[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.Z. Sayin),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 15 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Portugal verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [persoon] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Ter zitting is het onderzoek niet gesloten. De rechtbank heeft het beroep aangehouden en verweerder in de gelegenheid gesteld om het Bureau Medische Advisering (BMA) een advies uit te laten brengen in verband met de overdracht van eiseres naar Portugal. Op 30 juli 2026 heeft verweerder het BMA-advies aan het dossier toegevoegd en eiseres heeft hier op 6 augustus 2026 op gereageerd. Ter zitting zijn partijen voorts akkoord gegaan met het voornemen van de rechtbank om uitspraak te doen zonder vervolgzitting. Op 6 augustus 2026 is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1983 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Eiseres heeft op 16 december 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. De Europese Unie heeft regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staan in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit onderzoek in EU-VIS is gebleken dat Portugal een visum heeft verleend aan eiseres. Met dit visum is eiseres naar Portugal gereisd en vervolgens naar Nederland. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Portugal verzocht eiseres over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Portugal heeft dit verzoek aanvaard.
3. Verweerder heeft na de zitting op 16 juli 2026 het BMA gevraagd een advies op te stellen. Uit het BMA-advies van 30 juli 2026 volgt dat eiseres last heeft van een overactieve blaas, waarschijnlijk veroorzaakt door een verhoogde spanning in de bekkenbodemspieren, wat in verband wordt gebracht met het door eiseres doorgemaakt seksuele geweld. Vanwege vleesbomen is de baarmoeder van eiseres operatief verwijderd. Daarnaast is sprake van PTSS met klachten van piekeren, verdriet over het verlies van haar vruchtbaarheid en nachtmerries. Daarnaast is volgens de huisarts sprake van slaapproblemen en suïcidale gedachten. Eiseres staat onder behandeling bij een GGZ-instelling, een gynaecoloog en bekkenbodemfysiotherapeut. Daarnaast gebruikt zij verschillende medicijnen. Tot slot volgt uit het advies dat eiseres kan reizen en dat er geen aanwijzingen zijn dat enige medische voorziening bij de reis noodzakelijk is.
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij stelt dat verweerder met het BMA-advies niet heeft voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht. Het BMA-advies is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Het BMA laat namelijk de traumatische ervaringen van eiseres onbesproken voor wat betreft de mentale gezondheid van eiseres, terwijl uit de door eiseres overgelegde medische stukken voldoende het verband tussen haar mentale klachten en het doorgemaakte seksuele geweld volgt. Dat verweerder in beginsel kan volstaan met het uitvoeren van de door BMA vastgestelde reisvereisten betekent niet dat verweerder daarmee in alle gevallen kan volstaan. In het geval van eiseres ontbreekt nog essentiële informatie over haar mentale gezondheidstoestand, namelijk onderliggende kwetsbare factoren en een inschatting van het suïciderisico. Eiseres beroept zich verder op het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 en artikel 17 van de Dublinverordening. Zij stelt dat overdracht aan Portugal in haar geval van onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat Portugal op grond van de verantwoordelijkheidscriteria verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Evenmin is in geschil dat ten aanzien van Portugal van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In geschil is of verweerder heeft voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht of overdracht van eiseres in strijd is met het arrest C.K. dan wel artikel 17 van de Dublinverordening vanwege eiseres haar medische situatie.
6. Uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat verweerder de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. Verweerder kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het EU Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen.
7. Verweerder betoogt gelet op het voorgaande terecht dat hij met het opvragen van het BMA-advies de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van betrokkene deugdelijk gemotiveerd heeft weggenomen. Uit het BMA-advies volgt dat het BMA alle bijzondere medische omstandigheden kenbaar heeft betrokken en een medisch inhoudelijke reactie heeft gegeven. BMA heeft verder geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat enige medische voorziening tijdens de reis noodzakelijk is. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit advies niet inzichtelijk en concludent tot stand is gekomen en dat van de juistheid daarvan niet uit kan worden gegaan. De rechtbank concludeert dat verweerder heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het arrest C.K. De rechtbank acht verder van belang dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan mag worden dat passende zorg voor eiseres in Portugal aanwezig is. Eiseres heeft niet gemotiveerd gesteld dat dat niet het geval is en dat Nederland het meest aangewezen land is voor haar behandeling.
8. Verweerder geeft onder meer toepassing aan artikel 17 van de Dublinverordening als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van een vreemdeling van onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank toetst deze beoordeling terughoudend. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet aan te merken zijn als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiseres onevenredig hard zou zijn. Door verweerder is betrokken dat hij erop mag vertrouwen dat de medische zorg in Portugal hetzelfde is als in Nederland en dat eiseres toegang heeft tot deze zorg in Portugal. Verweerder heeft bij de beoordeling of ten aanzien van Portugal van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, meegenomen wat eiseres verteld heeft over haar ervaringen in Portugal. Verweerder heeft geoordeeld dat hij deze ervaringen van eiseres zeer betreurt maar dat het de verantwoordelijkheid van Portugal niet verandert. Portugal is partij bij het EVRM en dat betekent dat Portugal de rechten van eiseres moet beschermen. Verweerder hoeft deze ervaringen dan redelijkerwijs niet van betekenis te achten bij de beoordeling of overdracht aan Portugal van onevenredige hardheid getuigt. Anders dan eiseres stelt is dat niet beperkt tot ervaringen die in relatie staan tot de asielprocedure.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 augustus 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.