurende langere tijd weggelopen, waarbij hij reeds heeft laten zien dat hij langere tijd onvindbaar kan zijn. Gezien het gebrek aan probleeminzicht en de wens om te veranderen blijft dit risico aanwezig. Daar komt bij dat hij zich gemakkelijk begeeft onder andere antisociale jongeren, wat een risico is voor een succesvolle behandeling. Tevens lijkt, gegeven het ten laste gelegde, het delictgedrag te escaleren in ernst. Daarom wordt een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd. De duur van een voorwaardelijke PIJ-maatregel is te kort, gezien de lange behandelduur die bij de verdachte wordt verwacht. Daarom wordt ook geen gedragsbeïnvloedende maatregel geadviseerd.

Uit het rapport van de Raad komt naar voren dat de visie vanuit het Pro Justitia onderzoek wordt onderschreven. De ernstige problemen ten aanzien van het gedrag en ontwikkeling van de verdachte, de gecompliceerdheid van zijn problematiek en de hoge kans op herhaling, behoeven langdurige en intensieve, residentiële behandeling. Het behandeltraject moet geborgd worden door middel van het strafrechtelijk kader, aangezien de verdachte geen intrinsieke motivatie laat zien tot verandering en veel structuur en controle nodig heeft. De verwachting is dat het veranderingsproces en bestendiging daarvan langere tijd zal gaan duren. De Raad adviseert daarom een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, dit sluit aan bij het inhoudelijk advies vanuit de Pro Justitia rapportage.

Door de deskundige is ter zitting naar voren gebracht dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet tot de mogelijkheden behoort, aangezien de verdachte zich in het verleden meerdere keren onttrokken heeft aan de hulpverlening en ook direct na plaatsing uit de Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd (KVJJ) is vertrokken na het doorknippen van zijn enkelband.

De deskundigen van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering hebben naar voren gebracht dat zij zich kunnen vinden in het advies om aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank volgt de conclusies van de deskundigen voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid en zal de bewezen verklaarde feiten daarom in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat voor het voorhanden hebben van een nepvuurwapen een taakstraf van 30 uren dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie wordt opgelegd. Voor het voorhanden hebben van een echt vuurwapen is het uitgangspunt een jeugddetentie vanaf 6 weken. Voor een brandstichting met aanzienlijke schade, gevaarzetting en gevaar voor personen is het uitgangspunt in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Voor het teweegbrengen van de ontploffing zoekt de rechtbank hier aansluiting bij. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank hierbij mee dat het teweegbrengen van de ontploffing door meerdere personen is gepleegd en dat de verdachte hierin een groot aandeel had. Immers, als de verdachte het explosief niet aan de uitvoerder had gegeven en hem niet de instructies in aanloop naar de ontploffing had gegeven, was het gehele feit niet tot stand gekomen.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de feiten zoals door de verdachte gepleegd zonder meer een jeugddetentie rechtvaardigen. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen de ernst van de feiten, maar ook het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld. De rechtbank zal daarom een jeugddetentie opleggen voor de duur van 8 maanden. De dagen die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zullen hierbij in mindering worden gebracht.

PIJ-maatregel

Op grond van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht kan aan de verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, een PIJ-maatregel worden opgelegd, als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan.

Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De psycholoog en de psychiater hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdend- gedragsstoornis met beperkte sociale emoties. Tevens zijn er zorgen over de persoonlijkheidsontwikkeling waarbij antisociale en narcistische trekken worden gezien.

