RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42666
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Onder meer aan de hand van wat eiser aanvoert in beroep beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 28 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen;
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt verweerder de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
Voortraject
4. Eiser stelt dat in het proces-verbaal van de staandehouding wordt gesproken van de ‘Dublinverordening’. Eiser wijst erop dat de ‘Dublinverordening’ niet meer bestaat en voert aan dat die vermelding als een groot formeel gebrek moet worden gezien dat leidt tot onrechtmatigheid. Verder stelt eiser dat de grondslag voor de ophouding (artikel 50, derde lid, van de Vw) onjuist is.
Naar het oordeel van de rechtbank leidt eisers betoog niet tot onrechtmatigheid van de maatregel. Dat de ‘Dublinverordening’ door verweerder in het proces-verbaal wordt genoemd ziet de rechtbank als een kennelijke verschrijving. Er is niet gebleken dat niet duidelijk was welke regelgeving werd bedoeld. Wat betreft de ophouding is de rechtbank met verweerder van oordeel dat niet is gebleken van onregelmatigheden. Uit het betreffende proces-verbaal blijkt dat eisers identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld op basis van het door de bemanning overhandigde laissez-passer, opgemaakt door de Zwitserse autoriteiten, en dat eisers verblijfsrechtelijke positie niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Eiser heeft ook niet aangegeven waarom de grondslag van artikel 50, derde lid, van de Vw onjuist zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Ter toelichting voert hij aan dat hij grond a betwist omdat het risico op onderduiken niet gesteld kan worden nu hij is overgedragen en in de macht is van de Nederlandse Staat. Eiser is daarmee op de voorgeschreven wijze binnengekomen. Verder stelt eiser dat grond b niet voldoende is gemotiveerd door verweerder. Eiser heeft het besluit niet ontvangen en er daarom geen kennis van kunnen nemen. Eiser betwist ook grond c en stelt alle medewerking te hebben verleend aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Zijn overdracht vanuit Zwitserland is geaccepteerd op zijn personalia waardoor er geen sprake kan zijn van onjuistheid hiervan. Grond p hangt samen met grond a en c. Uit deze gronden blijkt volgens eiser niet van een onderduikrisico, te meer nu eiser in beschikking is van de Nederlandse Staat. Tot slot stelt eiser dat de gronden r en s niet van toepassing zijn omdat hij asiel wenst en rechtstreeks van Zwitserland naar Nederland is overgedragen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat grond a aan eiser kan worden tegengeworpen. Eiser is weliswaar thans overgedragen door Zwitserland, maar beschikt niet over geldige grensoverschrijdingsdocumenten en is eerder de Europese Unie illegaal binnengekomen. Eiser heeft hier zelf over verklaard tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling (zie pagina 4). Verweerder heeft ook terecht overwogen dat eiser eerder al een asielaanvraag in Duitsland heeft gedaan en op 5 augustus 2023 met onbekende bestemming is vertrokken en later in Zwitserland is aangetroffen. Dat eiser is overgedragen aan Nederland en in de macht is van de Nederlandse Staat, betekent niet dat het risico op onttrekking niet aanwezig is. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt ter zitting dat eiser al een keer is vertrokken naar Zwitserland zonder zijn asielprocedure hier in Nederland af te wachten. Op basis van het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat er sprake is van een onderduikrisico. Ook grond b heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen. Het besluit van 16 juni 2025 waarin het terugkeerbesluit is opgenomen, is volgens verweerder rechtens en op de juiste wijze bekend gemaakt. De rechtbank merkt hierbij nog op dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt dat eiser zelf heeft verklaard dat zijn procedure in Nederland niet heeft geleid tot een verblijfsvergunning en dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrekplicht (zie pagina 5) Dit duidt erop dat eiser zich bewust was van de aan hem opgelegde vertrekplicht. Eiser verklaart bovendien in dit gehoor zelf niet dat hij niets weet van een terugkeerbesluit. Wat betreft grond c voert verweerder terecht aan dat eiser gedurende zijn illegaal verblijf nooit activiteiten heeft ondernomen om aan een paspoort te komen of aan andere identificerende documenten. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt dat eiser heeft verklaard dat zijn paspoort bij zijn familie in Spanje ligt (zie pagina 4). Eiser verklaart dat hij zijn paspoort kan laten opsturen, maar nergens volgt uit dat eiser een poging daartoe heeft gedaan. Verweerder heeft daarom deze grond aan eiser kunnen tegenwerpen.
De gronden a, b en c, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden, laat de rechtbank dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat aan hem ten onrechte geen lichter middel is opgelegd. Er loopt een asielprocedure en ten onrechte heeft verweerder hem niet in een AZC geplaatst of een meldplicht dan wel een andere vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Eiser stelt dat het niet toepassen van een lichter middel niet deugdelijk door verweerder is gemotiveerd. Eiser stelt verder dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische en persoonlijke omstandigheden. Verweerder volstaat met het opnemen van een standaardoverweging dat er medische voorzieningen aanwezig zijn in detentie. Eiser heeft te maken gehad met ernstige mishandeling, suïcidale gedachten en psychische problematiek. In de motivering ontbreekt een individuele beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder heeft dit deugdelijk gemotiveerd in de maatregel door middel van een individuele beoordeling. Gelet op de eerder in deze uitspraak beoordeelde gronden van bewaring en de toelichting op die gronden bestaat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verder wat betreft eisers medische situatie stelt de rechtbank vast dat eisers psychische klachten bekend waren bij het opleggen van de maatregel. Verweerder heeft deze in zijn overwegingen betrokken en er daarbij terecht op gewezen dat eiser in het detentiecentrum toegang heeft tot medische zorg, de medische zorgverlening in detentie gelijk is aan die in de vrije maatschappij en niet gebleken is dat eiser detentieongeschikt is. Verder is in de maatregel van bewaring vermeld dat als blijkt dat de zorg toch onvoldoende kan worden gegeven, eiser wordt overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling (zie pagina 7). Ook is in de maatregel van bewaring opgenomen dat indien er gevaar van suïcide dreigt er in detentie een Extra Beveiligde Zorgafdeling aanwezig is (zie ook pagina 7). Verder kan er zo nodig kort voor het vertrek van eiser nog een medische toets worden uitgevoerd om te beoordelen of eiser medisch gezien kan reizen en of medische begeleiding tijdens de vlucht nodig is. De veiligheid voor het leven en voor de gezondheid van de vreemdeling is hiermee voldoende gewaarborgd. De beroepsgrond slaagt niet.
Informatiefolder
7. Eiser stelt dat de informatiebrief die aan hem is uitgereikt niet is voorgelezen door een tolk. Volgens eiser had dit wel moeten gebeuren, zodat voor hem duidelijk zou zijn wat uit deze brief volgt.7.1. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat alle relevante informatie met betrekking tot de inbewaringstelling van eiser, in aanwezigheid van een tolk, is besproken. Dit blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor. Na het gehoor is door verweerder de informatiebrief in de Arabische taal uitgereikt als naslagwerk. Verweerder heeft daarmee aan zijn verplichtingen voldaan. De rechtbank ziet geen grond voor het standpunt dat van verweerder mag worden verwacht dat deze informatiebrief nog aan eiser wordt voorgelezen, te meer nu eiser aan het eind van het gehoor nogmaals heeft verklaard dat hij de tolk goed heeft verstaan en begrepen en ter zitting heeft bevestigd dat hij kan lezen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.