RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45063
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
Procesverloop
Met het besluit van 31 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1998 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 7 augustus 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv). Op grond van de Ambv neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Duitsland. Daarom heeft Nederland aan Duitsland op 27 juli 2026 een kennisgeving van terugname verstuurd. Duitsland heeft de kennisgeving op 29 juli 2026 bevestigd. De minister heeft daarom besloten de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen, en eiser over te dragen aan Duitsland. Hij is daarbij ingegaan op de door eiser schriftelijk ingediende bezwaren tegen de overdacht en stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat hij als gevolg van de overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Eiser stelt dat zijn documenten in Duitsland zijn ingenomen en dat hem daar te verstaan is gegeven dat hij binnen een week naar Irak moet terugkeren. Eiser weet daarom niet of hij na overdracht aan Duitsland wel toegang zal hebben tot de asielprocedure en een effectief rechtsmiddel. Bij terugkeer naar Irak vreest eiser voor zijn leven. Bovendien stelt eiser dat hij zich in een kwetsbare psychische situatie bevindt. De minister had hem hierover moeten horen en onderzoek moeten doen naar de concrete omstandigheden waarin eiser na overdracht aan Duitsland terecht zal komen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De minister mag in beginsel ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiser moet aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan.
6. Op grond van artikel 43, eerste lid van de Ambv beoordeelt de rechter of er bij overdracht sprake is van een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om, de overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.
7. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit bij overdracht aan Duitsland het geval zal zijn. Daarbij is van belang dat het uitgangspunt is dat ten aanzien van Duitsland uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat Duitsland eisers asielaanvraag zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels zal behandelen. Eiser heeft geen onderbouwing geleverd voor zijn stelling dat hij bij overdracht aan Duitsland het risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling. De enkele stelling dat hij niet zeker weet of hij toegang krijgt tot de asielprocedure of tot effectieve rechtsbescherming, is daarvoor onvoldoende. Ook voor zijn stelling dat hij zich in een psychisch kwetsbare positie bevindt heeft eiser geen onderbouwing aangeleverd. Er was voor de minister daarom geen verplichting om nader onderzoek uit te voeren. Ook kon de minister op grond van artikel 22, tweede lid, onder c, van de Ambv afzien van een persoonlijk onderhoud.
8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
9. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 augustus 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.