[naam] , eiseres,
geboren op [geboortedatum] ,
van Russische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat, mede, aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht en verantwoordelijkheid Frankrijk
4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMbV).
Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.
Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 27 maart 2026, na het op dezelfde dag gehouden aanmeldgehoor, bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 8 april 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Uit het dossier blijkt dat eiseres op 26 maart 2024 niet is verschenen voor een geplande overdracht vanuit Nederland naar Kroatië. Uit Eurodac blijkt dat eiseres op 29 maart 2024 en 21 augustus 2025 in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. De rechtbank ziet in het gestelde in beroep geen grond voor het oordeel dat niet kan worden uitgegaan van de verantwoordelijkheid van Frankrijk voor onderhavig verzoek om internationale bescherming. Daarbij zij opgemerkt dat artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening bepaalt dat elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, door één enkele lidstaat wordt behandeld. Uit de Eurodac-gegevens en het door Frankrijk gegeven akkoord blijkt genoegzaam dat Frankrijk die verantwoordelijkheid na het vertrek van eiseres uit Nederland aan zich heeft getrokken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De minister heeft in het besluit van 8 mei 2026, onder verwijzing naar rechtspraak, vermeld dat ten aanzien van Frankrijk wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gelet op wat in deze uitspraken is overwogen, en hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding hierover anders te oordelen.
6. In hetgeen overigens nog is aangevoerd ziet de rechtbank evenmin aanleiding om te komen tot een vernietiging van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt, dat de minister de asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiseres terecht wordt overgedragen aan Frankrijk.
8. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.