RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[Eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31281
(gemachtigde: mr. N. Imminga),
en
(gemachtigde: mr. N. Peters).
Procesverloop
1. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van [datum] 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld en heeft daarbij aangegeven dat zij geen contact meer heeft met eiser. Eiser is niet verschenen.
Beslissing
2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
3. Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van [datum] 2026 afgewezen. Dat besluit staat in rechte vast.
Op [datum] 2026 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. In het nu bestreden besluit heeft de minister die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De minister heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van [datum] 2026 en heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
Heeft eiser procesbelang?
4. De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang. Eiser is op [datum] 2026 in bewaring gesteld. Op [datum] 2026 is de bewaring opgeheven omdat eiser is uitgezet. De gemachtigde heeft in haar bericht van [datum] 2026 laten weten dat zij sinds de uitzetting geen contact meer heeft gehad met eiser, maar dat zij niet gemachtigd is om het beroep in te trekken.
Onder verwijzing naar uitspraken van de hoogste bestuursrechter, overweegt de rechtbank dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het door hem tegen het bestreden besluit ingestelde rechtsmiddel. Dit volgt uit de omstandigheid dat eiser sinds zijn uitzetting op [datum] 2026 uit Nederland geen contact met zijn gemachtigde heeft onderhouden. Reeds hierom heeft eiser geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.