RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45302
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 9 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. el Handouni als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Grondslag van de maatregel
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maatregel niet op de juiste grondslag is opgelegd. In de eerste plaats heeft eiser al in november 2025 zijn asielwens kenbaar gemaakt zodat de termijn om een claimverzoek in te dienen zoals bedoeld in artikel 21 van de Dublinverordening is verstreken. Eiser valt daarom niet langer onder de Dublinverordening/Asiel- en Migratiebeheerverordening. In de tweede plaats is eiser op 2 augustus 2026 al in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Bij uitspraak van 7 augustus 2026 (NL26.43619) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch het beroep gericht tegen deze maatregel ongegrond verklaard en bepaald dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek op 6 augustus 2026 rechtmatig is. Volgens eiser zijn er sindsdien geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden waaruit volgt dat eiser nu op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring kan worden gesteld. Eiser meent dat verweerder met deze handelswijze willekeurig heeft gehandeld en dat er sprake is van misleiding, dan wel kwade trouw. De (eventuele) onrechtmatigheid van de eerdere maatregel op grond van artikel 59b, van de Vw, zorgt er daarom voor dat ook de huidige maatregel op grond van artikel 59a, van de Vw onrechtmatig is. Ook in het kader van fair play meent eiser dat de bewaringsmaatregel onrechtmatig is, temeer nu verweerder geen schadevergoeding heeft aangeboden voor de eerder opgelegde maatregel op grond van artikel 59b, van de Vw.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder, voordat hij een vreemdeling in bewaring stelt, een onderzoek moet verrichten naar de voor de bewaring relevante feiten en aan de hand van deze feiten beoordelen of een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht en of een voor een overdracht vastgestelde termijn niet is verstreken. Een concreet aanknopingspunt kan bijvoorbeeld blijken uit een Eurodactreffer.
Uit het dossier blijkt dat verweerder het Eurodac-systeem op 2 augustus 2026 heeft geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat eiser in Slovenië en Bulgarije een asielaanvraag heeft ingediend. De rechtbank is daarom van oordeel dat er aanknopingspunten bestaan dat eiser onder de werkingssfeer van de Asiel- en Migratiebeheerverordening valt. Het standpunt van eiser dat hij al in november 2025 een asielwens kenbaar heeft gemaakt en de termijn voor een terug- of overnameverzoek daarom al is verstreken, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk pas op 2 augustus 2026 een asielaanvraag ingediend. De termijn om een terug- of overnameverzoek in te dienen is toen gaan lopen. Dat eiser in november 2025 zijn asielwens heeft geuit, maar hij toen niet zelfstandig naar Ter Apel is gegaan om daar (officieel) een asielaanvraag in te dienen, doet daar niet aan af.
Het standpunt van eiser dat hij al op 2 augustus 2026 op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring had moeten worden gesteld en dat de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel doorwerkt in de huidige maatregel, volgt de rechtbank ook niet. Bij uitspraak van 7 augustus 2026 (NL26.43619) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch het beroep tegen de eerdere maatregel ongegrond verklaard en bepaald dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek op 6 augustus 2026 rechtmatig is; deze uitspraak staat in rechte vast. Er is daarom geen sprake van een eerdere onrechtmatige maatregel. Pas nadat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel is vastgesteld in een beroep tegen die maatregel, kan de vraag aan de orde komen of de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkt in de tweede maatregel, in een beroep tegen die tweede maatregel (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1206, onder 3.2 en 3.3 en de uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945, onder 4.5.). Ten overvloede overweegt de rechtbank dat er geen aanwijzingen zijn dat bij verweerder sprake is van kwade trouw of misleiding; het enkele feit dat verweerder ten tijde van de eerste maatregel al over een Eurodactreffer beschikte is daarvoor onvoldoende.
De beroepsgrond slaagt niet.
Gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd
5. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Volgens eiser is het niet feitelijk juist dat hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Verweerder spreekt immers van een vermoeden. Dat eiser zich na het uiten van zijn asielwens op 2 november 2025 niet heeft gemeld in Ter Apel betekent volgens eiser ook niet dat hij niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd (grond a). De gronden p, r, en s kunnen volgens eiser niet aan de maatregel ten grondslag worden gelegd omdat hier in het gehoor geen vragen over zijn gesteld en ook niet aan eiser is gevraagd of er sinds het eerdere verhoor op 2 augustus 2026 sprake is van gewijzigde omstandigheden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de grond a zich feitelijk voordoet. Eiser heeft immers verklaard dat hij zijn documenten is verloren en dat hij als illegale reiziger naar Nederland is gekomen. Eiser heeft ook geen melding gedaan van zijn onrechtmatig verblijf. Dat in de maatregel staat dat eiser niet over een geldig document voor grensoverschrijding beschikt en daaruit het ‘vermoeden’ kan worden afgeleid dat hij niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Verweerder stelt immers ook terecht dat vaststaat dat eiser niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de gronden p, r en s zich feitelijk voordoen en dat hier een onderduikrisico uit volgt. Eiser is namelijk niet in het bezit van documenten (grond p). Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij geen vaste woon- verblijfplaats heeft en dat hij geen geld heeft (grond r en s). De stelling van eiser dat er in het gehoor voorafgaand aan de maatregel niet aan eiser is gevraagd of er sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat de gronden p, r, en s daarom niet aan eiser kunnen tegengeworpen, volgt de rechtbank niet. Uit het gehoor blijkt namelijk dat aan eiser is gevraagd of er sinds het opleggen van de eerdere maatregel feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen waarmee geen rekening is gehouden. Eiser heeft hier ontkennend op geantwoord. De gronden a, p, r en s zijn feitelijk juist, en waar nodig is het onderduikrisico voldoende toegelicht. Dit betekent dat er voldoende gronden zijn om de maatregel te rechtvaardigen. Er vloeit namelijk een significant onderduikrisico uit voort. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder bij zijn beoordeling of er een lichter middel moet worden toegepast ten onrechte niet heeft meegewogen dat er sprake is van misleiding/kwade trouw en dat verweerder in strijd met het fair play beginsel heeft gehandeld.
De rechtbank ziet, gelet op hetgeen onder 4.2. en 4.3. is overwogen geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder eiser heeft misleid, dat er sprake is van kwade trouw, of dat verweerder het fair play beginsel heeft geschonden. De eerder opgelegde maatregel is immers door de rechtbank rechtmatig bevonden. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder een lichter middel had moeten opleggen. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat er, zoals onder 5.1. is overwogen, een risico bestaat dat eiser onderduikt. Verder heeft verweerder kunnen meewegen dat niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is of dat bewaring voor eiser onredelijk bezwarend is. Verweerder wijst er in dit kader ook terecht op dat de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Niet is gebleken dat dit voor eiser onvoldoende is. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn overdracht. Volgens eiser moet, gelet op de omstandigheid dat verweerder eiser ten onrechte eerst op grond van artikel 59b van de Vw, in bewaring heeft gesteld, naar de gehele periode worden gekeken waarin eiser zich in bewaring bevindt, en niet enkel naar de periode waarin eiser zich in bewaring bevindt op grond van artikel 59a, van de Vw. Verweerder heeft geen handelingen verricht om eisers overdracht te bewerkstelligen.
Zoals onder 4.2. en 4.3. is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de gehele periode waarin eiser zich in bewaring bevindt moet worden betrokken bij de beoordeling of verweerder voldoende voortvarend handelt. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of verweerder vanaf het opleggen van de huidige maatregel op 9 augustus 2026, tot het sluiten van het onderzoek op 13 augustus 2026 voldoende voortvarend heeft gehandeld. In dit kader heeft verweerder op de zitting toegelicht dat de Asiel- en Migratiebeheerverordening procedure is gestart en dat er mogelijk nog nader onderzoek moet worden gedaan voordat er een claimverzoek wordt ingediend bij Bulgarije of Slovenië. De rechtbank ziet, gelet op de korte duur van de bewaring, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hiermee onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.