ECLI:NL:RBDHA:2026:24117

ECLI:NL:RBDHA:2026:24117

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer NL26.45269
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaringsmaatregel o.g.v. art. 59-1a, unieburger, beëindiging verblijf, lichter middel, voortvarendheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.45269

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),

en

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (telefonisch), M.A. Kwasnik-Waardenburg als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Advocaat bij het gehoor

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet inzichtelijk is gemaakt of eiser uitdrukkelijk en geïnformeerd afstand heeft gedaan van bijstand tijdens het gehoor. Uit de piketmelding blijkt namelijk dat eiser een raadsman bij het gehoor wenste. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt echter dat eiser geen advocaat bij het gehoor wenste, maar ook dat de advocaat hem kort voor het gehoor heeft bezocht en niet bij het gehoor aanwezig wilde zijn.

Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat aan eiser is medegedeeld dat hij zich tijdens het gehoor kosteloos kon laten bijstaan door een raadsman. Eiser heeft vervolgens aangegeven dat hij geen advocaat bij het gehoor wil, maar wel rechtsbijstand gedurende de verdere procedure. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal dat de gemachtigde van eiser niet bij het gehoor aanwezig wilde zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hiermee uitdrukkelijk geïnformeerd over de mogelijkheid van bijstand tijdens het gehoor. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat eiser gedurende het vervolg van de procedure is bijgestaan door zijn gemachtigde en dat eiser ook niet heeft gemotiveerd dat, en waarom hij met deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.

Rechtmatig verblijf

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de bewaringsmaatregel onrechtmatig is opgelegd omdat hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Eiser heeft op 23 april 2025 (uitgereikt op 8 mei 2025) een verwijderingsbesluit ontvangen waarin zijn rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht is ingetrokken. Eiser meent dat hij zijn verblijf in Nederland heeft beëindigd en in Polen duurzaam verblijf heeft opgebouwd. Eiser is op 18 juli 2025 namelijk naar Polen uitgezet en heeft toen ongeveer acht maanden in Polen verbleven en gewerkt. Gelet op het voorgaande had eiser niet zonder een nieuw verwijderingsbesluit in bewaring mogen worden gesteld, aldus eiser.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506, C-719/19 (FS tegen Nederland) volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. De duur die de Unieburger buiten het grondgebied van het gastland heeft verbleven, is voor de vaststelling van de daadwerkelijke en effectieve beëindiging van belang, maar niet beslissend. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht. Bij beschikking van 23 april 2025 (uitgereikt 8 mei 2025) is eisers rechtmatig verblijf ingetrokken. Eiser is op 18 juli 2025 naar Polen uitgezet. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaringsmaatregel verklaard dat hij acht maanden in Polen heeft gewerkt. Hij stelt rond april 2026 weer te zijn teruggekeerd omdat het mooi is in Nederland. Hij heeft in Nederland niet gewerkt. Op de zitting heeft eiser verder verklaard dat hij in Polen heeft gewerkt en dat hij een gevangenisstraf heeft uitgezeten. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de enkele verklaring onvoldoende dat eiser een bestendig verblijf heeft opgebouwd buiten Nederland. Dat geldt ook voor het feit dat eiser gedurende een periode van zes maanden niet in de Nederlandse politiesystemen is geregistreerd. Dit betekent slechts dat eiser in die periode niet in aanraking is geweest met de Nederlandse politie maar bewijst niet dat eiser zich ook daadwerkelijk buiten Nederland heeft gevestigd. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat eiser zijn stelling dat hij in Polen heeft gewoond, gewerkt en dat hij in Polen is gedetineerd niet met stukken heeft onderbouwd terwijl eiser dergelijke stukken normaal gesproken wel zou moeten kunnen bemachtigden (denk bijvoorbeeld aan loonstroken of justitiële documentatie uit Polen). Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht. Verweerder was daarom niet gehouden om een nieuw verwijderingsbesluit te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert hiertoe kort samengevat aan dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd zodat hij Nederland opnieuw mocht inreizen en daarom ook niet gehouden was om melding te doen van zijn onrechtmatige verblijf (gronden a en p). Daarnaast wijst eiser erop dat zijn identiteit reeds is vastgesteld en dat de omstandigheid dat hij geen paspoort heeft onvoldoende is voor het oordeel dat hij niet meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit (grond c). Volgens eiser kan grond h hem verder niet worden tegengeworpen omdat deze niet is aangekruist in de maatregel en omdat hij juist heeft verklaard dat hij naar Polen zal terugkeren. Tot slot meent eiser dat uit de gronden r en s onvoldoende blijkt dat er sprake is van een onderduikrisico.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de grond a zich feitelijk voordoet. Eiser heeft, zoals hiervoor al is overwogen, geen gehoor gegeven aan zijn verwijderingsbesluit. Eiser is Nederland ingereisd zonder in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding. Eiser heeft ook geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de gronden p, r en s zich feitelijk voordoen en dat hier een onderduikrisico uit volgt. Eiser heeft zich immers niet gemeld bij de Nederlandse autoriteiten en is niet in het bezit van documenten (grond p). Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij geen vaste woon- verblijfplaats heeft en dat hij geen geld heeft (grond r en s). De gronden a, p, r en s zijn feitelijk juist en waar nodig is het onderduikrisico voldoende toegelicht. Dit betekent dat er voldoende gronden zijn om de maatregel te rechtvaardigen. Er vloeit namelijk een onderduikrisico uit voort. De rechtbank laat de overige gronden daarom onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

6. Eiser stel zich op het standpunt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij naar Polen kan terugkeren. Verweerder legt de verantwoordelijkheid om een lichter middel aannemelijk te maken ten onrechte geheel bij eiser. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of detentie, gelet op eisers kwetsbaarheid, niet onevenredig bezwarend voor eiser is.

De rechtbank volgt eiser allereerst niet in zijn standpunt dat verweerder onterecht de verantwoordelijkheid bij eiser legt om aannemelijk te maken dat er een lichter middel moet worden toegepast. Het is immers aan eiser om omstandigheden naar voren te brengen waaruit volgt dat een lichter middel zou moeten worden toegepast. Wel moet verweerder eiser in de gelegenheid stellen om deze omstandigheden naar voren te kunnen brengen. Dit heeft verweerder ook gedaan door in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel aan te geven dat eiser zijn zienswijze hierover naar voren kan brengen. Eiser heeft vervolgens verklaard dat Nederland gewoon mooi is en dat hij weg zal moeten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser hiermee voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze over het opleggen van de maatregel naar voren te brengen.

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder naar aanleiding van de door eiser aangevoerde omstandigheden met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Alleen een verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat er, zoals onder 5.2. is overwogen, een risico bestaat dat eiser onderduikt. Verder heeft verweerder kunnen meewegen dat eiser bij zijn terugkeer naar Nederland opnieuw een overlastgevend en zwervend bestaan leidt. Daarnaast blijkt uit de maatregel dat verweerder de medische dienst heeft verzocht om eiser te bezoeken vanwege zijn (mogelijke) alcoholverslaving. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is bevonden of dat bewaring voor eiser onredelijk bezwarend is. Verweerder wijst er in dit kader ook terecht op dat de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Niet is gebleken dat dit voor eiser onvoldoende is. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarendheid

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eisers identiteit staat namelijk vast en daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn paspoort bij de Poolse ambassade ligt. Verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke handelingen nodig zijn en wanneer eiser wordt verwijderd uit Nederland.

Uit het dossier blijkt dat verweerder op 10 augustus 2026 aan het Openbaar Ministerie heeft gevraagd of zij instemmen met uitzetting van eiser. Daarnaast heeft er op 12 augustus 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden en is er op diezelfde dag ook een terug- en overname aanvraag opgestart. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder hiermee voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Voor zover eiser stelt dat hij eerder had kunnen worden uitgezet omdat zijn identiteit vaststaat en er een paspoort is, volgt de rechtbank dit niet. De bewaringsrechter toetst of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld, niet of het sneller had gekund. Zoals hiervoor al overwogen heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

Beslissing

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T. Boesman

Griffier

  • mr. A. Duijf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand