ECLI:NL:RBDHA:2026:24148

ECLI:NL:RBDHA:2026:24148

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer NL26.46005
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, gronden van de maatregel, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46005

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),

en

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De tolk Ziad Taha heeft telefonisch getolkt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Gronden van de maatregel

1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Dit omdat er concrete aanwijzingen zijn dat de Asiel-en migratiebeheerverordening op eiser van toepassing is en het belang van de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat. Andere, minder dwingende alternatieve maatregelen kunnen volgens verweerder niet effectief worden toegepast.

In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen. Ten aanzien van grond a voert eiser aan dat hij een geldige Bulgaarse verblijfsvergunning heeft en hiermee Nederland is ingereisd. Tijdens het vertrekgesprek op 13 augustus 2026 heeft eiser verklaard dat hij - tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de bewaringsmaatregel - heeft gelogen over het verscheuren hiervan. Volgens eiser beschikt hij nog wel over deze (reis)documenten. In dit verband kunnen de gronden e en p hem ook niet worden tegengeworpen. Overigens heeft eisers familie al geprobeerd zijn documenten te overhandigen, maar eiser mocht deze in detentie niet aannemen; dit moet alsnog per post. Verder heeft verweerder volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom zijn verblijf in een COA-locatie onvoldoende waarborg biedt tegen het onderduikrisico en beschikt eiser over eigen middelen van bestaan waarmee hij zijn uitreis kan bekostigen. Daarom kunnen ook gronden r en s de maatregel niet dragen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder grond p terecht aan eiser heeft tegengeworpen. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard zijn Bulgaarse documenten (na inreis in Nederland) te hebben verscheurd en weggegooid. Eerst ten tijde van zijn vertrekgesprek op 13 augustus 2026, alsmede ter zitting, heeft eiser verklaard dat hij wel over geldige identificerende (reis)documenten beschikt, maar deze documenten zijn tot op heden niet overlegd. In dat kader heeft verweerder terecht grond p aan eiser tegengeworpen. De rechtbank is verder van oordeel dat ook de gronden r en s feitelijk juist zijn en dat in de maatregel ook voldoende is gemotiveerd waarom hieruit het onderduikrisico volgt. Eiser staat niet op een adres ingeschreven in de Basis Registratie Personen, terwijl dit volgens vaste jurisprudentie wel is vereist om te kunnen spreken van een vaste woon- en verblijfplaats. Dat eiser eerder in een opvanglocatie van het COA verbleef, maakt dit niet anders. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt namelijk dat verblijf in een asielzoekerscentrum niet volstaat als een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland (ECLI:NL:RVS:2017:1467, overweging 4.2). Daarnaast is eiser voor zijn levensonderhoud afhankelijk van het COA en heeft hij verklaard zelf over maximaal €200,- te beschikken. Ook grond s is daarmee feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De gronden p, r en s kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Eiser heeft geldige reisdocumenten en kan daarom op eigen gelegenheid terugkeren naar Bulgarije. Daarnaast voelt hij zich niet prettig in detentie. Daarom dient zijn belang bij invrijheidstelling zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet met een lichter middel kon worden volstaan, gelet op het onderduikrisico dat volgt uit de omstandigheden en de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. Dat eiser nu aangeeft zich aan een eventuele meldplicht te zullen houden en dat hij liever zelfstandig naar Bulgarije reist, is daarvoor, mede vanwege het ontbreken van enige onderbouwing, onvoldoende. De rechtbank betrekt hier ook bij dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de bewaringsmaatregel heeft verklaard dat hij in Nederland wil blijven en niet aan Bulgarije wil worden overgedragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand