RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.5380
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de verblijfsvergunning van eiser op goede gronden heeft ingetrokken. Eiser vindt van niet. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verblijfsvergunning van eiser heeft mogen intrekken. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser is geboren op [geboortedag] 1983 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser heeft sinds 28 juli 2022 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’, geldig tot 28 juli 2027.
Eiser heeft op 2 oktober 2023 een aanvraag ingediend tot wijziging van zijn verblijfsdoel naar humanitair niet-tijdelijk.
Met het primaire besluit van 9 april 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken vanaf 2 oktober 2023, omdat eiser bij de aanvraag om wijziging van het verblijfsdoel van zijn vergunning heeft aangegeven dat de relatie met zijn partner is verbroken vanwege huiselijk geweld. De minister heeft het verzoek van eiser afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van huiselijk geweld. De minister heeft verder geen familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM aangenomen. Het primaire besluit is tevens een terugkeerbesluit.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In bezwaar heeft hij aangevoerd dat de relatie tussen hem en zijn partner is hersteld. Die informatie was al met zijn gemachtigde gedeeld. Het was nooit eisers bedoeling om te stellen dat de relatie met zijn partner is verbroken. Eiser heeft de minister verzocht om hem een verblijfsvergunning te verlenen voor verblijf bij zijn minderjarige Nederlandse kind op grond van het arrest Chavez-Vilchez.
Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De minister heeft aan eiser wel een verblijfsvergunning verleend met het verblijfsdoel ‘Residency card for a family member of a EU citizen’, die geldig is voor vijf jaar, omdat eiser verblijfsrecht ontleend aan het arrest Chavez-Vilchez. De minister heeft de intrekking van de vorige verblijfsvergunning echter niet teruggedraaid. De minister stelt zich op het standpunt dat de handelingen van eisers gemachtigde voor eisers eigen rekening en risico komen en dat de minister er van uit mocht gaan dat relatie was verbroken. De intrekking van de verblijfsvergunning in het primaire besluit is volgens de minister gedaan op de juiste gronden.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de minister de verblijfsvergunning van eiser op goede gronden heeft ingetrokken vanaf 2 oktober 2023.
Eiser voert aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet had mogen plaatsvinden. Eiser heeft namelijk nooit beoogd een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk te krijgen op grond van huiselijk geweld. Er was sprake van een miscommunicatie met zijn voormalig gemachtigde, waardoor er onjuiste formulieren zijn ingediend. Volgens eiser moet die miscommunicatie niet voor zijn rekening en risico komen. Er is nooit sprake geweest van verbreking van de samenwoning en inmiddels hebben eiser en zijn partner zich verzoend. De minister heeft de intrekking ten onrechte gehandhaafd.
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde miscommunicatie van eiser met zijn voormalig gemachtigde wel aan eiser kan worden toegerekend. De kern van vertegenwoordiging is namelijk dat de handelingen van een vertegenwoordiger, in dit geval de voormalig gemachtigde, aan de vertegenwoordigde, in dit geval eiser, kunnen worden toegerekend. Op het aanvraagformulier voor het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’ is aangekruist dat eiser slachtoffer is van huiselijk geweld en dat dit huiselijk geweld heeft geleid tot verbreking van de relatie. Nu dit zo is gecommuniceerd naar de minister en nu de handelingen van de voormalig gemachtigde aan eiser kunnen worden toegerekend, is de minister terecht uitgegaan van wat is ingevuld op dit aanvraagformulier.
Eiser heeft verder op de zitting aangevoerd dat de minister de brief van de voormalig gemachtigde van 6 januari 2024 had moeten aanmerken als een herstel van de fout van de niet-beoogde aanvraag. De minister had volgens eiser hieruit en uit de omstandigheid dat de voormalig gemachtigde geen stukken had ingediend ter onderbouwing van het huiselijk geweld, moeten opmaken dat eiser nooit heeft beoogd een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk te verkrijgen.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. In de brief van 6 januari 2024 staat namelijk niet dat de aanvraag niet ingediend had moeten worden. Ook uit de omstandigheid dat er geen stukken waren ingediend ter onderbouwing van het huiselijk geweld, is geen reden voor de minister om te denken dat eiser nooit heeft beoogd een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk te verkrijgen. De minister ontvangt immers regelmatig aanvragen die niet of onvoldoende zijn onderbouwd.
Op de zitting is daarnaast aan bod gekomen dat de minister ook verder vindt dat eiser onvoldoende stukken heeft overgelegd om er vanuit te kunnen gaan dat de relatie tussen eiser en zijn partner weer is hersteld. Eiser heeft in bezwaar een uitdraai van de gemeente met persoonlijke gegevens van eiser en zijn kind, bewijzen van overmakingen ten behoeve van onderhoud van het gezin, en een brief van een kinderdagverblijf met de vermelding op welke dagen eiser zijn kind ophaalt overgelegd. Eiser heeft deze stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn beroep op het arrest Chavez-Vilchez. Deze stukken zien niet op het herstel van de relatie. De rechtbank is van oordeel dat de minister in deze overgelegde stukken in bezwaar terecht onvoldoende aanleiding heeft gezien om te concluderen dat de relatie tussen eiser en zijn partner is hersteld. Eiser heeft verder in beroep een verklaring van zijn partner van 21 januari 2025 en een aangifte inkomstenbelasting 2024 overgelegd, waaruit volgt dat zij samen aangifte hebben gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de minister ook in deze stukken terecht onvoldoende aanleiding heeft gezien om te concluderen dat de relatie is hersteld. Eiser had hiertoe aanvullende stukken moeten indienen, waaruit volgt dat de relatie inderdaad niet verbroken is geweest zoals een uitdraai van whatsappgesprekken van eiser en zijn partner. Dat heeft eiser niet gedaan. De minister had er daarom niet vanuit hoeven te gaan dat de relatie tussen eiser en zijn partner toch niet is verbroken.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de minister op goede gronden de verblijfsvergunning heeft ingetrokken.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.