RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/709866 / KG ZA 26-847
Vonnis in kort geding van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] te [woonplaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri,
tegen
[gedaagde] te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. D. Rezaie.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 juli 2026, met producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter het verplaatsingsverzoek van de man afgewezen. De man was niet zelf bij de zitting aanwezig.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn op [datum] 2015 met elkaar gehuwd in Iran. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 31 juli 2024 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. In die beschikking is het gezag over de minderjarige dochter van partijen toegekend aan de vrouw.
De vrouw heeft bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen de man. In deze bodemprocedure (met zaak- en rolnummer C/09/697242 / HA ZA 26/4) hebben partijen onder meer met betrekking tot de beëindiging van hun religieuze huwelijk en het gezag en de omgang een vaststellingsovereenkomst gesloten, die is vastgelegd in een proces-verbaal van 22 juni 2026 (hierna ook wel: het proces-verbaal). In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer het volgende:
“1. De man zal zijn medewerking verlenen aan een Khul-echtscheiding. Daartoe zal de vrouw binnen twee weken na heden een afspraak maken bij een door de Iraanse ambassade goedgekeurde geestelijke voor het verkrijgen van een verklaring voor sharia-scheiding. De vrouw zal de datum en het tijdstip van de gemaakte afspraak aan de man doorgeven en de man zal op deze datum en dit tijdstip verschijnen. De vrouw zal bij de geestelijke berichten dat zij afstand doet van de bruidsgave.
2. Na het verkrijgen van de verklaring voor sharia-scheiding zal de vrouw binnen de door de geestelijke bepaalde termijn een afspraak maken bij de Iraanse ambassade voor het realiseren van de Khul-echtscheiding. De vrouw zal de datum en het tijdstip van de gemaakte afspraak aan de man doorgeven en de man zal op deze datum en dit tijdstip verschijnen.
3. De man zal naar de afspraak bij de geestelijke en naar de afspraak bij de ambassade die documenten meenemen die hij van de geestelijke dan wel de Iraanse ambassade moet meenemen.
(...)
5. Partijen zien over en weer af van het vorderen in Nederland of elders van
partneralimentatie. De vrouw ziet af van het vorderen van het bedrag van de bruidsgave in Nederland of elders. De man ziet af van het vorderen van nakoming van eventuele (Islamitische) huwelijkse verplichtingen in Iran.
6. De vrouw zal de behandelend rechter in de procedure bij de rechtbank Amsterdam informeren dat ze akkoord gaat met het gezamenlijk gezag over de dochter van partijen.
(...)”
Ter uitvoering van het in de vaststellingsovereenkomst bepaalde onder 1 hebben partijen een afspraak gemaakt bij een door de Iraanse ambassade goedgekeurde geestelijke voor het verkrijgen van een verklaring voor sharia-echtscheiding. Vervolgens hebben zij de geestelijke ook bezocht. De vrouw heeft bij de geestelijke verklaard dat zij afstand doet van de bruidsgave.
Ter verdere uitvoering van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen vervolgens een afspraak gemaakt bij de Iraanse ambassade voor het realiseren van de Khul-echtscheiding.
De Khul-echtscheiding is op dit moment nog niet gerealiseerd.
In een e-mail van 15 juli 2026 heeft de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man meegedeeld dat de man zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden, omdat de man allerlei aanvullende voorwaarden zou hebben gesteld voor het realiseren van de Khul-echtscheiding. Deze e-mail bevat een sommatie aan de man om alsnog binnen vijf dagen nadien zijn medewerking te verlenen. Voor het geval de man dit niet doet, heeft de advocaat van de vrouw een kort geding aangekondigd en verhinderdagen opgevraagd.
3. Het geschil
De vrouw vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
1. de man te veroordelen tot nakoming van de op hem rustende verplichtingen, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 22 juni 2026, zulks op straffe van een dwangsom;
2. te bepalen dat, indien de man het maximale bedrag aan dwangsommen heeft verbeurd en desondanks in gebreke blijft de verplichtingen uit het proces-verbaal na te komen, de tenuitvoerlegging van dat proces-verbaal zal kunnen plaatsvinden door middel van lijfsdwang als bedoeld in artikel 585 Rv, voor de duur van ten hoogste één jaar, dan wel voor een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn;
3. met veroordeling van de man in de proceskosten.
De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.
De man weigert zonder gegronde redenen om de in het proces-verbaal overeengekomen medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de Iraanse religieuze echtscheiding. De vrouw heeft er daarom recht op en belang bij dat aan die medewerking een dwangsom wordt verbonden en zo nodig lijfsdwang. Aangezien de vrouw verder wil met haar leven, heeft zij bij haar vordering een spoedeisend belang.
De man voert verweer. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Omdat de vrouw voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de man aanvullende voorwaarden heeft gesteld voor het realiseren van de overeengekomen Khul-echtscheiding, heeft zij bij haar vordering een spoedeisend belang.
Uitgangspunt is dat de vaststellingsovereenkomst door beide partijen moet worden nagekomen. De vrouw heeft gesteld dat de man in strijd met de gemaakte afspraken aanvullende voorwaarden heeft gesteld, onder meer met betrekking tot het gezag over de minderjarig dochter van partijen en met betrekking tot financiële zaken. De vrouw heeft daarbij verwezen naar productie 5, bestaande uit vier pagina’s in het Farsi en de door een beëdigd vertaler gemaakte Nederlandse vertaling daarvan, bestaande uit drie pagina’s. Volgens de vrouw heeft de man aan haar meegedeeld dat hij alleen medewerking aan registratie van de Khul-echtscheiding verleent indien zij die documenten ondertekent. Ter zitting is duidelijk geworden dat deze productie bestaat uit twee afzonderlijke verklaringen: Versie 1, waarin partijen verklaren dat het gezag over de dochter permanent en definitief wordt toegekend aan de man en waarin de vrouw verklaart afstand te doen van al haar financiële aanspraken, waaronder de bruidsgave en Versie 2 waarin de vrouw in ruil voor de officiële registratie van de echtscheiding afstand doet van (onder meer) de bruidsgave en alle andere financiële en niet financiële rechten.
Tot zijn verweer heeft de man aangevoerd dat Versie 1 een standaarddocument van de ambassade betreft en dat de vrouw die naar Iraans recht verplicht moet ondertekenen, omdat de echtscheiding anders niet geregistreerd wordt. Volgens de advocaat van de man betreft Versie 2 een alternatief door de man opgestelde verklaring en is dit (in ieder geval deels) een uitwerking van de vaststellingsovereenkomst. De vrouw heeft betwist dat een extra verklaring noodzakelijk is voor registratie van de Khul-echtscheiding. Zij heeft verder verklaard dat zij bereid is om nogmaals te verklaren dat zij afstand doet van de bruidsgave en dat zij daarnaast bereid is om afstand te doen van een aantal financiële aanspraken, maar alleen als de man dat ook doet. Vervolgens heeft de advocaat van de man verklaard dat de vrouw afstand moet doen van bepaalde financiële rechten omdat de man anders het risico loopt dat hij geen verdelingsprocedure meer kan starten in Nederland. Hierop heeft de vrouw verklaard dat zij hiervan geen punt zal maken als de man in Nederland gaat procederen.
Tegenover de betwisting van de vrouw heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat de ondertekening van een extra verklaring zoals door hem aan de vrouw voorgelegd noodzakelijk is voor de registratie van de Khul-echtscheiding. Het feit dat de man zelf een alternatieve verklaring heeft opgesteld roept ook vragen op over het verplichte karakter van Versie 1. De vrees van de man dat hij zonder zo’n verklaring in Nederland geen verdelingsprocedure zou kunnen starten, is niet van belang voor het meewerken van de man aan de realisatie van de Khul-echtscheiding, maar heeft kennelijk betrekking op de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Bovendien wordt de zorg van de man op dit punt ondervangen door de verklaring van de vrouw dat zij daartegen geen bezwaar zal maken. De man kan de vrouw niet tegen haar zin verplichten om meer of andere voorwaarden te accepteren dan partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen.
Het verwijt van de man dat de vrouw nog niet de in randnummer 6 van het proces-verbaal bedoelde mededeling heeft gedaan aan de rechtbank Amsterdam, maakt het voorgaande niet anders. Indien de vrouw daarmee in gebreke blijft, moet de man haar daarop aanspreken. Nog daargelaten dat de man dit niet eerder als reden heeft opgevoerd om niet mee te werken aan de registratie van de Khul-echtscheiding, levert dit ook geen geldige reden op om die medewerking tijdelijk achterwege te laten. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw overigens toegezegd dat zij deze mededeling op korte termijn zal doen. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat de vrouw dit ook zal doen.
Gelet op het voorgaande is de vordering om de man te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst, versterkt met een dwangsom, toewijsbaar. Daarbij zal de voorzieningenrechter het dictum wel beperken tot de naleving door de man van zijn verplichting om mee te werken aan de realisatie van de Khul-echtscheiding. Het debat van partijen heeft zich immers tot die verplichting van de man beperkt. De dwangsom wordt toegewezen zoals gevorderd, met een maximum van € 25.000.
De vordering om voor het geval de dwangsom is volgelopen de veroordeling tot nakoming uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, wordt afgewezen. Lijfsdwang is een uiterst middel dat alleen kan worden opgelegd als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden. In dit geval is niet aannemelijk dat de dwangsom onvoldoende uitkomst biedt, ook omdat de vrouw heeft gesteld dat zij verwacht dat de man wel bereid is medewerking te verlenen indien er financiële gevolgen zijn.
Omdat partijen ex-echtgenoten zijn zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Er bestaat geen grond voor de door de man gevorderde proceskostenveroordeling. Gelet op de sommatie van 15 juli 2026 kan de man niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij rauwelijks is gedagvaard. Daar komt bij dat hij niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft toegezegd om alsnog onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan de registratie van de Khul-echtscheiding, zodat de vrouw het kort geding op goede gronden heeft doorgezet.
In de gegeven omstandigheden ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van de man. Mocht een nieuw kort geding noodzakelijk is, kan dit anders zijn.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt de man tot nakoming van de op hem rustende verplichtingen, zoals
vastgelegd in het proces-verbaal van 22 juni 2026, in het bijzonder door alles te doen en niets na te laten dat noodzakelijk is en zonder nadere voorwaarden te stellen voor het realiseren van de Khul-echtscheiding;
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000 is bereikt;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
WJ