RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62485
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Charm als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994, heeft de Sierra Leoonse nationaliteit en
behoort tot de Mende bevolkingsgroep. Eiser heeft op 13 februari 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag - samengevat - het volgende asielrelaas ten
grondslag gelegd.
Eisers vader was regioleider van [naam gemeenschap] in zijn dorp. Eisers jongere broer werd na de dood van zijn vader gedwongen hem op te volgen. Hij werd door leden van [naam gemeenschap] meegenomen naar een geheim bos en daar vastgehouden. Eiser heeft zijn broer in het bos opgezocht en bevrijd. Dit was tegen de geheime regels van [naam gemeenschap] . Eiser is toen met zijn broer uit Sierra Leone gevlucht omdat hij bang was te worden vermoord door [naam gemeenschap] . Eiser had al langer problemen met [naam gemeenschap] , omdat hij niet mee wilde doen aan verschillende rituelen, zoals het bij boerderijen langsgaan om mensen op te pakken om deze in te wijden. Omdat eiser daaraan niet mee wilde doen, is zijn boerderij door [naam gemeenschap] in brand gestoken.
Het bestreden besluit
2. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser twee asielmotieven:
De identiteit, nationaliteit en herkomst;
De problemen als gevolg van het breken met geheime afspraken van [naam gemeenschap]
.
Verweerder gelooft het eerste asielmotief, maar gelooft het tweede asielmotief niet. Volgens verweerder heeft eiser niet voldaan aan de voorwaarden dat zijn verklaringen aannemelijk en samenhangend zijn (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw) en dat hij zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw).
Eiser heeft vaag en ongerijmd verklaard over zijn problemen met [naam gemeenschap] . Ook heeft eiser ongerijmd verklaard over de bevrijding van zijn broer uit [locatie] en over de vernietiging van zijn boerderij. Verder komt de inhoud van het door eiser overgelegde krantenartikel van [datum 1] niet overeen met zijn eigen verklaringen.
Anders dan eiser heeft gesteld, is toepassing van de Werkinstructie 2024/6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling (WI 2024/6) niet in strijd met het Unierecht en wordt hiermee geen verhoogde bewijslast ingevoerd.
Verder heeft verweerder tegengeworpen dat eiser zich pas na anderhalf jaar na zijn inreis in Nederland heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag. Hiervoor heeft eiser geen toereikende verklaring gegeven.
Ten aanzien van het Griekse dossier stelt verweerder zich op het standpunt dat hij zijn zelfstandige beoordelingsruimte heeft gebruikt. Volgens verweerder is het Griekse dossier van eiser gelezen en in acht genomen. Verweerder heeft een aantal tegenstrijdigheden geconstateerd. Na onderzoek heeft verweerders eisers problemen als gevolg van het breken met geheime afspraken van [naam gemeenschap] ongeloofwaardig beoordeeld.
De kennelijk ongegrond-afdoening is gebaseerd op artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Eiser heeft immers niet onmiddellijk asiel aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser is namelijk in oktober 2021 Nederland ingereisd en heeft pas op 13 februari 2023 een asielaanvraag ingediend.
Dit besluit omvat ook een terugkeerbesluit.
Beoordeling door rechtbank aan de hand van de beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat de WI 2024/6 een verzwaarde bewijslast inhoudt en dat toepassing van deze Werkinstructie in strijd is met het Unierecht. Eiser verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van
8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 waarin is geoordeeld dat op grond van het Unierecht het voldoen aan de cumulatieve voorwaarden echter niet doorslaggevend is om tot de geloofwaardigheid van een asielmotief te kunnen komen en dat verweerder na toetsing van de vijf cumulatieve voorwaarden alle omstandigheden in samenhang moet beoordelen. Gelet hierop, ontbreekt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling op basis van de WI 2024/6 ten onrechte een integrale beoordeling van het asielrelaas en is de werkwijze van verweerder daarmee niet in overeenstemming met het Unierecht.
Uit WI 2024/6 volgt dat verweerder eerst de feiten en omstandigheden identificeert en het asielrelaas vaststelt (stap 1) en vervolgens de geloofwaardigheid van het asielmotief beoordeelt (stap 2). In dat kader wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve documenten die authentiek zijn (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken, wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). Daarbij wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, r.o. 4.3 tot en met 4.6, en de uitspraak van de meervoudige kamer van zittingsplaats Utrecht van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, r.o. 7 tot en met 7.3, heeft deze rechtbank en zittingsplaats inmiddels al meerdere keren overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraken van 12 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2710, r.o. 5.3 en van 16 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9778, r.o. 5.2, dat met ‘stap 2a’ van WI 2024/6 geen sprake is van een met het Unierecht strijdige verhoging van de bewijsmaatstaf, zolang maar in de beoordeling erna, bij ‘stap 2b’, alle verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden worden betrokken en in samenhang worden beoordeeld. Ook heeft deze rechtbank en zittingsplaats reeds eerder overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3109, r.o. 4.2, dat de toepassing van ‘stap 2b’ van WI 2024/6 niet in iedere zaak zonder meer in strijd is met het Unierecht, maar in een concrete zaak wel in strijd met het Unierecht kan komen als verweerder ‘stap 2b’ te strikt, als een ‘checklist’, toepast en niet alle omstandigheden, waaronder de afgelegde verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal, betrekt en in samenhang beoordeelt. Deze overwegingen worden in deze uitspraak onderschreven en overgenomen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de in deze zaak verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht.
De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser voert aan dat het Griekse dossier door verweerder onvoldoende kenbaar is meegewogen in de besluitvorming.
Eiser wijst erop dat de Griekse autoriteiten op basis van hetzelfde kernrelaas internationale
bescherming aan eiser hebben verleend. Uit het dossier blijkt bovendien dat de verklaringen die eiser in Griekenland heeft afgelegd volgens verweerder in grote lijnen overeenkomen met de verklaringen in Nederland. Eiser heeft in Griekenland drie asielgehoren gehad. Uit de motivering van de Griekse autoriteiten blijkt juist dat eiser gedetailleerd heeft verklaard (interne geloofwaardigheidsindicatoren) en dat zijn verklaringen overeenkomen met landeninformatie (externe geloofwaardigheidsindicatoren).
Verweerder heeft, mede gelet op de door de Griekse autoriteiten geloofwaardig bevonden verklaringen, ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiser bestrijdt dat hij vaag en ongerijmd heeft verklaard over de problemen met [naam gemeenschap] en wijst op het door hem ingebrachte internetartikel van The Watch Newspaper van [datum 1] . Verweerder heeft eisers asielrelaas onvoldoende beoordeeld in het licht van de overgelegde landeninformatie. Eiser verwijst in dit verband naar de landeninformatie van VluchtelingenWerk Nederland van [datum 2] waaruit onder meer blijkt dat het voor Mende-mannen in de praktijk moeilijk is zich aan het genootschap te onttrekken en dat personen die niet willen deelnemen een risico lopen alsnog onder dwang te worden geïnitieerd. Daarnaast verwijst eiser naar een aantal internetartikelen over onttrekking aan rituelen aan [naam gemeenschap] en de vervolging door de gemeenschap als gevolg van onttrekking aan initiatie.
Op grond van het arrest van 18 juni 2024, QY, ECLI:EU:C:2024:524, van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), het Informatiebericht 2024/37 en de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865, moet verweerder bij de beoordeling ten volle rekening houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om aan eiser de vluchtelingenstatus toe te kennen en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd. Verweerder heeft bij de Griekse autoriteiten informatie opgevraagd. De daarop door Griekenland toegestuurde aanvraag en verklaringen van eiser en het besluit in zijn Griekse asielzaak zijn door verweerder (met vertaling) aan het dossier toegevoegd.
Op pagina 2 van het voornemen staat dat uit het Griekse dossier is gebleken dat eiser in Griekenland hetzelfde asielrelaas naar voren heeft gebracht als in Nederland. Volgens verweerder wordt bij de besluitvorming ten volle rekening gehouden met de beslissing van Griekenland om eiser asielrechtelijke bescherming te verlenen door de afgenomen gehoren in Griekenland te betrekken bij de beoordeling. De verklaringen die eiser in Griekenland heeft afgelegd komen overeen met eisers verklaringen in Nederland. Het staat de lidstaten echter vrij om eigen asielbeleid te voeren en er kunnen dan ook verschillen bestaan in het landenbeleid van verschillende lidstaten, aldus verweerder.
De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op de arresten van 4 juni 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Ebilum (ECLI:EU:C:2026:448) en Quotal (ECLI:EU:C:2026:447) het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen niet terughoudend zal beoordelen. Het Hof heeft geoordeeld dat de asielrechter een volledige beoordeling mag verrichten van de relevante feiten. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk gemaakt en niet deugdelijk gemotiveerd waarom eisers verklaringen over de problemen met [naam gemeenschap] onsamenhangend en onaannemelijk - en in het verlengde daarvan niet geloofwaardig - zijn, ondanks dat eisers verklaringen in het kader van de onderhavige asielprocedure volgens het voornemen van verweerder overeenkomen met eisers verklaringen in de Griekse asielprocedure, die door de Griekse autoriteiten geloofwaardig zijn bevonden en tot verlening van een vluchtelingenstatus hebben geleid. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Verweerder heeft in het bestreden besluit alsnog aan eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen in Nederland op twee punten afwijken van zijn verklaringen in Griekenland. Deze tegenstrijdigheden heeft verweerder ten grondslag gelegd aan zijn standpunt over de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen over de gestelde problemen met [naam gemeenschap] .
In de eerste plaats blijkt volgens verweerder uit het Griekse dossier dat eiser heeft verklaard nooit te hebben deelgenomen aan bijeenkomsten in het bos, terwijl eiser in het nader gehoor in Nederland heeft verklaard dat hij wel heeft deelgenomen aan de rituelen in het bos voordat hij zijn broer heeft bevrijd. Ook zou eiser in Griekenland niet hebben verklaard dat hij bij de initiëring van zijn broer heeft meegedaan met rituelen.
De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de verslagen van de Griekse gehoren blijkt dat eiser weliswaar heeft verklaard dat hij nooit heeft meegedaan aan enige bijeenkomst in het bos, maar ook heeft verklaard dat hij wel (gedwongen) heeft meegedaan aan het ritueel waarbij hij zelf werd ingewijd en dat hij bij de bijeenkomst in het bos is geweest waarbij zijn broer zou worden ingewijd. Eiser heeft in de Griekse gehoren ook nader over die bijeenkomsten verteld. Eisers verklaring dat hij nooit heeft meegedaan aan enige bijeenkomst moet redelijkerwijze dan ook zo worden begrepen dat hij doelt op een bijeenkomst anders dan zijn eigen inwijdingsbijeenkomst en die van zijn broer. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard (pagina 20) dat hij eerst (overdag) heeft gecheckt of zijn broer in het bos was en dat hij later in de nacht is teruggekomen. Mensen van [naam gemeenschap] waren op dat moment aan het dansen en aan het trommelen. Eiser heeft daaraan meegedaan, althans – zo verklaart hij - gedaan of hij daaraan meedeed. In het donker heeft eiser zijn broer bevrijd. Eiser heeft in beroep toegelicht dat hij nooit heeft meegedaan aan de echte inwijdingsrituelen en dat het ritueel dat gaande was toen eiser zijn broer wilde bevrijden een soort voorfase was van het echte inwijdingsritueel. Aan de officiële inwijding waarbij een jonge maagd wordt geofferd (waarover eiser in de Griekse gehoren heeft verklaard en waarnaar verweerder niet heeft gevraagd), heeft eiser echter nooit deelgenomen (anders dan bij zijn eigen gedwongen inwijding, begrijpt de rechtbank). De rechtbank ziet hiervoor ook bevestiging in eisers verklaringen tijdens het nader gehoor. Dat eiser in de Griekse gehoren niet heeft verteld dat hij meegedaan heeft aan rituelen voor hij zijn broer heeft bevrijd, ziet de rechtbank niet als tegenstrijdig. Van een tegenstrijdigheid zou pas sprake zijn indien eiser in Griekse gehoren zou hebben verklaard dat hij toen niet heeft meegedaan aan rituelen. Gelet op dit alles beschouwt de rechtbank eisers verklaringen op dit punt niet als tegenstrijdig met zijn verklaringen in Griekenland. Verweerder werpt eiser gelet op wat hiervoor is overwogen ook ten onrechte tegen dat onlogisch is dat eiser bij de initiatie van zijn broer mee kon doen aan de rituelen en wist hoe hij deze moest uitvoeren, terwijl hij daarbij nooit aanwezig zou zijn geweest. De rechtbank wijst er in dit verband verder nog op dat eiser in de Griekse gehoren expliciet is bevraagd over zijn wetenschap van de bijeenkomsten en toen heeft gewezen op zijn eigen initiatie en heeft verklaard dat zijn vader hem ook vertelde over de bijeenkomsten.
In de tweede plaats vindt verweerder eisers verklaring tijdens het nader gehoor dat zijn broer aan een paal was vastgemaakt met bamboedraad en dat hij een sleutel heeft gebruikt om het door te snijden tegenstrijdig met zijn verklaringen in Griekenland dat hij zijn handen heeft gebruikt om het touw los te maken. Ook hierin ziet de rechtbank geen tegenstrijdigheid, nu in beide situaties het touw waarmee eisers broer was vastgebonden, is losgemaakt met eisers handen. Eiser heeft hierover tijdens het nader gehoor in Nederland hooguit meer op detailniveau verklaard.
Ook wat betreft het door eiser ingebrachte artikel ‘ [naam artikel] ’ van The Watch Newspaper van [datum 1] heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de geloofwaardigheidsbeoordeling door de Griekse autoriteiten. In dit artikel staat dat eiser wordt gezocht door [naam gemeenschap] omdat hij zijn broer, die werd vastgehouden in verband met een initiatie, heeft helpen ontsnappen, waarmee eiser en zijn broer de regels van [naam gemeenschap] hebben ondermijnd. Eiser heeft verklaard dit artikel te hebben verkregen via een vriend van de universiteit van zijn inmiddels overleden broer.
In het voornemen heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eisers verklaringen over de problemen met [naam gemeenschap] ongerijmd zijn, (onder meer) omdat de inhoud van het overgelegde artikel niet overeenkomt met eisers verklaringen. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat zijn broer de opvolger van hun vader moest worden en om die
reden was meegenomen naar [locatie] . In het artikel staat echter dat eiser
de opvolger zou worden van zijn vader op het moment dat hij zijn broer aan de
gemeenschap zou overdragen voor initiatie.
De rechtbank is van oordeel dat onduidelijk is op wiens informatie en welke informatie het artikel precies is gebaseerd en het eiser niet kan worden verweten dat de informatie over de opvolging van de vader zo in het artikel terecht is gekomen. Bovendien komt de inhoud van dit artikel verder wel overeen met de grote lijnen van eisers verklaringen en hebben de Griekse autoriteiten dit artikel in positieve zin betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Pas ter zitting heeft verweerder gesteld dat niet van de betrouwbaarheid van het artikel kan worden uitgegaan, gelet op informatie in het Algemeen Ambtsbericht van 2011 inzake Sierra Leone waarin staat dat staatscorruptie onder journalisten wijd is verspreid en op bij verweerder ambtshalve bekende informatie dat men tegen betaling artikelen kan laten plaatsen. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Verweerder heeft geen concrete aanwijzingen genoemd waaruit volgt dat dit specifieke nieuwsbericht ook onbetrouwbaar is.
Verweerder acht de door eiser gestelde problemen met [naam gemeenschap] niet aannemelijk, omdat er geen consequenties zijn verbonden aan het niet deelnemen van eiser aan de bijeenkomsten en initiaties. Volgens verweerder kon eiser steeds zonder noemenswaardige problemen weigeren om deel te nemen aan de activiteiten van de gemeenschap. Eisers vader, die een hoge positie binnen de gemeenschap had, heeft gedreigd met sancties, maar er is nooit daadwerkelijk iets gebeurd. Volgens verweerder kon eiser steeds relatief eenvoudig onder deelname aan de activiteiten van de gemeenschap uit komen, wat niet duidt op problemen met deze gemeenschap.
Eiser heeft tijdens het nader gehoor (pagina 14) verklaard dat er een jaarlijks terugkerend evenement was waarbij [naam gemeenschap] op zoek ging naar mensen die geen lid waren. Eiser heeft een paar keer geweigerd om mee te doen aan deze bijeenkomsten, omdat mensen tegen hun wil werden ingewijd (pagina 15 NG). Eiser is een keer door leden van [naam gemeenschap] naar buiten gehaald en op zijn weigering aangesproken (pagina 14, 15 NG). Verder was eisers vader boos omdat eiser had geweigerd mee te doen en heeft gedreigd hem mee te nemen naar het bos om hem te straffen, maar dit is nooit gebeurd. Indien leden van [naam gemeenschap] naar buiten gingen om mensen in te wijden, ging eiser vroeg weg naar een ander dorp om dingen te verkopen (pagina 15 NG) en aldus aan deelname te ontkomen.
De rechtbank is het met eiser eens dat verweerder bij zijn beoordeling van de door eiser gestelde problemenheeft miskend dat eiser zelf geen belangrijke rol had binnen de gemeenschap. Zijn vader had weliswaar een prominente rol binnen de gemeenschap, maar de rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het daarom ongerijmd en niet aannemelijk is dat [naam gemeenschap] en eisers vader hem niet straften voor zijn weigering. De rechtbank acht het goed mogelijk dat vader eiser, zijn eigen zoon, wilde ontzien en hem daarom (nog) geen sancties heeft opgelegd. Ook acht de rechtbank het voorstelbaar dat juist de omstandigheid dat eisers vader een belangrijk man is binnen [naam gemeenschap] ervoor heeft gezorgd dat aanvankelijk door de gemeenschap niet tegen eisers weigeringen werd opgetreden, mede omdat men zag dat de vader zelf geen consequenties aan de weigeringen van zijn zoon verbond. De rechtbank acht verder van belang dat [naam gemeenschap] uiteindelijk wel heeft opgetreden tegen het zich onttrekken door eiser aan de activiteiten door zijn boerderij in brand te steken. Los van de vraag welke rol eisers vader nu precies heeft gehad bij de vernieling van de boerderij, heeft eiser dus wel degelijk problemen ondervonden van de kant van [naam gemeenschap] . Eiser heeft verder tijdens het nader gehoor duidelijk verklaard dat de grootste problemen met [naam gemeenschap] zijn ontstaan nadat hij zijn broer had helpen ontsnappen en dat deze problemen de reden voor vertrek uit Sierra Leone zijn geweest. Uit het Griekse asielbesluit blijkt dat deze verklaringen van eiser geloofwaardig zijn bevonden. Verweerder heeft dit onvoldoende onderkend en betrokken en eisers verklaringen over zijn problemen met [naam gemeenschap] ten onrechte ongerijmd en niet aannemelijk geacht.
Verweerders standpunt dat eisers verklaringen over de bevrijding van zijn broer uit [locatie] ongerijmd zijn, kan evenmin standhouden nu dit is gebaseerd op een onjuiste aanname. Verweerder gelooft niet dat eiser zijn broer (probleemloos) heeft kunnen bevrijden zonder te zijn herkend door de mensen die bij de bijeenkomst in het bos aanwezig waren. Eiser heeft tijdens het nader gehoor echter niet verklaard dat hij bij het ritueel in het bos niet is herkend door de leden. Eiser heeft verklaard dat hij kon meedoen (althans doen alsof hij meedeed) met de leden die aan het dansen, drinken en trommelen waren omdat eiser zelf ook ingewijd lid was en in dat bos mocht komen. Eiser heeft verder verteld dat hij zijn broer heeft kunnen bevrijden omdat het donker was op de plek waar zijn broer aan de paal was vastgebonden. In de Griekse gehoren heeft eiser bovendien verklaard dat de plek waar zijn broer was vastgebonden niet dicht bij de plaats was waar de mensen aan het dansen en zingen waren. Ook dit heeft verweerder miskend.
Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder eisers verklaringen niet heeft beoordeeld in het licht van objectieve landeninformatie, overweegt de rechtbank als volgt.
Op pagina 6 van WI 2024/6 staat het volgende over het betrekken van landeninformatie bij de beoordeling of de asielzoeker aannemelijk en samenhangend heeft verklaard (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw):
“Behalve naar de mate waarin de verklaringen van de vreemdeling zelf gedetailleerd
en specifiek zijn en de interne consistentie van de verklaringen, kan ook worden
gekeken naar de consistentie met informatie van anderen en andere objectieve
bronnen. Van belang kan zijn of er sprake is van tegenstrijdigheden,
ongerijmdheden, inconsistenties tussen enerzijds hetgeen de vreemdeling heeft
aangedragen en anderzijds wat anderen (meereizigers, familieleden, vrienden etc.)
naar voren hebben gebracht en wat blijkt uit andere bronnen.
Veelal gelden de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken als
belangrijkste objectieve bron. Waar van toepassing kunnen daarnaast ook andere
bronnen worden betrokken. Indien er geen ambtsbericht beschikbaar is, vindt
beoordeling plaats op grond van informatie van andere objectieve bronnen.”
Eiser heeft in de beroepsfase onder meer landeninformatie van VluchtelingenWerk Nederland van [datum 2] ingebracht waarin onder meer informatie over [naam gemeenschap] uit het laatste ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken en van US Department of State is opgenomen. Uit deze informatie blijkt onder meer dat alle jongens die toetreden tot [naam gemeenschap] een initiatieritueel moeten ondergaan. Het ambtsbericht geeft hier een beschrijving van. Ingewijden mogen niet over hun initiatie praten, anders gaat het verhaal dat ze worden behekst en ze iets vreselijks overkomt.
Het is niet gemakkelijk je te onttrekken aan het lidmaatschap van een genootschap. Binnen de Mende-gemeenschap zijn gezag en leiderschap nauw verweven met het lidmaatschap van [naam gemeenschap] . Ook blijkt hieruit dat leiderschap en politieke functies sterk verbonden zijn aan het genootschap. Verder blijkt uit deze informatie dat een groot deel van de mannelijke bevolking, waaronder lokale chiefs, rechters en andere gezagsdragers, lid is van [naam gemeenschap] . Het heeft geen zin om bescherming te vragen tegen gedwongen initiatie omdat veel functionarissen zelf deel uitmaken van het genootschap.
Verder heeft eiser in de aanvullende gronden van 12 juni 2026 nog verwezen naar enkele online nieuwsberichten die onder meer ingaan op de consequenties van het zich onttrekken aan de initiatie.
Uit het voornemen noch het bestreden besluit blijkt dat verweerder objectieve landeninformatie kenbaar heeft meegewogen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend met daarin een reactie op de door eiser in beroep ingebrachte landeninformatie. Ook ter zitting is verweerder niet gemotiveerd op de landeninformatie ingegaan en is enkel gesteld dat het laatste ambtsbericht inzake Sierra Leone wel bij de beoordeling is betrokken, maar dat geen aanleiding is gezien dit te benoemen in het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet kunnen volstaan, te meer omdat de Griekse autoriteiten eisers asielrelaas wel hebben beoordeeld tegen de achtergrond van de beschikbare landeninformatie. Ook in zoverre heeft verweerder het Griekse dossier onvoldoende kenbaar meegewogen. Daar komt bij dat verweerder het wel geloofwaardig vindt dat eiser lid was van [naam gemeenschap] , zodat verweerder eisers verklaringen had moeten beoordelen in het licht van de landeninformatie over de gevolgen van het zich onttrekken aan initiatie en aan de gemeenschap, en het spreken over de rituelen van de gemeenschap.
De beroepsgronden slagen. Reeds gelet op het voorgaande heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de problemen met [naam gemeenschap] niet samenhangend en niet aannemelijk - en dus niet geloofwaardig - zijn.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
5. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank laat de overige beroepsgronden onbesproken. Verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hierbij dient verweerder eisers verklaringen, de overgelegde documenten en de ingebrachte landeninformatie, in onderlinge samenhang, te betrekken.
6. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de hiervoor geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase door verweerder zijn hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om het asielrelaas van eiser op geloofwaardigheid te beoordelen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat dit, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop die moeten worden hersteld, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. Zij stelt hiervoor een termijn van acht weken.
7. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.