ECLI:NL:RBDHA:2026:24200

ECLI:NL:RBDHA:2026:24200

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 26.3621
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel, AA, referentiekader, licht verstandelijk beperkt, Syrië, militaire dienst, angst voor rekrutering, 15c, humanitaire omstandigheden, ongegrond, toepassing artikel 6:22 Awb, motiveringsgebrek

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.3621

geboren op [geboortedatum],

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. B.H. Werink),

en

(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is gevlucht uit Syrië omdat er oorlog is en omdat hij bang is voor de dienstplicht. Ook had eiser geen toegang tot werk en onderwijs.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser.

2. De militaire verplichtingen van eiser.

De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister acht de militaire verplichtingen niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. Zijn verklaringen vormen daarnaast geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend. De minister stelt dat het enkele feit dat eiser uit Syrië komt niet genoeg is voor vluchtelingschap. Ook volgt de minister eiser niet in zijn standpunt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning regulier, omdat hij gedurende de beslistermijn meerderjarig is geworden.

Referentiekader

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Tijdens het nader gehoor is rekening gehouden met het feit dat eiser licht verstandelijk beperkt is, maar bij de beoordeling van de aanvraag is er volgens eiser onvoldoende rekening mee gehouden. Ten aanzien van het niet zo spoedig mogelijk indienen van de asielaanvraag gaat de minister vooral af op de eigen verklaringen van eiser, terwijl extra zorgvuldig had moeten worden bekeken of eiser wel in staat was hier uitspraken over te doen. Ook als wordt aangenomen dat de aanvraag niet tijdig is gedaan mag hem dat niet worden aangerekend, gelet op zijn licht verstandelijke beperking. Eiser verwijst naar het rapport van het Centrum Verstandelijke Beperking en Psychiatrie.

Ter zitting heeft de minister aangegeven dat aan eiser niet langer wordt tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. De minister stelt zich desalniettemin op het standpunt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Omdat de d-grond wel aan eiser is tegengeworpen in het bestreden besluit, bevat dit besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen wordt geschaad.

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het referentiekader van de vreemdeling, waaronder diens culturele achtergrond, kenbaar betrokken moet worden in de besluitvorming. De rechtbank stelt vast dat de minister hieraan heeft voldaan door het referentiekader van eiser uiteen te zetten in de besluitvorming en hier ook rekening mee te houden in het gehoor. De algemene stelling van eiser dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn licht verstandelijke beperking is door hem niet verder onderbouwd, en treft daarom geen doel.

Militaire dienst

6. Eiser heeft aangegeven dat hij bij terugkeer vreest voor rekrutering door hetzij het Syrische leger, hetzij het Koerdische leger. Eiser stelt dat dit een terechte vrees is, gelet op de instabiele situatie in Syrië.

Ten aanzien van de vrees voor rekrutering stelt de rechtbank vast dat eiser deze vrees niet met objectieve documenten of landeninformatie heeft onderbouwd. Uit de landeninformatie volgt dat in Syrië geen sprake meer is van een dienstplicht. Voor zover eiser stelt dat hij vreest voor rekrutering door de Koerdische strijdende partijen overweegt de rechtbank dat eiser afkomstig is uit Idlib en verhuisd is naar Jinderes, en dat deze beide plaatsen niet vallen onder de DAANES-regio. Eiser heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor ronseling door de Koerdische strijdende partijen. Ook deze beroepsgrond treft geen doel.

Reëel risico op ernstige schade

7. Eiser wijst op de uitspraak van de zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025 ten aanzien van de instabiele situatie in Syrië. Dat de instabiele situatie is veroorzaakt door oud-president Assad is geen reden om dit buiten de beoordeling van het reële risico op ernstige schade te houden. Ook is eiser van mening dat de minister zijn persoonlijke omstandigheden, te weten zijn licht verstandelijke beperking, had moeten meewegen. Dit maakt namelijk dat eiser extra risico loopt in Syrië, omdat hij de gevolgen van zijn handelen niet kan overzien en hierdoor in de problemen kan raken. De minister heeft hier in het geheel geen rekening mee gehouden.

De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is verslechterd. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank evenmin gebleken dat de minister niet uit mag gaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.

Ten aanzien van het meewegen van de humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank neemt dat oordeel over en maakt de overwegingen tot de hare. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de Ambtsberichten 2025 en 2026 over Syrië en de door eiser genoemde rapporten en artikelen, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het voormalige Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand worden gehouden door die partijen. Integendeel, uit de aangehaalde landeninformatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn daarmee niet in overwegende mate te herleiden tot het handelen van partijen die betrokken zijn bij het actuele willekeurige geweld.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij extra risico loopt bij terugkeer naar Syrië vanwege zijn licht verstandelijke beperking overweegt de rechtbank dat eiser geen onderbouwing heeft gegeven waaruit blijkt dat hij persoonlijk een groter risico loopt op willekeurig geweld. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser tot januari 2024 in Syrië heeft gewoond zonder dat hij problemen heeft ervaren zoals hier bedoeld, die te herleiden waren naar zijn licht verstandelijke beperking.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

9. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan het onderzoek ter zitting met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. van der Meulen - Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand