RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30229
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),
en
(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 en de weigering om eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV te verlenen (het bestreden besluit). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2008. De minister heeft met het besluit van 25 april 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij uitspraak van 23 oktober 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
De minister heeft met het bestreden besluit van 11 juni 2025 de asielaanvraag van eiser opnieuw afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. G. van der Woude-Bouius namens de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk was H.A. Hersi aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2008 en heeft de Somalische nationaliteit. Hij behoort tot de [plaats 1], maar identificeert zich met de Majerteen, de stam van zijn moeder. Hij is afkomstig uit [plaats 2] in de regio [regio]. De regio [regio] ligt in Jubbaland. Op 29 januari 2023, toen hij veertien jaar en vier maanden oud was, heeft eiser als alleenstaande minderjarige in Nederland een asielaanvraag voor bepaalde tijd ingediend.
De uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 oktober 2024
4. In de uitspraak van 23 oktober 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de problemen die eiser stelt te hebben gehad van de zijde van Al Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft onderzocht en gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft de minister ook opgedragen om in het nieuwe besluit een beoordeling te maken of voor eiser in Somalië sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De minister moet daarbij motiveren of de door eiser naar voren gebrachte individuele omstandigheden elementen zijn die bijdragen aan een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Het risico op ernstige schade
Het standpunt van de minister
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat in de regio [regio], waar [plaats 2] in ligt, geen sprake is van enig niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië een risico op ernstige schade loopt. [plaats 2] ligt in mixed/unclear gebied en van mixed/unclear gebieden is bekend dat die niet onder controle van Al Shabaab staan. Dat daar sporadisch geweldsdelicten door Al Shabaab plaatsvinden valt daarmee helaas niet uit te sluiten. Uit het AA 2025 blijkt wel dat het aantal geweldsdelicten in die regio sterk is afgenomen. Eiser hoeft ook niet te reizen door een gebied dat door Al Shabaab wordt gecontroleerd. Eiser kan opnieuw gebruik maken van de vliegverbinding tussen Mogadishu en Bardere of hij kan van Mogadishu naar Baidoa vliegen en daarvandaan verder over land naar [plaats 2] reizen.
In het verweerschrift van 5 januari 2026 heeft de minister aangevuld dat de regio [regio] deel uit maakt van Jubbaland en dat Jubbaland ten tijde van het bestreden besluit gold als regio waar sprake was van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Het bestreden besluit bevat dus een motiveringsgebrek. De minister heeft de rechtbank verzocht om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, omdat op dit moment geen sprake meer is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio [regio]. Een nieuw besluit zou dan ook niet tot een andere uitkomst leiden.
Daarnaast heeft de minister beoordeeld of de individuele omstandigheden van eiser hadden geleid tot subsidiaire bescherming. Dit is volgens de minister niet het geval. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom zijn leeftijd en clanafkomst risicoverhogend zijn. Er is niet gebleken van een onhoudbare situatie door discriminatie voor eiser. In het aanvullende verweerschrift van 23 maart 2026 heeft de minister aangevuld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer zal worden van rekrutering door Al Shabaab. Daarnaast heeft eiser factoren als leeftijd, economische situatie, aanwezigheid van familieleden of een ondersteunend netwerk onvoldoende onderbouwd om aan te nemen dat eiser een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Het risico om bij terugkeer als spion te worden gezien geldt volgens de minister alleen voor gebieden die onder controle van Al Shabaab staan.
De gronden van beroep
Eiser heeft aangevoerd dat in de regio [regio] dat onderdeel is van Jubbaland sprake was van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister had dan ook aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden moeten onderzoeken of die bijdragen aan een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Uit het Algemeen ambtsbericht Somalië april 2025 blijkt dat hij gelet op zijn jonge leeftijd hij een risico loopt op gedwongen rekrutering vanuit verschillende partijen. Het EUAA- rapport van 2 oktober 2025 bevestigt dat. Uit dat rapport blijkt ook dat de economische situatie en het feit dat eiser geen familieleden of netwerk heeft om op terug te vallen risico-verhogend zijn. Daarnaast loopt eiser een verhoogd risico als terugkeerder uit het Westen.
Verder is eiser van mening dat uit het kaartmateriaal niet met zekerheid is vast te stellen of [plaats 2] in mixed/unclear gebied ligt of in gebied dat onder controle van Al Shabaab staat. [plaats 2] ligt links ten noorden van [plaats 3] en uit de kaart bij het Algemeen ambtsbericht april 2025 en de kaart bij het van EUAA-rapport van 26 mei 2025 lijkt het te liggen in gebied dat in handen van Al Shabaab is.
Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat voor de regio [regio] niet meer wordt uitgegaan van enig niveau willekeurig geweld. Verweerder heeft niet gemotiveerd welke wijzigingen of verbeteringen in de veiligheidssituatie in [regio] aanleiding zijn geweest om het beleid te wijzigen. Bovendien blijkt uit de meest recente informatie dat de veiligheidssituatie allerminst is verbeterd. Eiser verwijst hierbij naar de landeninformatie waarnaar hij heeft verwezen in de zienswijze, de gronden van 6 augustus 2025, het EUAA rapport van 26 mei 2025 (2.1.1), het jaarrapport van Human Rights Watch van 2026, het EUAA rapport van 2 oktober 2025 (paragraaf 4.3).
Het oordeel van de rechtbank
Heeft Al Shabaab de controle in [plaats 2]?
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat [plaats 2] in gebied ligt waar Al Shabaab aan de macht is of het gebied controleert. De minister heeft er terecht op gewezen dat [plaats 2] aan de weg van [plaats 3] naar [plaats 4] ligt. Uit alle door partijen ingebrachte kaartinformatie blijkt dat die weg in mixed/unclear gebied ligt. Eiser hoeft dus niet terug te keren naar een gebied waarvoor geldt dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
De situatie in de regio [regio]
Ten tijde van het bestreden besluit
Tussen partijen is niet in geschil dat de minister in het bestreden besluit heeft nagelaten te betrekken dat op dat moment in de provincie Jubbaland, waar [plaats 2] ligt, sprake was van een lager niveau van willekeurig geweld en dat daarom de individuele omstandigheden van eiser hadden moeten worden betrokken bij de beoordeling of eiser een verhoogd risico op willekeurig geweld loopt bij terugkeer naar [plaats 2]. Dit betekent dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en het beroep gegrond is. Hierna zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Het nieuwe landenbeleid
Naar aanleiding van het Algemeen ambtsbericht Somalië april 2025 heeft de minister nieuw landenbeleid geformuleerd. In het landenbeleid voor Somalië heeft de minister bepaald dat voor de regio [regio] geen willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn wordt aangenomen.
De rechtbank stelt vast dat uit Algemeen ambtsbericht Somalië april 2025 blijkt dat de veiligheidssituatie in [regio] is verbeterd in de eerste maanden van 2025. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het EUAA-rapport van 2 oktober 2025 waarnaar eiser in beroep heeft verwezen. Hoewel in dat rapport wel een relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen voor de regio [regio], blijkt uit het rapport ook dat de veiligheidssituatie in [regio] verbeterd is. In het World Report 2026: Somalia van Human Rights Watch wordt melding gemaakt van burgerslachtoffers en ontheemden als gevolg van herhaaldelijke clanconflicten in met name het [plaats 4] district en de [plaats 5] regio. Het [plaats 4] district ligt echter niet in de buurt van [plaats 2].
De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in de regio [regio], waar [plaats 2] in is gelegen, geen sprake meer is van een situatie van enig niveau van willekeurig geweld.
Individuele omstandigheden
Omdat in de regio [regio] geen sprake meer is van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser.
Ten aanzien van de verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Het standpunt van de minister
In het bestreden besluit heeft de minister uitgelegd dat DT&V na de afwijzende beschikking van 25 april 2024 is begonnen met het onderzoek naar adequate opvang voor eiser. Dat onderzoek is gestopt na de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 november 2024 maar was op dat moment nog niet afgerond. DT&V zal daarom opnieuw onderzoeken of eiser adequate opvang in Somalië heeft.
In het verweerschrift van 23 maart 2026 heeft de minister ter nadere motivering verwezen naar voornemen van 18 april 2024 waarin is uitgelegd hoelang het onderzoek ongeveer zal duren en wat de stand van zaken is, conform IB 2025/13. Volgens de minister is de termijn van drie jaren die is genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 ten tijde van het bestreden besluit van 11 juni 2025 niet overschreden. De minister wijst er daarbij op dat deze toetsing ex tunc moet plaatsvinden, omdat de beoordeling van een buitenschuldvergunning binnen het reguliere kader plaatsvindt. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat als de termijn van drie jaren wel overschreden zou zijn, dan vertragende factoren hebben meegespeeld: het eerste onderzoek heeft de minister stopgezet vanwege de gegrondverklaring van het beroep door rechtbank Groningen en eiser heeft bij het eerste onderzoek volgens DT&V onvoldoende meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Tot slot heeft de minister opgemerkt dat uit IB 2025/13 blijkt dat DT&V één jaar de tijd heeft om nader onderzoek te doen vanaf de datum van het asielbesluit. Aangezien het bestreden besluit van 11 juni 2025 is, is die termijn nog niet overschreden.
Het standpunt van eiser
De minister heeft nagelaten toe te lichten waaruit het onderzoek naar adequate opvang zal bestaan en niet is duidelijk welke acties door de minister zijn verricht. Ook heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt welke onderzoekshandelingen DT&V nog wil verrichten en hoe lang hij verwacht dat ze daarmee bezig zijn.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de periode waarin de minister onderzoek had kunnen doen naar adequate opvang inmiddels dermate lang is geweest dan aan eiser een buitenschuld vergunning dient te worden verleend. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 waarin zij heeft geoordeeld dat een termijn van drie jaar na indiening van de asielaanvraag hoe dan ook te lang is. Inmiddels zijn drie jaar verstreken sinds de asielaanvraag van eiser.
Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat eiser niet voldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar adequate opvang, kan eiser zich hierin niet vinden. Hij heeft wel medewerking verleend aan het onderzoek van DT&V. Ook is hij in gesprek geweest met het Rode Kruis. De medewerker van DT&V waarmee eiser het laatst sprak was zeer tevreden over zijn medewerking.
Vaste rechtspraak
In een drietal uitspraken van 8 juni 2022 heeft de Afdeling uiteengezet wat de gevolgen zijn van het arrest van het HvJEU van 14 januari 2021 in de zaak T.Q. tegen Nederland. In deze uitspraken is geoordeeld dat de minister zo spoedig mogelijk na het indienen van een asielverzoek door een alleenstaande minderjarige moet onderzoeken of er in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. De minister moet ernaar streven om dit onderzoek tijdens de beoordeling van de asielaanvraag af te ronden, maar mag een besluit op de asielaanvraag loskoppelen van een terugkeerbesluit als dit onderzoek op dat moment nog niet is afgerond. Daarbij volgt wel uit de rechtspraak van het HvJEU dat de lidstaten voortvarend moeten handelen aangezien een alleenstaande minderjarige niet onnodig lang in onzekerheid mag verkeren over zijn verblijfsstatus. Dat is namelijk niet alleen in strijd met het belang van het kind, maar belemmert ook de verwezenlijking van de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn waardoor aan die richtlijn haar nuttige werking kan worden ontnomen.
Om te waarborgen dat de minister voortvarend blijft handelen, moet hij in het asielbesluit toelichten waarom hij gebruikmaakt van de mogelijkheid om het asielbesluit los van het terugkeerbesluit te nemen. Hij zal een beoordeling moeten maken van de stand van het onderzoek naar adequate opvang op dat moment en een inschatting moeten geven hoelang dat onderzoek nog zal duren. Over de band van het asielbesluit kan de vreemdeling dit, waaronder ook de duur van de vermelde termijn, die per situatie kan verschillen, ter toetsing aan de rechter voorleggen. De eerder door de minister gehanteerde termijn van drie jaar na indiening van de verblijfsaanvraag acht de Afdeling hoe dan ook te lang. De minister is namelijk gehouden om voortvarend te handelen. De vreemdeling is daarnaast gehouden zijn medewerking aan het onderzoek te verlenen. Dit onderzoek zal erin moeten resulteren dat ofwel een terugkeerbesluit wordt genomen ofwel een vergunning volgens het buitenschuldbeleid wordt verleend.
Het oordeel van de rechtbank
Allereerst is de rechtbank van oordeel dat zij dit onderdeel van het bestreden besluit ex nunc moet toetsen. Dit volgt uit het feit dat de vreemdeling de beoordeling van de stand van het onderzoek naar adequate opvang en de duur ervan over de band van het asielbesluit aan de rechter ter toetsing kan voorleggen en gelet op de hiervoor genoemde doelstelling van de Terugkeerrichtlijn en het belang van het kind als bedoeld in het arrest T.Q.
De rechtbank stelt vast dat de minister eiser in het voornemen van 18 april 2024 heeft meegedeeld dat het onderzoek naar adequate opvang nog niet is afgerond. DT&V zal onder meer nog nader onderzoek doen naar de exacte woonplaats van eisers moeder. Verder is eiser meegedeeld dat van hem wordt verwacht dat hij via het Rode Kruis een tracingsverzoek naar zijn familie opstart. In het aanvullend besluit van 25 juli 2024 heeft de minister aangevuld dat DT&V nog steeds nader onderzoek gaat doen naar adequate opvang omdat eiser heeft aangegeven dat hij op dat moment geen contact heeft met zijn moeder.
De laatste stand van zaken is gemeld in het voornemen van 29 april 2025. Daar heeft de minister opgemerkt dat DT&V na het besluit van 25 april 2024 is begonnen met het onderzoek naar adequate opvang en dat dat onderzoek is gestopt na de gegrondverklaring van het beroep door de rechtbank Groningen op 28 november 2024. Het onderzoek was toen nog niet afgerond. DT&V zal daarom opnieuw onderzoeken of er adequate opvang voor eiser is.
Uit het voorgaande blijkt dat de minister sinds 28 november 2024 niet meer (kenbaar) heeft onderzocht of voor eiser adequate opvang in Somalië is. Evenmin heeft de minister in het bestreden besluit of het voornemen van 29 april 2025 een inschatting gegeven van hoelang het nieuwe onderzoek naar adequate opvang nog zal duren. De minister heeft tot dusverre dus niet inzichtelijk gemaakt of en welke stappen zijn ondernomen of nog moet worden ondernomen in het onderzoek naar adequate opvang.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er geen vertragende factoren in het onderzoek naar adequate opvang spelen die niet aan de minister kunnen worden toegerekend. Dat de minister het eerste onderzoek heeft gestopt omdat het eerste beroep tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag gegrond is verklaard, is immers in elk geval geen vertragende factor die ten nadele van eiser als alleenstaande minderjarige vreemdeling mag komen. Dat eiser bij het eerste onderzoek naar adequate opvang volgens DT&V onvoldoende zou hebben meegewerkt is naar het oordeel van de rechtbank evenmin voldoende, omdat de minister daarna immers zelf heeft aangegeven aanleiding te zien opnieuw onderzoek te doen en - zo dat onderzoek heeft plaatsgevonden - niet is gebleken dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan dit nieuwe onderzoek.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de termijn van één jaar vanaf het asielbesluit om nader onderzoek te doen naar adequate opvang die wordt genoemd in het IB 2025/13 in ieder geval niet opnieuw begint te lopen in het geval een eerder asielbesluit door een rechtbank is vernietigd. Vertraging omdat het beroep gegrond is verklaard is immers
- zoals hiervoor al overwogen - niet aan de vreemdeling te wijten en bovendien niet te verenigen met de rechtspraak van het HvJ EU dat voortvarend moet worden gehandeld omdat een alleenstaande minderjarige vreemdeling niet onnodig lang in onzekerheid mag verkeren over zijn verblijfsstatus.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich in dit geval niet heeft gehouden aan zijn verplichting om voortvarend te handelen. Het beroep is ook hierom gegrond.
Zelf in de zaak voorzien
9. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb om zelf in de zaak te voorzien, de rechter de overtuiging zal moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn en de toets aan het recht kan doorstaan. De rechtbank is van oordeel dat aan dit criterium is voldaan. De rechtbank overweegt hierbij dat de Afdeling een termijn van drie jaar van onderzoek naar adequate opvang na indiening van de verblijfsaanvraag hoe dan ook te lang acht en dat sinds de asielaanvraag van eiser op 29 januari 2023 inmiddels meer dan drie jaren zijn verstreken, terwijl gebleken is dat de vertragende factoren aan de minister zijn toe te rekenen. Daarbij is eiser nog steeds minderjarig.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank ziet gelet op wat hiervoor onder 7.2 en 8.5 tot en met 8.10 is overwogen geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank zal bepalen dat aan eiser een verblijfsrecht op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen toekomt met ingang van de datum waarop eiser asiel heeft aangevraagd. Dit is 29 januari 2023.
11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 juni 2025;
- draagt de minister op eiser binnen 2 weken na de dag van verzending van deze uitspraak in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen met ingang van 29 januari 2023;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.H. van Veen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.