proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
5 augustus 2026 in de zaak tussen
[Eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. C. Huy),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. D. Jager).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank, na een onderbreking voor raadkameroverleg, mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Motivering
1. De minister van Asiel en Migratie heeft op [datum] 2024 laten weten dat hij de verblijfsvergunning van eiser (met terugwerkende kracht) wilde intrekken. Dat is vervolgens ook gebeurd met het besluit van [datum] 2024. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 7 mei 2026 de intrekking in stand gelaten.
2. Eiser heeft op [datum] 2024 een visum voor kort verblijf aangevraagd. Eiser heeft in zijn aanvraag als reden “overige” aangekruist. Bij zijn aanvraag overlegt hij ook een handgeschreven brief waaruit blijkt dat zijn visumaanvraag met zijn verblijfsvergunning te maken heeft. De minister heeft de visumaanvraag met het besluit van [datum] 2024 afgewezen. In dat besluit staat dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Gelet op de door eiser verstrekte informatie bestaat het ernstige vermoeden dat hij langer dan drie maanden in het Schengengebied wil verblijven. Eiser moet hiervoor een procedure tot het verkrijgen van lang verblijf volgen.
3. Eiser heeft tegen het besluit van [datum] 2024 bezwaar gemaakt. Eiser voert in bezwaar aan dat hij op familiebezoek wilde bij zijn twee meerderjarige zoons die in Nederland wonen. Dat bleek voldoende uit de aanvraag, omdat daarin de naam en een telefoonnummer van een van zijn zoons staan. Verder blijkt uit de bij de aanvraag gevoegde informatie dat eiser twee meerderjarige zoons in Nederland heeft. De handgeschreven brief van eiser had ermee te maken dat op datzelfde moment de (in overweging 1. genoemde) procedure over de intrekking van zijn verblijfsvergunning liep. Met het besluit van [datum] 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft tegen het besluit van [datum] 2025 beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de afwijzing van eisers visumaanvraag door de minister in stand kan blijven. Daarvoor heeft zij de volgende motivering.
De rechtbank vindt dat eiser in bezwaar een ander reisdoel naar voren brengt dan het reisdoel dat in zijn aanvraag staat. Eisers aanvraag zag – gelet op de aangekruiste reden in combinatie met de handgeschreven brief – onmiskenbaar op (de procedure over) zijn verblijfsvergunning. Het enkele feit dat uit de aanvraag blijkt dat eiser twee meerderjarige zoons in Nederland heeft, maakt dat niet anders. Want als eiser een visum voor familiebezoek had gewild, dan had hij op het aanvraagformulier de optie “bezoek aan familie of vrienden” kunnen aankruisen. Dat heeft eiser niet gedaan. Nog belangrijker is dat eiser bij zijn aanvraag ook geen stukken heeft overgelegd die passen bij een visumaanvraag voor familiebezoek, zoals de verplicht voorgeschreven uitnodiging, garantstelling of logiesverstrekking. In de bezwaarfase stelt eiser zonder voorbehoud dat zijn reisdoel familiebezoek was. Dat is dus een ander reisdoel dan in de aanvraag staat. De minister concludeert dan ook terecht dat het door eiser in zijn aanvraag gestelde verblijfsdoel onbetrouwbaar mag worden geacht, omdat hij daarover tegenstrijdige verklaringen aflegt. Eiser zegt dat hij bij andere visaverlening (in verband met familiebezoek) telkens tijdig is teruggekeerd, maar dat staat hier los van en dat heft de twijfels over de betrouwbaarheid in dit geval dus niet op.
Eiser vindt dat er geen rechtsregel aan in de weg staat om in de bezwaarfase een ander reisdoel naar voren te brengen. Volgens eiser had de minister in bezwaar moeten beoordelen of eiser met dit andere reisdoel (van familiebezoek) alsnog een visum voor kort verblijf kon krijgen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zij is het met de minister eens dat in de bezwaarfase moet worden heroverwogen of de afwijzing van de visumaanvraag terecht was. Het is op zich mogelijk om een aanvraag in de bezwaarfase te wijzigen, maar dan moet het gaan om een wijziging van ondergeschikte aard. De rechtbank vindt het veranderen van het reisdoel niet zo’n wijziging. Het opgegeven reisdoel is namelijk de essentie van de aanvraag. Om deze reden is het niet mogelijk het reisdoel in de bezwaarfase aan te passen. De minister heeft dan ook terecht beoordeeld of de in eisers aanvraag genoemde reisdoel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf al dan niet voldoende zijn aangetoond. Dat na de beslissing op bezwaar alsnog een garantstelling in het kader van familiebezoek is afgegeven, is daarom ook niet meer van belang.
Verder vindt de rechtbank dat de minister in de bezwaarfase terecht van het horen heeft afgezien met als reden dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Gelet op wat hiervoor (in overweging 5.1. en 5.2.) staat, was er redelijkerwijs geen twijfel over de ongegrondheid van eiseres bezwaar. De minister betrekt daarbij terecht dat als het in de aanvraag genoemde reisdoel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond hij de aanvraag moet weigeren. Een belangenafweging is dus niet mogelijk en daar kon het in een eventuele hoorzitting dan ook niet over gaan.
Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser.
De rechter deelt mee dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.