RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46007
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en
(gemachtigde: mr. A. van Midden).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 11 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. De tolk is niet verschenen. Eiser is vervolgens - op eigen verzoek – in het Engels gehoord over de inbewaringstelling en was deze taal naar het oordeel van de rechtbank ook machtig.
Beoordeling door de rechtbank
Poolse tolk
2. Eiser heeft er op de zitting op gewezen dat er bij de uitreiking van de beschikking van 20 maart 2025, waarin zijn rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht is beëindigd, geen beëdigde tolk Pools aanwezig was. Ook op de zitting van 18 augustus 2026 was er geen beëdigde Poolse tolk aanwezig.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij de strekking van het besluit van 20 maart 2025 niet heeft begrepen, omdat er bij het uitreiken van de beschikking geen gebruik is gemaakt van een Poolse tolk, en hij dus niet wist dat hij Nederland moest verlaten, volgt de rechtbank dit niet. Uit het uitreikingsblad behorende bij de beschikking van 20 maart 2025 volgt dat de beschikking in persoon aan eiser is uitgereikt en dat de strekking van het besluit met de hulp van een Engelse tolk in een voor eiser begrijpelijke taal is medegedeeld. Verder blijkt uit het uitreikingsblad dat er gebruik is gemaakt van een Engelse tolk op verzoek van eiser. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de bewaringsmaatregel volgt dat aan eiser is voorgehouden dat zijn rechtmatig verblijf bij besluit van 20 maart 2025 is beëindigd. Eiser heeft toen verklaard dat hij geen bezwaar tegen dit besluit heeft ingediend en dat hij wel vertrokken is, maar dat hij ook weer is teruggekomen. Ook is aan eiser voorgehouden dat hij pas mocht terugkomen als hij bestending verblijf buiten Nederland had opgebouwd, maar dat dit blijkbaar niet is gelukt. Eiser verklaart hierover dat dit klopt en dat hij is teruggekomen om hier werk te zoeken. Uit voorgaande verklaringen en de omstandigheid dat eiser bij de uitreiking van de beschikking zelf heeft verzocht om een Engelse tolk, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser de strekking van de beschikking van 20 maart 2025 niet heeft begrepen.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat eiser vanwege het ontbreken van een Poolse tolk tijdens de zitting in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft nadat er een beeldverbinding was ontstaan namelijk zelf verklaard ‘speak English,’ waarna hij uit zichzelf (in het Engels) heeft verklaard over de omstandigheden in detentie. Op de vraag of eiser wil terugkeren naar Polen heeft hij verklaard dat hij zelf bepaalt waar hij naartoe wil gaan, maar dat hij niet in Nederland wil blijven en dat hij als Pool wordt gediscrimineerd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit voldoende dat eiser de Engelse taal voldoende machtig is en dat hij de vragen van de rechtbank heeft begrepen. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat eiser voor de zitting met zijn gemachtigde heeft gesproken en dat de gemachtigde heeft aangegeven dat hij aan eiser zal uitleggen wat er op de zitting is besproken. Eiser heeft verder niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat hij vanwege het ontbreken van een Poolse tolk onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord.
De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat, en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist grond h en voert hiertoe aan dat hij enkel heeft gezegd dat hij liever niet terug wil naar Polen, maar dat dit niet betekent dat hij niet meewerkt aan terugkeer. Eiser is in het verleden ook vertrokken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de gronden a en b zich feitelijk voordoen. Eiser heeft op 20 augustus 2025 een verwijderingsbesluit ontvangen. Niet is gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland vervolgens daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Eiser heeft immers slechts twee maanden in een afkickkliniek in Polen gezeten en is daarna teruggekeerd naar Nederland, naar gesteld omdat hij in Polen geen werk kon vinden. Eiser heeft dus geen gehoor gegeven aan zijn verplichting om zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief te beëindigen (grond b). Dit betekent ook dat eiser Nederland is ingereisd zonder in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding en dat eiser gehouden was om melding te maken van zijn onrechtmatig verblijf. Eiser heeft dit niet gedaan (grond a). De gronden a en b zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht. Dit betekent dat er voldoende gronden zijn om de maatregel te rechtvaardigen. Er vloeit namelijk een onderduikrisico uit voort. De rechtbank laat de overige gronden en hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd daarom onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiser heeft namelijk wel gehoor gegeven aan zijn verwijderingsbesluit. Het lukte eiser echter niet om werk te vinden in Polen, waarna hij is teruggekeerd naar Nederland. Daarnaast bevinden de (overlast)meldingen waar verweerder naar verwijst zich niet in het dossier en heeft eiser geen strafblad. Tot slot meent eiser dat de omstandigheden in detentie, meer specifiek in [naam PI] , erg slecht zijn.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder naar aanleiding van de door eiser aangevoerde omstandigheden met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Alleen een verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat er, zoals onder 3.3. is overwogen, een risico bestaat dat eiser onderduikt. Verder heeft verweerder kunnen meewegen dat eiser meerdere keren onder dezelfde omstandigheden is aangetroffen als waaronder zijn verblijfsrecht voor Nederland is ingetrokken. Weliswaar bevinden documenten hiervan zich niet in het dossier, maar uit het gehoor voorafgaand aan de bewaringsmaatregel blijkt dat aan eiser is gevraagd wat hij hierover kan verklaren. Eiser heeft toen niet ontkend dat hij meerdere keren met de Nederlandse autoriteiten in aanraking is geweest en dat dit onder dezelfde omstandigheden was als waaronder zijn verblijfsrecht voor Nederland is ingetrokken. Ook op de zitting heeft (de gemachtigde van) eiser dit niet ontkent, maar enkel gesteld dat er steeds werd aangegeven dat alles in orde is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan de meldingen te twijfelen en verweerder heeft hierin terecht aanleiding gezien om geen lichter middel toe te passen. Daarnaast blijkt uit de maatregel dat eiser tijdens zijn ophouding door een arts is bezocht vanwege zijn (mogelijke) alcoholverslaving. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is bevonden of dat bewaring voor eiser onredelijk bezwarend is. Ook in de omstandigheid dat eiser is overgedragen aan het Justitieel Centrum voor Somatische zorg ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Verweerder wijst er in dit kader terecht op dat de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Weliswaar heeft eiser verklaard dat hij meent dat hij niet goed wordt behandeld, maar eiser heeft dit niet onderbouwd en ook anderszins is niet gebleken dat de aangeboden zorg voor eiser onvoldoende is. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.