Ook de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen eisen dat de rechtbank de PIJ-maatregel oplegt. Er is bij de verdachte sprake van een hoog recidiverisico. Bovendien is de PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Ten slotte zijn het voorhanden hebben van de wapens en munitie en het medeplegen van het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing misdrijven waarvoor naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

De rechtbank begrijpt dat de verdachte het liefst geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd krijgt en zij realiseert zich dat de maatregel een uiterst middel is. De rechtbank zal uitleggen waarom zij de PIJ-maatregel toch onvoorwaardelijk op zal leggen en ook waarom zij – met de deskundigen – van oordeel is dat oplegging van deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte is.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over dat vanwege de ernstige pathologie en gedragspathologie een behandeltraject van meerdere jaren wordt verwacht. Er zijn intensieve interventies nodig om de ontwikkeling van de verdachte bij te sturen. De verdachte heeft zich in het verleden meerdere malen onttrokken aan de hulpverlening. Ambulante interventies zullen daarom onvoldoende toereikend zijn. Om de verdachte adequaat te kunnen behandelen is een gedwongen kader nodig in een gesloten setting. Er is geen alternatief voorhanden, omdat andere residentiële kaders voor jeugdigen onvoldoende intensieve behandeling kunnen bieden, nauwelijks beveiliging kunnen bieden, en het weglooprisico niet kunnen hanteren. Een hoog beveiligingsniveau is nodig om het recidiverisico te reguleren.

De rechtbank is, gelet op het hiervoor overwogene en in lijn met het advies van de deskundigen, van oordeel dat de klinische setting die een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel biedt, het enige geschikte traject is om de verdachte die behandeling en structuur te bieden die hij nodig heeft.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, niet te boven gaat.

7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Koffieshop Space Bal B.V., vertegenwoordigd door [naam 3] en ter terechtzitting bijgestaan door mr. T.A. Lindsen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 27.283,96, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de

benadeelde partij. Daarnaast vordert de officier van justitie om de verdachte te veroordelen

in de proceskosten, en betaling van de wettelijke rente. Tot slot vordert de officier van

justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de vordering van de benadeelde partij goed is onderbouwd. Het gaat wel om een onderneming die btw kan verrekenen. De vordering kan, met aftrek van de btw, worden toegewezen. Daarnaast wordt verzocht om de wettelijke rente op nihil te stellen nu de verdachte nog heel jong is en het daarmee om een fors bedrag kan gaan.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting wordt vastgesteld dat de

benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde

feit. De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post herstelwerkzaamheden aan

de gevel, is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende

onderbouwd. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van deze schade ten bedrage

van € 2.700,- daarom toewijzen. Dit bedrag is exclusief de gevorderde btw.

Als gevolg van de ontploffing is de coffeeshop op last van de burgemeester van de

gemeente Den Haag gesloten van 15 augustus 2025 03.00 tot 15 september 2025 03.00 uur.

Op het moment van de ontploffing was de benadeelde partij in het buitenland. De

benadeelde partij was voornemens om op 28 augustus 2025 de werkzaamheden in de

coffeeshop te hervatten. De benadeelde partij heeft onderbouwd aangedragen dat zij aldus van 28 augustus 2025 tot 16 september 2025, in totaal 19 dagen, winst heeft misgelopen als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. De winst van de maanden juli en september 2025 is doorberekend naar 19 dagen om tot een billijke schatting te komen van de misgelopen winst. Uit de stukken die als bijlage bij de vordering zijn gevoegd, blijkt dat de winst in de maand september 2025 aanzienlijk lager lag dan die in de maand juli 2025. Het gevorderde bedrag aan gederfde winst voor de periode van 28 augustus 2025 tot en met 15 september 2025 is daarmee door de benadeelde partij al teruggebracht en gematigd aan de hand van objectief toetsbare gegevens. De wijze van berekenen komt uit op een al sterk gematigd eindbedrag. De rechtbank zal het gevorderde bedrag, te weten € 24.340,96, daarom toewijzen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Totaal toegewezen

Het toe te wijzen bedrag komt, gelet op het voorgaande, uit op € 27.040,96.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de materiële schade toewijzen met

ingang van 15 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die

datum zijn gemaakt. De wettelijke rente over de gederfde winst zal worden toegewezen

vanaf 28 augustus 2025, omdat de coffeeshop vanaf die datum gedwongen gesloten moest

blijven. In de leeftijd van de verdachte ziet de rechtbank geen reden om de wettelijke rente op nihil te stellen.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die

de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De

benadeelde partij heeft verzocht de proceskosten vast te stellen door aan te sluiten bij het

liquidatietarief. De rechtbank zal de kosten van de rechtsbijstand begroten aan de hand van

het liquidatietarief voor rechtbanken. De gevorderde proceskosten zullen worden begroot

aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief van € 836,- x 2 punten: een punt voor het

opstellen en indienen van de vordering en een punt voor het toelichten van de vordering ter

zitting, zijnde een bedrag van € 1.672,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

vijftiende dag na dit vonnis. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de

benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden

toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk

aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag

aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten

niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor

de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor

dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen

tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.040,96, vermeerderd met de gevorderde

wettelijke rente over het bedrag van € 2.700,- vanaf 15 augustus 2025 en over het bedrag van € 24.340,96 vanaf 28 augustus 2025, alles tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd Koffieshop Space Bal B.V.

Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 f, 47, 77a, 77g, 77i, 77s en 157 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

ten aanzien van feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf en maatregel

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Koffieshop Space Bal B.V. hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij een bedrag van € 27.040,96,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.700,- vanaf 15 augustus

2025 en over € 24.340,96 vanaf 28 augustus 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is

voldaan;

wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de

verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden

aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 1.672,-, te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en in de kosten ten behoeve van de

tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot

schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de

benadeelde partij te betalen € 27.040,96, vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 2.700,- vanaf 15 augustus 2025 en over € 24.340.96 vanaf 28 augustus 2025 tot aan de dag

van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn

mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en

omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.M. Koole, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.M. Meijers, kinderrechter,

en mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te 's-Gravenhage één of meerdere wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten- een semi automatisch pistool waarvan het merk en type onbekend zijn, kaliber 9 mm kort en/of- bijbehorende munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 16 patronen van het merk CBC, kaliber .380 Auto en/of- een omgebouwd gaspistool van het merk Blow, type TR 914, kaliber 7.65 mm en/of- bijbehorende munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie te weten 3 patronen van het merk Diverse, kaliber 7.65 mm; zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten- een alarmpistool van het merk Bruni, type P4, kaliber 8mm knall en/of- bijbehorende munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1 knalpatroon van het merk GFL, kaliber 8mm;voorhanden heeft gehad;

2hij op of omstreeks 15 augustus 2025 te Den Haag, althans in Nederland, bij een coffeeshop gelegen aan de Wagenstraat tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door vuurwerk en/of een fles (met brandstof), althans een voorwerp, met een aansteker aan te steken en/of met open vuur in aanraking te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten- de bovenwoning(en) en/of aangrenzende panden in de Wagenstraat- passerende en/of geparkeerde voertuigen in de Wagenstraat te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten- de in voornoemde bovenwoning(en) aanwezige personen- de in voertuigen aanwezige personen- omstanders te duchten was;

subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 15 augustus 2025 te Den Haag, althans in Nederland, bij een coffeeshop gelegen aan de Wagenstraat tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht, door vuurwerk en/of een fles (met brandstof), althans een voorwerp, met een aansteker aan te steken en/of met open vuur in aanraking te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten- de bovenwoning(en) en/of aangrenzende panden in de Wagenstraat- passerende en/of geparkeerde voertuigen in de Wagenstraat te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten- de in voornoemde bovenwoning(en) aanwezige personen- de in voertuigen aanwezige personen- omstanders te duchten was;bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 14 augustus 2025 tot en met 15 augustus 2025 te Den Haag, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/ofinlichtingen heeft verschaft, door- (via Snapchat) aan die [medeverdachte 1] het adres te verstrekken waar de voornoemde explosie zou moeten plaatsvinden en/of- (via Snapchat) die [medeverdachte 1] te informeren over een chauffeur en/of (de locatie van) de vluchtauto en/of- (via Snapchat) aan die [medeverdachte 1] een opdracht te geven om de explosie te filmen en/of- het vuurwerk en/of fles (met brandstof) aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te leveren.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand