ECLI:NL:RBDHA:2026:24147

ECLI:NL:RBDHA:2026:24147

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer NL26.44838
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, te late omzetting van de vorige maatregel, informatie, gronden van de maatregel, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44838

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),

en

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 17 augustus 2026 gesloten.

Overwegingen

Te late omzetting van de vorige maatregel

1. Eiser stelt zich op het standpunt dat de voorafgaande bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw van 19 juli 2026 te laat is omgezet, nu er meer dan twee dagen zijn verstreken sinds de afwijzing van eisers asielaanvraag en het opleggen van de onderhavige bewaringsmaatregel. Omdat deze eerdere maatregel van bewaring te laat is omgezet, werkt de onrechtmatigheid van die maatregel volgens eiser door in de huidige maatregel.

Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder de maatregel in geval van wijziging van de wettelijke grondslag binnen twee dagen moet omzetten naar een andere grondslag, maar ook dat de te late omzetting in beginsel geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de nieuwe maatregel. De rechtbank verwijst hier naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5943). Voor een opvolgende maatregel die op een andere wettelijke grondslag is gebaseerd, gelden andere vereisten die beoordeeld moeten worden op grond van de omstandigheden die aan die specifieke maatregel ten grondslag liggen. De onrechtmatigheid van een eerdere maatregel werkt alleen door als het gebrek een ernstige schending oplevert van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld wanneer de bewaring onrechtmatig is. Ook volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat pas nadat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel is vastgesteld in een beroep tegen die maatregel, de vraag aan de orde kan komen of de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkt in de tweede maatregel, in een beroep tegen die tweede maatregel (zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1206, onder 3.2 en 3.3 en uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945, onder 4.5.). Aangezien het beroep tegen de eerste maatregel van 19 juli 2026 door de rechtbank ongegrond is verklaard kan al om die reden geen sprake zijn van doorwerking in de huidige maatregel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Informatiebrief

2. Eiser voert aan dat verweerder zijn informatieplicht heeft geschonden. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2026 heeft verweerder vastgesteld dat in de Turkstalige informatiebrief grond i is aangekruist in plaats van grond j. Daarnaast is punt iii niet aangekruist, terwijl dit wel aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Uit het dossier blijkt niet dat aan eiser daarna alsnog een gecorrigeerde informatiebrief is uitgereikt.

Op grond van artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken van 15 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4180) en van 24 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2979) rust op verweerder de plicht om de vreemdeling bij het uitreiken van een afschrift van de maatregel van bewaring schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, te informeren over de redenen van de bewaring, de rechtsmiddelen die tegen de bewaring openstaan en over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand (de informatieplicht).

Partijen zijn het erover eens dat in de informatiebrief de grond i is aangekruist, terwijl dit grond j had moeten zijn, en dat punt iii niet aangekruist, terwijl dit wel had gemoeten. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser met deze informatiebrief onjuist is geïnformeerd over de redenen van zijn bewaring, zodat verweerder niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht.

Dit gebrek leidt echter niet onmiddellijk tot onrechtmatigheid van de bewaring. Dat is pas het geval als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank moet dus een belangenafweging maken. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de vrijheidsontneming gediend zijn. Bovendien volgt – zoals hierna in overweging 3 en volgende wordt toegelicht - uit de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring een onderduikrisico en heeft eiser geen andere zwaarwegende belangen aan zijn zijde gesteld. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is eiser erop gewezen dat dezelfde gronden als in de maatregel van 19 juli 2026 nog van toepassing zijn. Daarom is eiser door de gebreken niet in zijn belangen is geschaad, terwijl verweerder er wel belang bij heeft om eiser in bewaring te houden. De beroepsgrond slaagt niet.

Gronden van de maatregel

3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen. Ten aanzien van grond b voert eiser aan dat zijn eerdere vertrekplicht niet direct impliceert dat er op 6 augustus 2026 een concreet risico bestond dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser verblijft sinds 19 juli 2026 onafgebroken in bewaring. Ook ten aanzien van gronden j, p en q voert eiser aan dat zijn (afgewezen) asielaanvragen en het niet houden aan de verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb niet zonder meer betekenen dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder had moeten beoordelen wat de actuele situatie op 6 augustus 2026 betekende voor het gestelde onttrekkingsrisico. Verder zou onvoldoende onderzocht zijn of eiser een vaste verblijfplaats heeft en beschikt eiser over eigen middelen van bestaan waarmee hij zijn uitreis kan bekostigen. Daarom kunnen ook gronden r en s de maatregel niet dragen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht en met voldoende toelichting de gronden b en j eiser heeft kunnen werpen. De rechtbank wijst er in het kader van grond b op dat eiser geen gehoor heeft gegeven aan zijn vertrekplicht, zodat deze grond terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Eiser betwist niet dat zowel in het besluit van 16 oktober 2024 als in het besluit van 2 augustus 2026 eisers asielaanvragen zijn afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiermee is de feitelijke juistheid van grond j gegeven en is ook deze grond terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd.

De gronden onder b en j zijn feitelijk juist en vereisen gelet op artikel 5.6, derde lid, van het Vb geen nadere toelichting. Deze gronden kunnen het bestreden besluit al dragen. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden behoeft daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

4. Eiser betwist dat verweerder ten onrechte niet heeft volstaan met het opleggen van een lichter middel. Daartoe voert eiser aan dat verweerder onvoldoende onderzocht heeft of met een lichter middel kon worden volstaan en de motivering grotendeels berust op de beoordeling in de maatregel van 19 juli 2026. Ook heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand de huidige inbewaringstelling verklaard over ruim € 2.000 te beschikken, wat niet door verweerder is meegenomen in de beoordeling van een lichter middel.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Gelet op de onder overweging 3 genoemde dragende gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een onderduikrisico. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat het onderduikrisico aanzienlijk is afgenomen of voor het oordeel dat de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden en dat hij over voldoende geld beschikt om zijn uitreis te bekostigen, is daarvoor, mede vanwege het ontbreken van enige onderbouwing, onvoldoende. Bovendien heeft eiser in zijn gehoor voorafgaand aan de huidige inbewaringstelling nog aangegeven niet te willen terugkeren naar Turkije. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T. Boesman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand