ECLI:NL:RBDHA:2026:24113

ECLI:NL:RBDHA:2026:24113

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer NL26.45293 en NL26.45791
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

terugkeerbesluit en inreisverbod, terecht een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod opgelegd, bewaringsmaatregel o.g.v. art. 59-1a Vw, geen verkapt vreemdelingenrechtelijke aanhouding, lichter middel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.45293 en NL26.45791

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),

en

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit 1 van 9 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag met het bestreden besluit 2 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.45293. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Daarnaast heeft eiser beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.45791.

Verweerder heeft de maatregel van vreemdelingenbewaring op 12 augustus 2026 opgeheven.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 17 augustus 2026 om 15:45 uur gesloten.

Het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod (NL26.45791)

Terugkeerbesluit

2. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en eiser een vertrektermijn onthouden. In het terugkeerbesluit heeft verweerder hierover vermeld dat een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.6, tweede lid, van het Vb als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd en dat hem een periode had moeten worden gegund om zijn vertrek te regelen. Eiser voert hiertoe aan dat het de eerste keer is dat hij in aanraking is gekomen met de autoriteiten. Daarnaast werkt eiser mee aan de vaststelling van zijn identiteit door identiteitsdocumenten te overleggen. Eiser meent verder dat hij, anders dan verweerder aanneemt, zijn visum niet heeft aangevraagd met het doel om in Europa te gaan werken.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser onrechtmatig in Nederland verbleef. Op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vw was verweerder dan ook gehouden om een terugkeerbesluit op te leggen. Dat eiser niet eerder met de autoriteiten in aanraking is gekomen doet hier niet aan af.

Verder volgt uit artikel 62, eerste lid, van de Vw dat de vreemdeling tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dient te verlaten. Op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw, kan verweerder deze termijn voor vrijwillig vertrek verkorten, dan wel bepalen dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Volgens artikel 6.1. van het Vb kan worden aangenomen dat er sprake is van een risico op onttrekking in de zin van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw, indien ten minste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb, op de vreemdeling van toepassing zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de grond a zich feitelijk voordoet. Eiser is namelijk Nederland ingereisd toen zijn visum al was verlopen en heeft vervolgens geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de gronden p, r en s zich feitelijk voordoen en dat hier een onderduikrisico uit volgt. Eiser heeft zich immers niet gemeld bij de Nederlandse autoriteiten (grond p). Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij geen vaste woon- verblijfplaats heeft en dat hij geen geld heeft (grond r en s). De gronden a, p, r en s zijn feitelijk juist en waar nodig is het onderduikrisico voldoende toegelicht. Uit het samenstel van deze gronden blijkt reeds dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiser niet eerder een vertrektermijn of een aanzegging heeft gehad om Nederland te verlaten, maakt dat niet anders, nu dit geen voorwaarde is voor het aannemen van een risico op onttrekking en dit de toepasselijkheid van de gronden ook niet wegneemt. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd eiser een vertrektermijn te onthouden. De rechtbank laat eisers standpunt dat hij meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en dat hij zijn visum niet met een ander doel heeft aangevraagd daarom onbesproken.

De beroepsgrond slaagt niet.

Inreisverbod

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het inreisverbod disproportioneel en onvoldoende gemotiveerd is. Verweerder heeft er namelijk enkel op gewezen dat eiser illegaal in Europa is. Verder is het de eerste keer dat eiser in aanraking is gekomen met de autoriteiten en kan eiser nu jarenlang de Europese Unie niet inreizen.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw volgt dat verweerder een inreisverbod uitvaardigt tegen de vreemdeling die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, van de Vw en op wie artikel 64 van de Vw niet van toepassing is. Zoals hiervoor is overwogen is eiser terecht een vertrektermijn onthouden zodat verweerder gehouden was om een inreisverbod aan eiser op te leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom aan eiser een inreisverbod is opgelegd.

Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw, kan verweerder om humanitaire redenen of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Volgens paragraaf A4/2.2, onder c, van de Vreemdelingencirculaire 2000 vaardigt verweerder geen inreisverbod uit wanneer dit in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb volgt als uitgangspunt dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. Uit paragraaf A4/2.3. van de Vc volgt verder dat verweerder voor zover mogelijk een inreisverbod voor de maximale duur uitvaardigt. De duur van het inreisverbod wordt verkort, of achterwege gelaten, als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.

Voor zover eiser stelt dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod, dan wel de duur ervan had moeten verkorten omdat dit de eerste keer is dat eiser in aanraking is gekomen met de autoriteiten, volgt de rechtbank dit niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hierin terecht geen bijzondere individuele omstandigheden gezien om van het uitvaardigen van het inreisverbod af te zien of de duur ervan te verkorten. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser heeft verklaard dat hij geen mening heeft over het opleggen van het inreisverbod voor de duur van twee jaar en dat er geen zaken zijn waar verweerder rekening mee moet houden voordat er een inreisverbod wordt opgelegd.

De beroepsgrond slaagt niet.

Het beroep gericht tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.45293)

4. Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

Staandehouding en ophouding

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een verkapt vreemdelingenrechtelijke staandehouding. Eiser is bij een verkeerscontrole staandegehouden en heeft toen zijn identiteitskaart en rijbewijs overgelegd. Eiser is vervolgens toch aangehouden omdat hij geen paspoort bij zich had. Volgens eiser is dit ten onrechte omdat hij zich al had gelegitimeerd. Daarnaast meent eiser dat de maximale duur van de ophouding is overschreden met drie minuten.

Uit het proces-verbaal van aanhouding van 9 augustus 2026 blijkt dat de verbalisant een auto zag rijden op de invoegstrook. Toen de auto een zijwaartse verplaatsing maakte kwam deze bijna in aanraking met een politieauto. Er is toen een stopteken gegeven, waaraan is voldaan. Eiser werd toen gevraagd om een identiteitsbewijs te overleggen. Eiser heeft toen een Oezbeeks rijbewijs en identiteitsbewijs overhandigd. De verbalisant vorderde vervolgens een paspoort ter inzage, maar eiser kon deze niet overleggen. Eiser is daaropvolgend aangehouden op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Eiser is aansluitend op strafrechtelijke heenzending overgenomen.

6. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van aanhouding voldoende blijkt dat de staandehouding (en de daarop volgende aanhouding) van eiser heeft plaatsgevonden in verband met de uitoefening van de algemene politietaak. De aanleiding om eisers identiteitsbewijs te vorderen was namelijk dat de auto waarin eiser zich bevond bijna in aanraking kwam met een politieauto. Het ging dus niet om de uitoefening van het vreemdelingentoezicht (c.q. de bevoegdheid van artikel 50 eerste lid of 50a, eerste lid, van de Vw). Daarnaast kon eiser weliswaar identiteitsdocumenten overleggen, maar geen identiteitsdocumenten zoals bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat er sprake is van een vreemdelingenrechtelijke staandehouding.

Toetsingskader maatregel van vreemdelingenbewaring

7. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op de grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

8. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser betwist de gronden c en d. Hij voert hiertoe aan dat hij door het overleggen van zijn identiteitsdocumenten wel heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit (grond c) en dat hij zijn visum niet heeft verkregen met als doel om in Europa te werken (grond d).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden a, p, r en s feitelijk juist en waar nodig is het onderduikrisico voldoende toegelicht. Uit het samenstel van deze gronden blijkt reeds dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Voor de motivering verwijst de rechtbank naar overweging 2.4. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

9. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiser heeft meermaals verklaard dat hij vrijwillig kan en wil terugkeren naar Oezbekistan. Vrienden kunnen zijn reis betalen en zijn paspoort bij een kennis ophalen. Daarnaast is het de eerste keer dat eiser met de autoriteiten in aanraking is gekomen zodat hem de kans moet worden geboden om zelfstandig terug te keren.

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder naar aanleiding van de door eiser aangevoerde omstandigheden met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Alleen een verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat er, zoals onder 2.4. en 8.3. is overwogen, een risico bestaat dat eiser onderduikt. Dat eiser voor de eerste keer in aanraking is gekomen met de autoriteiten en dat hij heeft verklaard dat hij vrijwillig kan en wil terugkeren naar Oezbekistan is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat er geen onderduikrisico is en dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiser heeft immers geen paspoort en heeft ook niet aangetoond dat zijn kennissen deze daadwerkelijk kunnen ophalen of zijn reis kunnen betalen. Verder is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is bevonden of dat bewaring voor eiser onredelijk bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen tegen het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T. Boesman

Griffier

  • mr. A. Duijf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand