ECLI:NL:RBDHA:2026:24099

ECLI:NL:RBDHA:2026:24099

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer NL26.42056
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, kennisgeving, bewaringsgronden, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.42056

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),

en

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 25 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?

5. Eiser betwist alle gronden. Hij stelt dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser is als asielzoeker Nederland binnengekomen en heeft zich direct gemeld bij de autoriteiten voor internationale bescherming. Het ontbreken van een paspoort kan hem daarbij niet worden tegengeworpen, ook omdat hij dit via Frankrijk wilde regelen, maar daartoe onvoldoende tijd had. Dit betekent niet automatisch dat hij zich aan het toezicht wilde onttrekken of dat sprake is van een risico op onderduiken (grond a). Verweerder heeft ook ten onrechte gesteld dat eiser een terugkeerbesluit ontving waaraan hij geen gevolg gaf. Eiser was niet op de hoogte van dit besluit en heeft steeds aangegeven niet naar Tunesië te kunnen terugkeren, reden waarom hij bescherming zocht (grond b). Daarnaast is de conclusie dat eiser onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit onjuist. Zijn documenten bevinden zich bij zijn broer en hij wil deze overleggen binnen de asielprocedure. Er is geen sprake van opzettelijk achterhouden of gebruik van aliassen. Verschillende schrijfwijzen van zijn naam zijn het gevolg van uitspraakverschillen, niet van identiteitsfraude (grond c). Verweerder heeft ook onterecht aangenomen dat eiser geen gevolg zal geven aan zijn terugkeerverplichting. Eiser wist niet van het terugkeerbesluit en kan dus ook niet bewust weigeren te vertrekken. Zijn verklaring niet naar Tunesië te kunnen terugkeren hangt samen met zijn asielmotieven en mag niet worden opgevat als weigering tot terugkeer (grond h). Hoewel een eerdere asielaanvraag werd afgewezen, heeft eiser een nieuwe aanvraag ingediend en wil hij aanvullende documenten overleggen. Dit betreft nieuwe feiten die relevant zijn voor de beoordeling, waardoor niet kan worden gesteld dat hij alleen procedures voert om zijn vertrek te frustreren (grond j). Verweerder stelt ten onrechte dat eiser niet beschikbaar was voor de autoriteiten. Eiser heeft steeds voldaan aan zijn meldplicht. Het incidenteel verblijven bij zijn vriendin, waarvan het adres bekend was, betekent geen vertrek met onbekende bestemming. Hij keerde steeds terug naar het AZC en heeft zich niet aan toezicht onttrokken. De enkele MOB-meldingen zijn onvoldoende om te concluderen dat hij niet beschikbaar was (grond o). Ook is onvoldoende onderbouwd dat eiser zich niet hield aan de verplichtingen uit hoofdstuk 4 van het Vb. Hij heeft zich direct na binnenkomst gemeld door een asielaanvraag in te dienen. Er is geen bewijs dat hij zich ten onrechte niet heeft gemeld bij de korpschef (grond p). Verder heeft verweerder onterecht gesteld dat eiser meerdere asielaanvragen heeft ingediend om de terugkeerprocedure te frustreren. Deze aanvragen zijn ingegeven door zijn behoefte aan bescherming, niet door het doel uitzetting te voorkomen. Er is geen individuele motivering dat er sprake is van misbruik van procedures (grond q). Ook de conclusie dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft is onjuist. Hij verbleef in een COA-opvang en regelmatig bij zijn vriendin, waarvan het adres bekend was bij de autoriteiten. Het ontbreken van inschrijving in de BRP betekent niet dat hij niet bereikbaar was (grond r). Tot slot is het ontbreken van eigen inkomsten inherent aan de positie van een asielzoeker en kan dit zonder nadere motivering niet leiden tot het vermoeden van toezichtontduiking. Eiser verbleef in opvang en kreeg ondersteuning van zijn broer en vriendin. Verweerder heeft niet toegelicht waarom het ontbreken van financiële middelen in dit geval een risico op onderduiken oplevert (grond s).

De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag de gronden a, b en o aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist zijn. Eiser heeft verklaard dat hij bij zijn binnenkomst in Nederland niet beschikte over een geldig reisdocument (paspoort mét visum). Daarmee is hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland ingereisd (grond a). Bovendien heeft eiser op 7 november 2025 een terugkeerbesluit met inreisverbod van twee jaar ontvangen waarin staat dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Niet is gebleken dat eiser hieraan heeft voldaan (grond b). Dat eiser niet van dit besluit op de hoogte was, volgt de rechtbank niet. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 11 mei 2026 volgt dat het besluit is toegestuurd aan de penitentiaire inrichting waar eiser destijds verbleef en dat in een vertrekgesprek op 24 maart 2026 tegen eiser is gezegd dat aan hem onder andere een terugkeerbesluit is opgelegd. Verder blijkt uit het dossier dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn meldplicht en dat hij vijf maal - op 30 oktober 2023, 17 januari 2024, 27 juni 2025, 27 juli 2025 en 3 september 2025 - met onbekende bestemming is vertrokken (grond o). De gronden a, b en o zijn feitelijk juist, wat voldoende is om de maatregel te rechtvaardigen. Daarom gaat de rechtbank niet in op de betwisting van de overige gronden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand