ECLI:NL:RBDHA:2026:24100

ECLI:NL:RBDHA:2026:24100

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer NL26.42058
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, kennisgeving, schadevergoeding en proceskostenvergoeding, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.42058

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),

en

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband beoordeelt de rechtbank of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Verweerder heeft op 25 juli 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6., tweede lid van het Vb zich voordoen.

De bewaring is ook gebaseerd op de b-grond van artikel 59b, eerste lid van de Vw. De b-grond is aanwezig als door de bewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen. Ook voor de b-grond geldt dat zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb moeten voordoen.

Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Schadevergoeding en proceskostenvergoeding

5. Verweerder heeft bij bericht van 29 juli 2026 erkend dat de bewaring is opgeheven omdat is nagelaten het risico op onttrekking toe te lichten. Verweerder heeft eiser een schadevergoeding aangeboden wegens de onrechtmatige bewaring in de periode van 24 tot en met 25 juli 2026. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat voor het vergoeden van de proceskosten voor het indienen van een beroepschrift, omdat de maatregel door middel van een kennisgeving ter toetsing aan de rechtbank is voorgelegd.

De gemachtigde van eiser heeft verweerders aanbod niet aanvaard en betoogd dat wel een proceskostenvergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de maatregel van 24 juli 2026 ten onrechte niet is gemotiveerd. Op 25 juli 2026 is deze maatregel opgeheven en is eiser uit vreemdelingenbewaring vrijgelaten. Verweerder heeft eiser schadevergoeding aangeboden voor 2 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 2 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 240,-.

De rechtbank acht echter gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 2 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 1 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 280,- omdat eiser blijkens de stukken op 25 juli 2026 is overgebracht naar het detentiecentrum.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat er geen proceskosten hoeven te worden vergoed voor het indienen van een beroepschrift omdat de zaak is aangebracht door middel van een kennisgeving. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw wordt een kennisgeving immers gelijkgesteld met een beroep, ingediend door de vreemdeling. Dat een gemachtigde nu het online beroepsformulier niet meer hoeft in te vullen en in te dienen, is naar oordeel van de rechtbank onvoldoende om te beslissen dat de hiervoor bedoelde proceskostenvergoeding komt te vervallen. Ook geeft het geen aanleiding voor het oordeel dat door een gemachtigde in het geheel geen met het indienen van een kennisgeving samenhangende handelingen worden verricht. Zoals de gemachtigde op de zitting ook heeft toegelicht, dient zij naar aanleiding van een kennisgeving wel werkzaamheden te verrichten en is dit ook het geval indien de maatregel wordt opgeheven voordat er beroepsgronden worden ingediend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de maatregel pas in de loop van de volgende dag is opgeheven. Dat maakt dat de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vaststelt op € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld (1 punt) en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt), met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand