Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09/132814-25 en 09/093133-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 6 augustus 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. L. Kooijmans en de raadsman van de verdachte is mr. B. van Elst. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Dagvaarding 1 – 09/132814-25
hij, op of omstreeks 3 november 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning gelegen aan de [adres 2] , door een vuurwerkbom, althans een explosief, bij de voordeur van deze woning tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of de in die woning aanwezig zijnde goederen en/of de aangrenzende/omliggende woningen en/of de in die aangrenzende/omliggende woningen aanwezig zijnde goederen,en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner(s) en/of aanwezige(n) in voornoemde woning en/of aanwezigen in de aangrenzende/omliggende woningen te duchten was;
Dagvaarding 2 – 09/093133-26
hij op of omstreeks 28 maart 2026 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fatbike, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit.
Vrijspraak dagvaarding 2
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem bij dagvaarding 2 ten laste gelegde heling van de fatbike.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fatbike een door misdrijf verkregen goed betrof. De verdachte zal om die reden van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding 1
De rechtbank heeft in bijlage I bij dit vonnis de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Bewijsoverwegingen
Feiten en omstandigheden
Op 3 november 2024 omstreeks 04.18 uur is bij de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 2] een explosief tot ontploffing gebracht. Als gevolg hiervan zijn verschillende ruiten gebarsten, is er rookontwikkeling ontstaan in de portiek en is een zwarte roetplek op de grond ontstaan. De bewoonster van voormeld adres (hierna ook: de aangeefster) heeft verklaard dat zij al enige tijd wordt lastig gevallen door haar ex-vriend [naam] en dat hij vermoedelijk met de explosie te maken heeft.
Op de camerabeelden van de betreffende woning is de dader van de ontploffing te zien. De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben, afzonderlijk van elkaar, de verdachte herkend op de stills en de bewegende camerabeelden. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte herkend aan zijn huidskleur, volle lippen, dunne snorretje, brede neus, postuur en houding. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte bij het zien van de beelden herkend door de opvallende combinatie van kledingstukken (zwarte Moncler Maya jas, Moncler Grimpeurs vest met capuchon en Gucci pet), zijn huidskleur, vollere lippen in combinatie met zijn neus, postuur, de wijze waarop hij zijn mond open houdt en een zilverkleurige ring. Verbalisant [verbalisant 2] heeft daarnaast gerefereerd aan stills van een filmpje uit 2024 waarop is te zien dat hij contact heeft met de verdachte en dat de verdachte diezelfde Moncler jas draagt. Verbalisant [verbalisant 3] heeft de verdachte herkend aan zijn gezicht, met name door zijn mond, en aan zijn jas.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft de raadsman – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de nodige kanttekeningen te plaatsen zijn bij (de gang van zaken rondom) de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten. Zo heeft hij gesteld dat hetgeen van de persoon in de video of op de still te zien is, te weinig is om een betrouwbare herkenning op te baseren, mede gelet op hetgeen waaraan de verbalisanten stellen de verdachte te herkennen. De raadsman vindt het verder opvallend dat de herkenningen door de verbalisanten pas tot stand zijn gekomen nadat de voornaam van de verdachte in het kader van de explosie werd genoemd in een ander onderzoek. Ook dat doet in de visie van de raadsman af aan de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verbalisanten. De raadsman concludeert dat deze herkenningen onvoldoende zijn om op basis daarvan te concluderen dat de verdachte betrokken is geweest bij het ten laste gelegde.
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Dit geldt temeer indien de herkenningen, zoals in de onderhavige zaak, de voornaamste bewijsmiddelen vormen voor de vaststelling van de betrokkenheid van verdachte. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.
Herkenning van een persoon op beeld vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen bij de herkenning van een persoon een rol. Het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daar maar gedeeltelijk op valt te zien, hoeft niet te betekenen dat de herkenning onbetrouwbaar is. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft of hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen.
De rechtbank is van oordeel dat de herkenningen door de verbalisanten betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank constateert allereerst dat de stills en de camerabeelden die zich in het dossier bevinden – hoewel maar een klein gedeelte van het gezicht zichtbaar is – op zichzelf van voldoende kwaliteit zijn om de herkenningen op te kunnen baseren. De rechtbank acht verder van belang dat niet één maar drie verbalisanten de verdachte als de persoon op de beelden hebben herkend. De verbalisanten geven voorts, ieder afzonderlijk, duidelijk en gedetailleerd aan op grond van welke specifieke kenmerken zij de verdachte herkennen. Zij hebben de verdachte onder meer herkend aan de combinatie van zijn neus, mond, postuur en de opvallende combinatie van kledingstukken (zwarte Moncler Maya jas, Moncler Grimpeurs vest met capuchon en Gucci pet), en zij hebben aangegeven de verdachte ambtshalve te kennen en in het kader van hun werkzaamheden regelmatig contact met hem te hebben.
De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verbalisanten die door hen in een ambtsedig proces-verbaal zijn vastgelegd. Dat een eerdere verspreiding van de stills of de beelden geen herkenning heeft opgeleverd, doet hier niets aan af.
De rechtbank wordt in haar vaststelling dat de verdachte het explosief heeft laten afgaan nog gesterkt door het volgende.
Uit het onderzoek naar de telefoon van de verdachte blijkt dat er in de nacht van de explosie om 04:35:53 uur twee video’s zijn gemaakt, waarna deze video’s om 04:39:31 uur en 04:39:45 uur naar Snapchat zijn geüpload. Dit is ongeveer 20 minuten na de explosie. Daarnaast komt in de telefoon van de verdachte het contact “ [gebruikersnaam] ” voor, bij de politie bekend als één van de Snapchat gebruikersnamen van [naam] , de ex-vriend van de aangeefster van wie zij vermoedt dat hij met de explosie te maken heeft. De aangeefster heeft verklaard dat haar ex-vriend die betreffende avond meermaals met zijn auto haar straat is ingereden en dat hij voor de deur van haar portiek heeft gestaan, iets heeft neergelegd bij een scootmobiel en hij contact had met een jongen op een scooter in de straat. De politie concludeert op basis van het voorgaande dat er via Snapchat contact is geweest tussen de verdachte en [naam] . De verdachte heeft hier ter terechtzitting geen verklaring voor gegeven.
Op basis van al het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte degene is geweest die het explosief bij de woning aan de [adres 2] tot ontploffing heeft gebracht.
Gevaarzetting bij ontploffing
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onderdeel levensgevaar voor een ander, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te komen tot het oordeel dat er als gevolg van de ontploffing levensgevaar voor een ander te duchten viel.
Naar het oordeel van de rechtbank was naar algemene ervaringsregels wel redelijkerwijs gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander voorzienbaar. Het is een feit van algemene bekendheid dat het tot ontploffing brengen van een explosief ernstig letsel zoals brandwonden en gehoorschade kan veroorzaken. Dat zich personen in de woning en omliggende of aangrenzende woningen zouden bevinden, was eveneens redelijkerwijs voorzienbaar, nu de ontploffing werd teweeggebracht op een tijdstip dat mensen doorgaans liggen te slapen. Naar het oordeel van de rechtbank is ook evident dat gemeen gevaar voor goederen ontstaat als een explosief tot een ontploffing wordt gebracht bij de voordeur van een woning.
Conclusie
De rechtbank is, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding 1 met parketnummer 09/132814-25
hij op 3 november 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning gelegen aan de [adres 2] , door een explosief bij de voordeur van deze woning tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en de in die woning aanwezig zijnde goederen en de aangrenzende/omliggende woningen en de in die aangrenzende/omliggende woningen aanwezig zijnde goederen,en- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners en aanwezigen in voornoemde woning en aanwezigen in de aangrenzende/omliggende woningen te duchten was.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 117 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij een eventuele veroordeling het raadsadvies te volgen en rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het strafbare feit en de lange periode waarin de verdachte zich aan de schorsende voorwaarden heeft moeten houden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit De verdachte heeft zich op veertienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing door het af laten gaan van een explosief bij de woning van het slachtoffer. De ontploffing had een harde knal en materiële schade tot gevolg.
De ontploffing van een explosief bij een woning is een zeer indringende en intimiderende gebeurtenis voor de bewoners en omwonenden en kan tot zeer gevaarlijke situaties leiden.
Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring is op indringende wijze gebleken dat de ontploffing een grote impact op het slachtoffer en haar gezin heeft gehad. Zij ervaren tot op heden nog veel angst door hetgeen hen is overkomen. De verdachte heeft eraan bijgedragen dat de bewoners en omwonenden zich angstig en onveilig voelen op de plek waar zij zich juist het meest veilig dienen te voelen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij niet heeft nagedacht over de gevolgen van zijn handelen voor anderen. Door het handelen van de verdachte zijn niet alleen gevoelens van onrust en onveiligheid bij het slachtoffer en haar gezin teweeg gebracht, maar ook in de samenleving in het algemeen.
Het tot ontploffing brengen van explosieven en vuurwerkbommen doet zich op verschillende plaatsen in Nederland steeds vaker voor, wat zorgt voor grote onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 juli 2026, waaruit naar voren komt dat de verdachte niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank heeft daarnaast toepassing gegeven aan artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 30 juni 2026. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de schoolgang van de verdachte moeizaam verloopt en dat er enige zorgen zijn over zijn contacten buitenshuis. Thuis worden er geen problemen met de verdachte ervaren. Het contact met de jeugdreclassering verloopt inmiddels goed. De kans op recidive wordt door de Raad gemiddeld tot hoog ingeschat. Mocht de verdachte schuldig worden verklaard, dan meent de Raad dat het continueren van de verplichte hulpverlening van meerwaarde is. Een delictanalyse is dan zinvol. Hiernaast blijft het van belang dat de verdachte zijn werk en school goed oppakt, volhoudt en doorzet. De verdachte kan ook nog ondersteuning gebruiken bij de omgang, problemen en/of invloed van andere jongeren. De Raad adviseert daarom om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met de navolgende bijzondere voorwaarden: zich laten begeleiden door de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt meewerken met een coach, en naar school gaan volgens het rooster. Een taakstraf in de vorm van een leer- en werkstraf is overwogen, maar dit heeft wat de Raad betreft op dit moment geen prioriteit. Het zal aan de verdachte zijn om zijn leven richting volwassenheid en zelfstandigheid verder op te pakken, zijn voorzichtig positief ingezette gedrag vast te houden, door te zetten en hulp te vragen bij voor hem lastige onderwerpen.
De deskundige van Jeugdbescherming west (hierna: de jeugdreclassering) heeft ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte na de zomervakantie met een opleiding start en dat de betrokkenheid van de jeugdreclassering daarin nog ondersteunend kan zijn.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daaruit blijkt dat oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie als uitgangspunt wordt genomen voor brandstichting met aanzienlijke schade en gevaar voor personen.
In dit geval houdt de rechtbank bij de straftoemeting in het voordeel van de verdachte rekening met zijn jonge leeftijd ten tijde van het bewezen verklaarde en met het tijdsverloop in deze zaak. Daarnaast houdt de rechtbank in strafverlagende zin rekening met het feit dat de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds 23 mei 2025 is geschorst en dat hij zich tijdens deze (lange) periode over het algemeen goed aan zijn schorsende voorwaarden heeft gehouden.
Gezien de aard en ernst van de feiten kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van (een deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank de
oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 45 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (te weten: 3 dagen) passend en geboden vindt. Een gedeelte daarvan, namelijk 42 dagen, zal voorwaardelijk worden opgelegd. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank – gelet op de lange periode waarin de verdachte zich al aan de schorsende voorwaarden heeft gehouden – een proeftijd van één jaar verbinden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. De voorwaardelijke straf dient als waarschuwing voor de verdachte en biedt de mogelijkheid voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte met behulp van toezicht en begeleiding.
In de aard en ernst van het feit ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte ook een
een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat het van belang is dat de verdachte ook nog concrete gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. De rechtbank vindt een werkstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden.
7. De vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. J. Rensen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 15.070,98, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op
€ 4.070,98 aan materiële schade en € 11.000,- aan immateriële schade. Daarnaast wordt een verhoging van de vordering gevraagd van € 100.000,-. Ook is de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting oplevert voor het strafproces.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting oplevert voor het strafproces.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarbij overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij schade heeft geleden door de ontploffing op 3 november 2024, maar dat dit niet een op zichzelf staand incident is. De door de benadeelde partij aangevoerde schadeposten zijn nauw verweven met de gedragingen van haar ex-partner [naam] . De rechtbank kan op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen welk deel van de schade is ontstaan door het bewezen verklaarde. Het vaststellen van de eventuele causaliteit en mate van toerekening, of het aan de benadeelde partij geven van gelegenheid voor een nadere onderbouwing, zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert daarom volgens de rechtbank een onevenredige belasting van het strafproces op.
Daar komt bij dat de raadsman van de verdachte geen tijd heeft gehad om de vordering van de benadeelde partij voor te bereiden, deze niet met de verdachte heeft kunnen bespreken, civielrechtelijke ondersteuning heeft kunnen inschakelen en als gevolg daarvan geen onderbouwd standpunt heeft kunnen formuleren ten aanzien van de vordering vanwege het late indienen van de vordering tijdens de zitting. Het zou niet in overeenstemming zijn met de vereisten aan een eerlijk strafproces die gesteld worden in artikel 6, eerste lid EVRM, om de vordering dan toch te behandelen.
De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskostenveroordeling benadeelde partij
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding 2 met parketnummer 09/093133-26 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding 1 met parketnummer 09/132814-25 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.7 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen;
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 45 (VIJFENVEERTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op 3 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie van 42 (TWEEËNVEERTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op een jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken en luistert en zich voegt naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het meewerken aan een coach;
2. gedurende de proeftijd onderwijs volgt volgens het rooster of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west afdeling Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 60 (ZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (DERTIG) DAGEN;
de vordering van de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
het bevel tot voorlopige hechtenis;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.M. Koole, kinderrechter, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
en mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2026.