ECLI:NL:RBDHA:2026:24162

ECLI:NL:RBDHA:2026:24162

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer NL26.46480
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Bewaring 591a Vw. Eerste beroep. Schriftelijke afdoening. De niet betwiste gronden zijn in beginsel voldoende om de maatregel te kunnen dragen. De minister heeft ook niet hoeven volstaan met de toepassing van een lichter middel. Niet gebleken van detentieongeschiktheid of dat de maatregel onevenredig bezwarend zou zijn. Er bestaat een redelijk vooruitzicht op verwijdering en de minister handelt voldoende voortvarend. Er is recentelijk een non-refoulement beoordeling gemaakt bij de behandeling van eisers asielaanvraag van 22 juli 2026 waarop 12 augustus 2026 op beslist is. Tot slot maakt alles tezamen ook niet dat de maatregel onrechtmatig is. Ambtshalve toets leidt niet tot een ander oordeel. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46480

(gemachtigde: mr. L. Soedamah),

en

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep op 17 augustus 2026 ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend op 20 augustus 2026. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 20 augustus 2026 om 17:00 uur gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?

5. Eiser voert gemotiveerd aan dat voor het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn, en betwist de gronden b, c en q. Eiser voert aan dat de minister gehouden is om een actuele beoordeling te maken van de feiten en omstandigheden en of die een maatregel van vreemdelingenbewaring rechtvaardigen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Weliswaar betwist eiser dat de gronden b, c en q aan hem kan worden tegengeworpen, maar de overblijvende gronden (a, p, r en s) zijn in beginsel voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een onderduikrisico bestaat. De rechtbank merkt hierbij op dat het feit dat er overlap zit tussen de gronden die aan de huidige maatregel ten grondslag zijn gelegd en gronden die aan eerdere maatregelen ten grondslag zijn gelegd niet maakt de motivering van de minister in dit geval niet volstaat. Het onderduikrisico is immers gegeven doordat de minister voldoende gronden aan de huidige maatregel ten grondslag heeft gelegd. Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel en dat de minister niet kan voorspellen dat eiser bij de toepassing van een lichter middel zou terugvallen in oud gedrag omdat eiser reeds sinds 1 mei 2026 in vreemdelingenbewaring verblijft en hij gedurende die periode zijn medewerking heeft verleend.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, onder meer vanwege de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft niet nader toegelicht of geconcretiseerd waaruit volgt dat de minister niet voldoende onderzoek zou hebben gedaan naar een lichter middel. De minister heeft bij de beoordeling van het lichter middel terecht de (eerder afgelegde) verklaringen en het gedrag van eiser en de gronden betrokken. Eiser verbleef al in bewaring, is gehoord voorafgaand aan de oplegging van de eerdere maatregelen en die verklaringen zijn in de vorige procedures beoordeeld. Er heeft thans een aanvullend gehoor plaatsgevonden ter voorbereiding van de omzetting van de maatregel van bewaring. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser de kans heeft gehad om zelfstandig te vertrekken, maar dit niet heeft gedaan. Eiser heeft zich ook niet gemeld bij de minister voor hulp bij terugkeer omdat hij niet in staat was op eigen gelegenheid terug te keren. In het enkele feit dat eiser nu verklaart medewerking te zullen en willen verlenen aan terugkeer heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor het toepassen van een lichter middel. Eiser verklaart ook dat hij eigenlijk alleen op vrije voeten wil komen en in vrede met zichzelf wil leven en dat hij nog niet weet naar welk land hij terug wil en/of kan keren. Tot slot heeft de minister in dit kader kunnen betrekken dat eiser onvoldoende middelen van bestaan heeft en geen paspoort of vaste woon- of verblijfplaats heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank zal hierna op eisers medische situatie ingaan.

Medische kwetsbaarheid en onevenredig bezwarende maatregel

7. Eiser wijst erop dat hij opnieuw uitdrukkelijk verklaard dat hij lijdt aan schizofrenie en daarvoor medicatie gebruikt. De minister heeft in de maatregel deze verklaringen niet af mogen doen met algemene overwegingen over beschikbaarheid van medische zorg en observatiecellen. Er is ten onrechte geen kenbaar individueel psychiatrisch of medisch onderzoek verricht naar eisers actuele situatie, hoe stabiel die is en wat voor eventuele gevolgen de inmiddels langdurige detentie voor eiser heeft.

De rechtbank verwijst ten aanzien van deze grond allereerst naar wat zij hiertoe heeft overwogen in haar uitspraken op de eerste beroepen in de vorige procedures. De rechtbank ziet in wat eiser thans aanvoert geen aanleiding om anders te oordelen. Voor zijn

schizofrenie wordt eiser behandeld. Naar eigen zeggen krijgt hij dagelijks medicatie. Niet gebleken is dat de maatregel van vreemdelingenbewaring voor eiser onevenredig bezwarend is. Voor zover eiser heeft willen stellen dat de zorg in detentie in zijn geval ontoereikend is of dat zijn gezondheidstoestand is verslechterd in detentie, is de rechtbank van oordeel dat eiser die stelling niet heeft onderbouwd. Indien eiser meent dat hij detentieongeschikt is, dan ligt het op zijn weg om die ongeschiktheid (door middel van medische documenten) aan te tonen. Daarvan is de rechtbank namelijk niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Is er een redelijk vooruitzicht op verwijdering en handelt de minister voldoende voortvarend?

8. Eiser voert aan dat de minister in zijn motivering bij het bestaan van zicht op uitzetting naar Mozambique te algemeen blijft. Na ruim drie maanden feitelijke vrijheidsontneming mag van de minister een steeds concretere onderbouwing worden verwacht. Het laissez-passer (lp) traject loopt al sinds mei 2026 en er is nog altijd geen lp afgegeven.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser betoogt bestaat er wel een redelijk vooruitzicht op verwijdering en werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting. De rechtbank merkt hierbij om te beginnen op dat de minister gedurende eisers vorige inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden was om voortvarend handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting omdat eiser een asielaanvraag had ingediend. Inmiddels heeft de minister laten weten nog in afwachting te zijn van het resultaat van de presentatie van eiser bij de vertegenwoordiging van Mozambique. De autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat geen lp ten behoeve van eiser zal worden afgegeven. Volgens eiser blijkt uit het DT&V dossier dat eiser op 10 juli 2026 zou zijn aangemeld bij het IOM teneinde zijn vertrek te bewerkstelligen. De minister stelt terecht dat niet duidelijk is uit welke stukken dit zou blijken en dat geen sprake is van een aanmelding bij het IOM. In plaats daarvan heeft eiser in de tussentijd een asielaanvraag ingediend. De minister heeft recentelijk, op 18 augustus 2026, nog een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Daarnaast heeft de minister toegelicht dat de ten onrechte ingediende vluchtaanvraag geen vertraging in het proces heeft veroorzaakt. De minister heeft daarom ten tijde van het opleggen van de maatregel terecht aangenomen dat zicht op uitzetting voor de vreemdeling niet ontbrak en heeft voldoende voortvarend aan de uitzetting gewerkt. In het enkele tijdsverloop sinds mei 2026 ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

Ten aanzien van de toets aan het beginsel van non-refoulement

9. Eiser stelt dat uit de maatregel niet blijkt dat een actuele beoordeling van een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement is gemaakt door de minister, terwijl dat wel noodzakelijk is.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft op 22 juli 2026 vanuit bewaring asiel aangevraagd. Deze asielaanvraag is bij besluit van 12 augustus 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Hierbij is beoordeeld of sprake is van een schending van het verbod op refoulement. Dat deze beoordeling is gemaakt volgt ook uit de motivering van de maatregel, waarin is opgenomen dat zowel uit het gehoor als uit de Basisvoorzieningen Vreemdelingen niet is gebleken dat terugkeer in strijd zou zijn met het non-refoulementbeginsel.

Belangenafweging en proportionaliteit

10. Tot slot voert eiser aan dat alle bovenstaande beroepsgronden in samenhang moet worden bezien en beoordeeld, en dat de minister dat ten onrechte heeft nagelaten. Onder deze omstandigheden voldoet de maatregel volgens eiser niet aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en een zorgvuldige individuele motivering.

De rechtbank verwijst naar alles wat zij hiervoor reeds heeft overwogen en komt tot de conclusie dat eiser ook niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat al zijn persoonlijke omstandigheden tezamen maken dat de maatregel van vreemdelingenbewaring disproportioneel is of dat de minister de maatregel onvoldoende gemotiveerd heeft. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.P. van Eerde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand