RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.44403
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop
De minister heeft op 15 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank op 5 augustus 2026 in kennis gesteld van het voortduren van de bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een vervolgberoep.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Zowel eiser als de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedag] 1975.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 juni 2026 (in de zaak NL26.27458) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Eiser betoogt dat het voortduren van de bewaring onevenredig bezwarend is, omdat er geen perspectief is op inhoudelijke behandeling van zijn asielberoep en het verzoek om voorlopige voorziening binnen de termijn van zes maanden. Het beroep en het verzoek worden behandeld door rechtbank Noord-Nederland en daar worden asielberoepen momenteel in december 2026 gepland, aldus eiser.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. Hoewel eisers asielberoep nog niet (opnieuw) is ingepland, is er op dit moment onvoldoende aanleiding om ervan uit te gaan dat het beroep en de voorlopige voorziening niet tijdig zullen worden behandeld. In dat verband is van belang dat de minister ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de al eerder verzonden brief met het verzoek om de behandeling van de voorlopige voorziening naar voren te halen nogmaals is verstuurd naar rechtbank Noord-Nederland. Ook is telefonisch contact opgenomen met de rechtbank, waarbij door de administratie van de rechtbank is toegezegd dat zij er direct mee aan de slag zouden gaan. Er is vooralsnog dus geen reden om het voortduren van de bewaring om die reden onevenredig bezwarend te achten.
4. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.