ECLI:NL:RBDHA:2026:24227

ECLI:NL:RBDHA:2026:24227

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer NL26.46910
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

59-1-a, volgberoep, op zitting, tweemaal eerder getoetst, zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, identiteit en nationaliteit nog niet bevestigd, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46910

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),

en

(gemachtigde: mr. I van Es).

Procesverloop

1. De minister heeft op 12 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op

21 augustus 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de laatste uitspraak van 14 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 13 juli 2026 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Wat vindt eiser?

4. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting bestaat binnen een redelijke termijn. Eiser haalt aan dat nu de eerdere lp-toezegging door Algerijnse autoriteiten is ingetrokken op

9 juli 2026, vanwege een administratieve fout en dat hierdoor de identiteit en nationaliteit van eiser niet zijn bevestigd en de zaak opnieuw in onderzoek is genomen. Gezien deze gang van zaken valt niet in te zien dat op basis van dezelfde informatie, alsnog een lp afgegeven zal worden. Temeer nu eiser reeds voorafgaand aan deze fout is gepresenteerd.

Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De laatste uitzettingshandeling is het rappel bij de Algerijnse autoriteiten 16 juli 2026. Bovendien heeft er na 9 juli 2026 geen nieuw vertrekgesprek plaatsgevonden, waardoor eiser niet op de hoogte is van de ingetrokken lp-toezegging. Dit terwijl uit vaste jurisprudentie volgt dat de minister actief uitzettingshandelingen moet blijven verrichten, ook al werkt eiser niet mee aan zijn uitzetting.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. Ook is al in de uitspraak van 14 juli 2026 van deze rechtbank geoordeeld dat de lp-aanvraag van eiser – ondanks de intrekking van de lp-toezegging - in onderzoek blijft en dat de intrekking niet betekent dat er geen lp voor eiser zal worden afgegeven. Zodat ook in de zaak van eiser nog steeds zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 14 juli 2026.

6. Wat betreft het voortvarend handelen oordeelt de rechtbank als volgt. Als eerste wordt opgemerkt dat eiser al tijdens het vertrekgesprek van 9 juli 2026 is geïnformeerd over ingetrokken lp-toezegging en de geannuleerde vlucht. Op 16 juli 2026, 20 juli 2026 en

20 augustus 2026 is er schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast heeft de minister op de zitting laten weten dat de Algerijnse autoriteiten op 19 augustus 2026 schriftelijk hebben aangegeven dat er zo spoedig mogelijk gereageerd zal worden op de lp-aanvraag van eiser. Ook heeft er op 5 augustus 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee voldoende voortvarend handelt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H. Hanssen - Telman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand