RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46473
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Procesverloop
1. Bij besluit van 13 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 20 augustus 2026 om 17.01 uur gesloten.
Overwegingen
2. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Is de voorlopige medische controle tijdens de screening uitgevoerd door gekwalificeerd personeel?
Wat is het betoog van eiser?
4. Tijdens de screening van eiser als bedoeld in de Screeningsverordening had er een voorlopige medische controle moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel. Een medische intake die plaatsvindt op het JCS nadat de screening is afgerond kan een voorlopige medische controle niet vervangen en bovendien te laat, omdat op dat moment de bewaringsmaatregel al was opgelegd. Volgens eiser handelt de minister hiermee in strijd met het Unierecht. Om die reden is de maatregel onrechtmatig, aldus eiser.
Wat is het standpunt van de minister?
5. Uit het screeningsformulier en het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de
screening is afgerond na de voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling. Die beoordeling is uitgevoerd door medisch gekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 12, derde lid van de Screeningsverordening. Uit artikel 16, eerste lid, van de Schengengrenscode, volgt immers dat ambtenaren van de Kmar zijn opgeleid op het gebied van het herkennen van en het omgaan met situaties waarin kwetsbare personen betrokken zijn. De minister verwijst naar diverse uitspraken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat er geen voorlopige medische controle als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Screeningsverordening is uitgevoerd. De maatregel van bewaring is daarom onrechtmatig en moet worden opgeheven.
De minister heeft in zijn verweerschrift enkel aangevoerd dat er een kwetsbaarheidsbeoordeling is uitgevoerd door de Kmar, die daartoe bevoegd zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet gelijk te stellen met een voorlopige medische controle. Omdat verder niet is aangegeven dat een voorlopige medische controle heeft plaatsgevonden, houdt de rechtbank het ervoor dat er in het geheel geen voorlopige medische controle is uitgevoerd. Dit is een zodanig gebrek in de procedure dat de inbewaringstelling daardoor onrechtmatig is en opgeheven moet worden. Wat meer of anders is aangevoerd behoeft geen nadere bespreking.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze
maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank
beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van
de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten
laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een
schadevergoeding toe te kennen voor 13 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de)
vreemdelingenbewaring ten bedrage van 13 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.560,-.
De rechtbank ziet verder aanleiding tot het toekennen van proceskosten. Nu er sprake is van een kennisgeving wordt er geen punt ingesteld voor het indienen van beroep. De kennisgeving van de bewaring wordt weliswaar gelijkgesteld met een beroep, maar het toekennen van een proceskostenveroordeling ziet op een vergoeding van verrichte proceshandelingen en de wetgever heeft bepaald dat er geen proceshandeling hoeft te worden verricht om een rechtmatigheidsbeoordeling van een bewaringsmaatregel te verkrijgen omdat de minister de rechtbank in kennis moet stellen van de oplegging van de maatregel. Wel wordt er een punt met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 1 toegekend voor het verschijnen op zitting.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.560,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze
schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van
vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van A. Kanis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.