ECLI:NL:RBDHA:2026:24313

ECLI:NL:RBDHA:2026:24313

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer NL26.5418
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beroep asiel. Syrië. Gegrond. Hama. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn standpunt over veiligheidssituatie onvoldoende heeft gemotiveerd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.5418

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. D. Aygur),

en

(gemachtigde: mr. L. Drenthe).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 29 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 28 januari 2026, mede onder verwijzing naar het voornemen van 26 januari 2026, afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser evenmin een verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek op medische gronden verleend. Wel is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd waarin is bepaald dat eiser binnen vier weken naar Syrië moet vertrekken.

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

4. De rechtbank heeft het beroep eerst geagendeerd op de zitting van 27 mei 2026. Eisers gemachtigde heeft op 26 mei 2026 verzocht om aanhouding vanwege ziekte. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en het behandeling van het beroep ingepland op de zitting van 19 augustus 2026 om 12:10 uur. Daarop heeft eisers gemachtigde aangegeven dat het voor haar niet mogelijk is om op dat tijdstip ter zitting te verschijnen, omdat zij dan een andere zitting heeft. Eisers gemachtigde heeft om die reden de rechtbank verzocht de zaak diezelfde dag op een eerder of later tijdstip in te plannen. De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen en het tijdstip van de zitting verplaatst naar 15:00 uur op dezelfde dag. De rechtbank heeft partijen hiervan op de hoogte gesteld.

De gemachtigde van de minister is op 19 augustus 2026 ter zitting verschenen. Eisers gemachtigde en eiser zijn zonder bericht of afmelding niet verschenen ter zitting. Aan het begin van de zitting heeft de rechtbank eisers gemachtigde zowel op het vaste nummer als op haar 06-nummer gebeld, maar zonder succes. Op het terugbelverzoek is geen tijdige reactie gekomen. De rechtbank heeft ambtshalve kunnen vaststellen dat eisers gemachtigde die ochtend wel is verschenen op een andere zitting van 12:20 uur in hetzelfde gerechtsgebouw. Onder al deze omstandigheden heeft de rechtbank besloten het onderzoek ter zitting voort te zetten. De rechtbank heeft aan het eind van de zitting het onderzoek gesloten.

5. Bij bericht van 19 augustus 2026, 22:47 uur heeft de gemachtigde aangegeven dat zij na afloop van de zitting die gepland stond om 12:20 uur onverwacht werd geconfronteerd met een dringende privé-situatie, die haar aandacht opeiste en waardoor zij niet meer in staat was om de zitting van 15:00 uur bij te wonen. Door de urgentie heeft zij de rechtbank niet tijdig kunnen informeren. Zij verontschuldigt zich hiervoor en zij verzoekt de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden en een nieuwe datum te plannen.

6. De rechtbank heeft bij bericht van 20 augustus 2026 aangegeven dat het onderzoek ter zitting is gesloten en dat de rechtbank uitspraak zal doen. De rechtbank ziet in het bericht van de gemachtigde van eiser geen aanleiding om de zaak te heropenen. Eisers gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet tijdig, voor de aanvang van de zitting de rechtbank heeft kunnen inlichten - telefonisch dan wel via een bericht in DWD - over de gestelde onmogelijkheid om op zitting te verschijnen. Ook heeft zij de rechtbank niet tijdig teruggebeld naar aanleiding van het terugbelverzoek. Verder vindt de rechtbank hierbij van belang dat eiser en een tolk evenmin ter zitting zijn verschenen, terwijl de onverwachte gebeurtenis die eisers gemachtigde aangeeft niet op hen zag.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Hij komt uit de provincie Hama. Tot eisers vertrek uit Syrië in 2011 heeft eiser in de plaats Al-Salamiyah gewoond. Vervolgens heeft eiser tot september 2023 in Libanon gewoond. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië te worden gezien als landverrader. Eiser is in juli 2025 via Facebook bedreigd nadat hij een openbaar bericht had geplaatst waarin hij het geweld tegen christelijke minderheden veroordeelde. Daarnaast heeft eiser samen met zijn vrouw en kinderen een conflict met een advocaat in Syrië nadat eisers kinderen, die een ziekte hebben, door de neven van de advocaat hevig zijn gepest, aangevallen en mishandeld. Dit heeft plaatsgevonden een dag of vier voor eisers nader gehoor. De vrouw en kinderen van eiser hebben hiervan aangifte gedaan, maar zijn niet beschermd. Integendeel, zij zijn aangehouden en vastgehouden totdat zij onder dwang de aangifte hebben ingetrokken. Eisers heeft vrees voor deze advocaat. Eiser vreest ook voor de algehele veiligheidssituatie in Syrië.

Het bestreden besluit

8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

- De bedreigingen via Facebook;

- Het conflict dat eiser met de advocaat heeft.

De minister vindt al deze asielmotieven geloofwaardig.

De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Dat eiser uit Syrië komt is op zichzelf niet voldoende om eiser aan te merken als vluchteling. Er zijn volgens de minister geen concrete aanwijzingen dat eiser vanwege het feit dat hij lang in het buitenland heeft gewoond bij terugkeer als landverrader wordt gezien. Uit het algemeen ambtsbericht Syrië 2025 blijkt dat terugkeerders geen problemen hebben ondervonden aan de grens. Voorts heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister neemt ten aanzien van heel Syrië aan dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat betekent dat eisers persoonlijke omstandigheden en eventueel risico-verhogende omstandigheden meer gewicht moeten hebben om een reëel risico op schade aan te nemen. Van dergelijke omstandigheden is volgens de minister geen sprake. De minister wijst eisers asielaanvraag af als ongegrond.

Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?

9. Op 11 december 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling. Dit oordeel is herhaald in meer uitspraken van deze rechtbank, waaronder die van 4 februari 2026 en 25 maart 2026 .

10. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat de minister zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië niet voldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat in Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. Bovendien dienen humanitaire omstandigheden ook betrokken te worden bij de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15 aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: 15c). Eiser heeft daarbij voorts gewezen op het algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026.

11. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat in geheel Syrië, dus ook in de provincie Hama waar eiser vandaan komt, sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Volgens de minister is alle relevantie informatie betrokken bij de beoordeling van de nieuwe gradatie van willekeurig geweld in Syrië. Ten aanzien hiervan verwijst de minister naar het algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025, de Beslisnota van de Minister over het landenbeleid Syrië , de brief van de Minister aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië, en de bijlage 15c . De minister wijst verder ook op het ambtsbericht Syrië van januari 2026 en het Country Guidance Rapport Syria december 2025 van de EUAA.

De minister stelt zich gelet op alle informatie op het standpunt dat vanwege het relatief geringe aantal veiligheidsincidenten, het aantal terugkeerders naar de provincie Hama, de algemene situatie en maatregelen ten aanzien van oorlogsresten en mijnen in Hama en de omstandigheid dat de humanitaire situatie aldaar niet gerelateerd is aan het lopende gewapende conflict of slechts in beperkte mate, waarbij niet is gebleken dat de situatie in deze provincie extra zorgelijk is ten opzichte van andere provincies, sprake is van een relatief lage mate van willekeurig geweld in Hama.

De minister is van mening dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die het aannemelijk maken dat hij een verhoogd risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

12. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om anders te oordelen over het standpunt van de minister over willekeurig geweld in Syrië dan in de uitspraak van 11 december 2025. Hoewel een deel van die uitspraak is gewijd aan de regio Homs, is het merendeel van de uitspraak ook van toepassing op de algemene veiligheidssituatie in heel Syrië. De uitspraak is dus ook van toepassing op de provincie Hama waar eiser naar zou moeten terugkeren, te meer nu Homs en Hama dicht bij elkaar liggen. De minister heeft dus naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië, ook met de verwijzing naar het nieuwe ambtsbericht van 2026, onvoldoende gemotiveerd waardoor nog steeds onvoldoende duidelijk is of eiser een risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen welke individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade kunnen meebrengen en hoe deze kunnen of moeten worden gewogen. Bovendien is op het hoger beroep tegen de voornoemde uitspraak van 11 december 2025 door de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State nog geen uitspraak gedaan. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 8 juni 2026 .

13. De rechtbank verklaart het beroep gelet op het voorgaande gegrond. De overige door eiser aangevoerde, maar niet in deze uitspraak weergegeven, beroepsgronden die eveneens betrekking hebben op de zwaarwegendheid zal de rechtbank niet beoordelen.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. De minister heeft het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en daarmee in strijd gehandeld met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit.

15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraag € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die kunnen worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 januari 2026;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Griffier

  • mr. S. Derks

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand