RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46607
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 20 augustus 2026 om 17.01 uur gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Ambv van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Ambv. In de Ambv staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Ambv en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Ambv;m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Ambv na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Ambv;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser voert aan dat de voorlopige voorziening is toegewezen en eiser daarom onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld. Verder bestrijdt eiser alle gronden en betoogt dat er in zijn geval een lichter middel toegepast had moeten worden. Eiser voert met betrekking tot de a grond aan dat hij Europa is ingereisd met een geldig paspoort, maar dat dit paspoort door de Oostenrijkse autoriteiten is ingenomen. Met betrekking tot de k grond voert eiser aan dat hij geen medewerking hoeft te verlenen aan de overdracht, omdat de voorlopige voorziening is toegewezen en hij in Nederland zijn beroepsprocedure mag afwachten. Ook de overige gronden heeft eiser gemotiveerd betwist.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Deze beroepsgronden slagen niet. De toewijzing van de voorlopige voorziening leidt er niet toe dat de bewaring onmiddellijk moet worden opgeheven. Er vindt enkel een wijzing plaats in de toegestane duur van de maatregel en eiser heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat die termijn is overschreden. Ten aanzien van de gronden overweegt de rechtbank als volgt. De minister mag de a grond aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Eiser is namelijk Nederland binnengekomen zonder dat hij beschikte over een geldig paspoort of visum. Dit paspoort was namelijk door de Oostenrijkse autoriteiten ingenomen. De minister mag ook de k grond aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Op het moment dat de bewaringsmaatregel werd opgelegd lag er een overdrachtsbesluit en verleende eiser geen medewerking aan een overdracht naar Oostenrijk. Dat de voorlopige voorziening nu is toegewezen en eiser zijn beroepsprocedure in Nederland mag afwachten, verandert daar niets aan omdat de rechtbank is gehouden ex tunc te toetsen. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de overige gronden niet.Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
Wat is het betoog van eiser?
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er niet voor is gekozen om een lichter middel op te leggen, zoals een meldplicht. Eiser mag immers de beroepsprocedure in Nederland afwachten en wil dit graag in vrijheid doen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft de minister van belang kunnen vinden dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij mee zal werken aan de overdracht aan Oostenrijk en de uiterste overdrachtstermijn naderde. Bovendien blijkt uit de gedragingen van eiser dat er een risico bestond dat hij zou onderduiken. Dat er een verzoek voor een voorlopige voorziening is gedaan op het moment dat de maatregel was opgelegd, heeft de minister voldoende meegewogen in de belangenafweging.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van A. Kanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.