RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706455 / KG ZA 26-599
Vonnis in kort geding van 21 augustus 2026 op het verzoek tot herstel
in de zaak van
MAATSCHAP [eiseres] te Amsterdam,
eiseres,
advocaten mr. M.J. Odink, mr. M.N. Hom en mr. B.S. Friedberg,
1. CONDOR PROJECT DEVELOPMENT B.V. te Zoetermeer,
gedaagde,
advocaat: mr. T.M. van Dijk,2. [gedaagde] B.V. te Leiden,
gedaagde,
advocaten: mr. H.A.J. Pors en mr. S. Soyçiçek,
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ ‘CPD’ en ‘ [gedaagde] ’.
1. Het verzoek tot verbetering
Op 30 juli 2026 heeft mr. Van Dijk namens CPD en [gedaagde] de voorzieningenrechter verzocht om verbetering van het op diezelfde dag in deze zaak gewezen vonnis. Het verzoek houdt in dat de proceskostenveroordelingen zou moeten worden vermeerderd met de btw over het aan beide gedaagden toegekende bedrag voor het salaris advocaat, omdat deze post in de overwegingen is begroot op € 18.000 (exclusief btw), maar die btw-opslag in de beslissing ontbreekt.
Op 5 augustus 2026 heeft mr. Hom namens [eiseres] aan de voorzieningenrechter laten weten bezwaar te maken tegen toewijzing van het verzoek. Mr. Hom heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat het achterwege laten van de btw geen kennelijke fout is, omdat CPD en [gedaagde] geen vergoeding van de btw hebben gevorderd en dat overigens niet aannemelijk is dat CPD en [gedaagde] btw verschuldigd zijn.
2. De beoordeling
Op grond van artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.
De voorzieningenrechter oordeelt dat in het vonnis van 30 juli 2026 (hierna: het Vonnis) geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Hiertoe is het volgende redengevend.
In het Vonnis zijn de proceskosten vastgesteld aan de hand van de Indicatietarieven in IE-zaken. In de Indicatietarieven is onder 3. bepaald dat de indicatietarieven exclusief btw zijn en dat alleen rekening wordt gehouden met btw indien een partij deze niet kan verrekenen met de eigen btw-aangifte. Indien een partij aanspraak maakt op vergoeding van btw moet zij bij haar proceskostenspecificatie een onderbouwing in te dienen waarom btw verschuldigd is (zie Indicatietarieven onder 5c.).
CPD en [gedaagde] hebben in hun processtukken geen aanspraak gemaakt op vergoeding van btw en zij hebben ook geen onderbouwing ingediend waarom btw verschuldigd zou zijn.
In het Vonnis is het bedrag voor de vergoeding van het salaris advocaat voor beide gedaagden begroot op € 18.000 (exclusief btw). Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat in dit bedrag geen rekening is gehouden met de btw. Hieruit volgt niet dat dit bedrag alsnog moet worden vermeerderd met btw.
Dat er geen btw is toegewezen berust dus niet op een (kennelijke) fout. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot verbetering van het Vonnis dan ook afwijzen.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om verbetering van het op 30 juli 2026 tussen partijen gewezen vonnis af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026.
WJ