Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 15 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Minkes in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man]
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J.J.A. Ooms in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 21 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat, voor de duur van de echtscheidingsprocedure:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig dat, voor de duur van de echtscheidingsprocedure:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aan de Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningenprocedure rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en toevertrouwing [minderjarige]
De vrouw verzoekt [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen en beide ouders verzoeken het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.
De vrouw stelt dat zij tijdens het huwelijk structureel fysiek en emotioneel is mishandeld door de man. De man is begin 2023 naar Nederland gekomen en bij de vrouw ingetrokken.
Vrij snel daarna zijn er spanningen ontstaan tussen de ouders – die volgens de vrouw – vooral werden veroorzaakt door de ADHD-medicatie van de man in combinatie met het veelvuldig gebruik van softdrugs (wiet). In december 2024 heeft er voor het eerst fysiek geweld plaatsgevonden met als gevolg een politiemelding en betrokkenheid van Veilig Thuis. Vervolgens is [zorginstantie] ingeschakeld voor vrijwillige hulpverlening. Een jaar later heeft er opnieuw een incident plaatsgevonden waarbij de man de broer van de vrouw heeft aangevallen en haar heeft bedreigd. Na dit incident heeft de vrouw samen met [minderjarige] een aantal weken in de woning van haar broer verbleven. Uiteindelijk is zij met [minderjarige] op [geboortedatum] 2026 teruggekeerd naar de woning. Hoewel de man beterschap beloofde, is dit er volgens de vrouw niet van gekomen. Naar aanleiding van een klap door de man in het gezicht van de vrouw is aan hem op 9 mei 2026 een tijdelijk huisverbod en een contactverbod opgelegd. De man stuurde vrijwel direct verschillende berichten naar de vrouw. Nadat het huisverbod was afgelopen is de man op 18 juni 2026 teruggekeerd naar de woning. Omdat de vrouw vreesde voor de veiligheid van [minderjarige] en zichzelf, is zij vertrokken uit de woning om tijdelijk bij haar moeder te verblijven. De vrouw stelt dat zij onder druk van de hulpverlening akkoord is gegaan met een zorgregeling tussen de man en [minderjarige]. Hoewel het eerste contactmoment op 27 juni 2026 goed verliep, ging het op 30 juni 2026 volledig mis. De vrouw is toen in het bijzijn van [minderjarige] ernstig bedreigd, mishandeld en wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd. Nadat de man vrij was gelaten op 1 juli 2026 heeft hij op 2 juli 2026 geprobeerd [minderjarige] van het kinderdagverblijf op te halen, maar is dit met tussenkomst van de politie voorkomen.
Gelet op het bovenstaande verzoekt de vrouw om [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen en het uitsluitend gebruik van de woning. De afgelopen jaren is er sprake geweest van spanningen en onrust. Voor zowel de vrouw als [minderjarige] is het belangrijk dat er nu rust en stabiliteit komt, en dat zij samen in hun vertrouwde woonomgeving kunnen verblijven.
Bovendien is de vrouw sinds 2019 de huurder van de woning en is de man in 2023 bij haar ingetrokken.
De man voert verweer. Volgens hem doet de vrouw valse beschuldigingen en probeert zij hem continu uit de tent te lokken. Er is nimmer sprake geweest van geweld. De man voert verder aan dat de vrouw beschikt over een groot familienetwerk in de buurt waar zij samen met [minderjarige] terecht kan. Zo heeft zij eerder bij haar broer verbleven en is zij halverwege juni naar haar moeder gegaan. Het huis van de moeder van de vrouw bovendien regelmatig leeg omdat zij voor langere periodes in [land 2] zit. De man heeft geen familie in Nederland en kan alleen incidenteel bij vrienden terecht. Na het huisverbod heeft de man dan ook afwisselend doorgebracht bij vrienden, in een hotel of in zijn auto omdat hij geen alternatieve woonruimte had. Daarnaast maakt de man zich zorgen dat als hij de woning moet verlaten, hij nog langer geen contact heeft met [minderjarige]. Sinds zijn geboorte is de man intensief betrokken bij de zorg voor [minderjarige]. Zo stemt de man zijn werkrooster af op de zorg voor [minderjarige], en is hij met [minderjarige] op de dagen dat de man vrij is. De man is dan ook van mening dat het belang van hem om in de woning te mogen blijven zwaarder weegt dan het belang van de vrouw.
De rechtbank stelt voorop dat voorlopige voorzieningen het karakter hebben van een ordemaatregel van tijdelijke aard in het kader van de echtscheidingsprocedure. Het uitgangspunt daarbij is dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van de ouders, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Het is de rechtbank gebleken dat de onderlinge verhouding tussen de ouders slecht is, dat zich in de afgelopen maanden diverse (gewelddadige) incidenten hebben voorgedaan en dat de vrouw angst heeft voor de man. Zij kunnen dan ook niet meer gezamenlijk in de echtelijke woning verblijven. De rechtbank zal daarom een belangenafweging moeten maken, en beoordelen welke partij op dit moment het meeste belang heeft bij verblijf in de woning.
Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel beide ouders belang hebben om in de woning te blijven, is voor de rechtbank het belang van [minderjarige] in deze situatie doorslaggevend. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat hij na een zeer onrustige periode waarbij hij getuige is geweest van fysiek geweld tussen de ouders en met zijn moeder voor de man is gevlucht naar veilige plek, dat hij terug kan keren naar zijn vertrouwde omgeving. Op basis van de stukken in het dossier en dat wat besproken is tijdens de zitting, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw op dit moment het grootste gedeelte van de zorg over [minderjarige] draagt. Alleen al om die reden valt een belangenafweging in het voordeel van de vrouw uit. De rechtbank neemt daarbij ook in overweging dat de vrouw de oorspronkelijke huurder is van de woning. Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd en dat zij voorlopig het uitsluitend gebruik van de woning krijgt.
Voorlopige zorgregeling
De man verzoekt een voorlopige zorgregeling waarbij [minderjarige] de ene week bij de man, en de andere week bij de vrouw verblijft met als wisselmoment vrijdag om 17:00 uur, of subsidiair een regeling waarbij [minderjarige] drie dagen per week bij hem is. De man voert hiertoe aan dat hij [minderjarige] erg mist en nu al langere tijd niet heeft gezien. Voordat de vrouw halverwege juni 2026 uit de woning vertrok, was de man intensief betrokken bij de zorg en opvoeding van [minderjarige]. De man vindt het belangrijk dat dit zo snel mogelijk weer hervat wordt. Volgens de man is er geen enkele reden voor de vrouw om voor haar veiligheid of die van [minderjarige] te vrezen.
De vrouw voert verweer. Zij maakt zich ernstig zorgen om de veiligheid van [minderjarige], met name vanwege het incident van 30 juni 2026 waar [minderjarige] getuige was van ernstig fysiek geweld en mishandeling door de man. De vrouw is dan ook van mening dat er alleen onder professionele begeleiding van de hulpverlening contact kan plaatsvinden tussen de man en [minderjarige].
De raadsvertegenwoordiger op de zitting aangegeven dat [minderjarige] de afgelopen periode veel onveiligheid heeft ervaren door de vele escalaties tussen de ouders. Iedere keer dat er een escalatie plaatsvindt, is dat schadelijk voor [minderjarige]. De raadsvertegenwoordiger heeft aangegeven dat begeleid contact tussen de man en [minderjarige] verstandig is zodat de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd kan worden en de ouders niet direct contact met elkaar hoeven te hebben. Hoewel [minderjarige] recht heeft op contact met beide ouders, moet dit wel op een voor hem veilige en rustige manier verlopen.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat er de afgelopen periode heel veel heeft gespeeld tussen de ouders. Wat er nu precies is voorgevallen en wat daar de aanleiding voor is geweest staat niet vast, maar dat er zich verschillende gewelddadige incidenten hebben voorgedaan staat wel vast. De rechtbank kan er bovendien niet omheen dat aan de man een tijdelijk huisverbod en een contactverbod is opgelegd, dat hij heeft genegeerd. De rechtbank is van oordeel dat voorkomen moet worden dat [minderjarige] opnieuw getuige wordt van geweld en agressie tussen zijn ouders. Met de Raad is de rechtbank tegelijkertijd van oordeel dat [minderjarige] recht heeft op contact met beide ouders, maar alleen als dit op een veilige manier kan plaatsvinden. Om deze redenen kan er naar het oordeel van de rechtbank op dit moment alleen onder professionele begeleiding contact plaatsvinden tussen [minderjarige] en de man. De rechtbank overweegt dat een doorverwijzing naar Omgangsbegeleiding via het Uniform Hulpaanbod voor de hand had gelegen, maar dat de man daar niet aan mee wil werken omdat hij het niet noodzakelijk vindt dat er alleen begeleid contact komt. De rechtbank kan de ouders daarom niet doorverwijzen. Ondanks dat is de rechtbank van oordeel dat het belangrijk is dat contact tussen [minderjarige] en zijn vader op moment uitsluitend begeleid kan plaatsvinden. Op dit moment is bij de vrouw en [minderjarige] diverse hulpverlening betrokken, waaronder hulp vanuit het Crisis Interventie Team (CIT). De rechtbank zal daarom bepalen dat uitsluitend omgang kan plaatsvinden als dat met de betrokken hulpverlening op een veilige manier kan worden georganiseerd. De ouders dienen zich beiden hiervoor te wenden (eventueel via hun advocaat) tot het CIT, het wijkteam of de huisarts voor aanmelding van een vorm van Omgangsbegeleiding.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] in [plaats 2], en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats], aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat de man en [minderjarige] voorlopig alleen begeleide omgang met elkaar kunnen hebben, voor maximaal twee uur per week, onder de voorwaarde dat de betrokken of nog in te schakelen hulpverlening dit kan organiseren;
*verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.