RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38786
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).
Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
1. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.De aan eiser opgelegde vrijheidsontnemende maatregel2. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. Op 10 juli 2026 is hij aangekomen op de luchthaven Schiphol en heeft hij aan de buitengrens een asielwens geuit. Aan eiser is aansluitend op grond van artikel 4.6 van het Vb 2000 de aanwijzing gegeven zich op te houden in de internationale lounge van de luchthaven Schiphol tot 07:00 uur de volgende dag. Op 11 juli 2026 heeft eiser een schriftelijke asielaanvraag ingediend. Vervolgens heeft de minister het besluit over de toegang van eiser tot Nederland uitgesteld op grond van artikel 3, vierde lid, van de Vw 2000 en aan hem een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd.Is de kwetsbaarheidsbeoordeling op zorgvuldige wijze verricht? 3. Eiser voert aan dat sprake is van een gebrekkige kwetsbaarheidsbeoordeling. Hij heeft bij het gehoor aangegeven homoseksueel te zijn en behoort om die reden tot een categorie die vaker bijzondere opvangbehoeften heeft. Ook heeft eiser voortdurend aangegeven de detentie als te zwaar te ervaren en benauwdheid te ervaren als gevolg van het ingesloten zijn. Door de medewerker van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) is hierop niet doorgevraagd. Dit is in strijd met de op grond van artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening vereiste voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling door gespecialiseerd personeel en had, gelet op de aard van de gestelde kwetsbaarheid, tot een grondiger onderzoek moeten leiden. Daarnaast is ook niet aangetoond dat de medewerker van de Kmar een specifieke training heeft gevolgd om kwetsbaarheden te kunnen herkennen.3.1. Uit artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening volgt dat tijdens de screening een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid wordt gemaakt door gespecialiseerd, daartoe opgeleid personeel van de screeningsdiensten. Als er aanwijzingen zijn dat iemand zich in een kwetsbare situatie bevindt of speciale opvang- of procedurele behoeften heeft, krijgt de betrokkene tijdige en passende ondersteuning in een adequate accommodatie met het oog op zijn of haar lichamelijke en geestelijke gezondheid. Uit het vijfde lid volgt dat die voorlopige beoordeling onderdeel kan uitmaken van de procedure tegen de daadwerkelijke beoordeling van de kwetsbaarheid. De rechtbank stelt vast dat de minister is aangewezen als verantwoordelijke autoriteit om de screening uit te voeren. In de asielgrensprocedure ligt die bevoegdheid bij de Kmar.
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de screening van de kwetsbaarheid heeft plaatsgevonden door een medewerker van de Kmar en dat het voorlopige oordeel is dat eiser geen bijzondere behoeften heeft. De juistheid van die voorlopige conclusie en de deskundigheid van de betreffende Kmar-medewerker kan worden betwist in de asielprocedure. De bewaringsrechter acht zich niet bevoegd om daarover nu een oordeel te geven en kan slechts vaststellen dat de screening van de voorlopige kwetsbaarheid heeft plaatsgevonden en dat daaruit niet naar voren is gekomen dat eiser bijzondere opvangbehoeften heeft.
Leent de asielaanvraag van eiser zich niet voor de grensprocedure?
4. Eiser voert verder aan dat zijn asielaanvraag zich vanwege zijn homoseksuele gerichtheid en de complexiteit niet leent voor afdoening binnen de grensprocedure. De situatie van LHBTQ- personen uit Pakistan is extreem repressief. Pakistan kan voor deze mensen dan ook niet als veilig land worden aangemerkt. Daarnaast moet volgens de asielprocedureverordening van de grensprocedure worden afgezien als een asielzoeker bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft die in detentie niet kunnen worden geboden. Mede bezien in het licht van de door eiser naar voren gebrachte benauwdheidsklachten en het feit dat eiser meermaals heeft aangegeven niet gedetineerd te willen zijn had de minister moeten besluiten de asielaanvraag van eiser niet binnen de grensprocedure af te doen.
In paragraaf C2/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat de minister tijdens de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voortdurend toetst of de aanvraag conform artikel 3, derde lid, Vw 2000 binnen de grensprocedure kan worden behandeld. Het uitgangspunt is dat de minister uiterlijk na het gehoor, op basis van volledige informatie, aan de vreemdeling kenbaar maakt indien zijn aanvraag niet in de grensprocedure verder kan worden behandeld. Hiervan kan worden afgeweken indien in een eerder of later stadium relevante informatie voorhanden is. Dit betekent dat de minister op elk moment kan concluderen dat het asielverzoek zich niet leent voor een behandeling in de grensprocedure.
4..2 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de bewaringsrechter bij grensdetentie moet beoordelen of de procedure om een beslissing te nemen over het recht om het grondgebied te betreden met de nodige zorgvuldigheid en voortvarendheid wordt uitgevoerd en dat hij zich in beginsel niet inhoudelijk mag uitlaten over de vraag of een asielverzoek in de grensprocedure kan worden behandeld. Zodra in de asielgrensprocedure wordt geoordeeld dat de zaak niet in de grensprocedure kan worden afgedaan, vervalt de grondslag voor de vrijheidsontneming. Op voorhand kan echter niet worden geconcludeerd dat de asielaanvraag niet in de grensprocedure kan worden afgedaan. De minister moet enige tijd worden gegund om te beoordelen of de asielaanvraag inderdaad in de grensprocedure kan worden afgedaan, ook in het geval van een goed gedocumenteerde vreemdeling of een waarschijnlijk inwilligbaar verzoek. Deze beslissing wordt in beginsel genomen na het gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Daarnaast is ook niet van belang dat de asielaanvraag van eiser niet bij voorbaat als weinig kansrijk gezien zou kunnen worden. Dat is namelijk geen vereiste voor het toepassen van de grensprocedure.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel? 5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in zijn geval niet met een lichter middel had kunnen worden volstaan en dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de vrijheidsontneming voor hem onevenredig zwaar maken. De motivering in de maatregel bestaat uitsluitend uit een verwijzing naar het algemene grensbewakingsbelang, zonder dat daarbij is ingegaan op de vraag of, en waarom, een lichter middel in het specifieke geval van eiser niet volstond. Voor verzoekers met bijzondere opvangbehoeften geldt daarnaast de strengere en dwingende norm van artikel 13 van de (nieuwe) Opvangrichtlijn. Als de bewaring van verzoekers met bijzondere opvangbehoeften hun lichamelijke en geestelijke gezondheid ernstig in gevaar brengt, worden die verzoekers niet in bewaring gehouden. Eiser is een kwetsbare homoseksuele asielzoeker uit Afghanistan. Hij heeft meerdere keren aangegeven de detentie niet te kunnen verdragen en benauwdheidsklachten te hebben. Eiser stelt dat gelet op deze bijzondere individuele omstandigheden voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel de lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van eiser ernstig in gevaar brengt in de zin van de Opvangrichtlijn. Bovendien maakt dit de maatregel onevenredig bezwarend in de zin van artikel 5.5 van het Vb 2000.
De minister stelt zich onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de vrijheidsontnemende maatregel in de gelegenheid gesteld om bijzondere of persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen. Aan eiser zijn specifieke vragen gesteld over zijn medische en persoonlijke omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser met de gestelde vragen voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om alles naar voren te kunnen brengen wat van belang kon zijn. In reactie op deze vragen heeft eiser alleen geantwoord dat hij naar een open kamp wil en last krijgt van benauwdheid als hij opgesloten is. Eiser heeft aangegeven dat hij geen andere medische aandoeningen heeft, dat hij geen medicijnen gebruikt, dat er geen andere spoedeisende omstandigheden zijn die aanleiding geven om zijn asielprocedure in vrijheid te doorlopen en dat hij geen familieleden in Nederland heeft. Aan het eind van het gehoor zijn de eigen bevindingen van de verbalisant genoteerd en heeft hij aangegeven dat er geen onmiddellijk identificeerbare lichamelijke of geestelijke handicap en geen zichtbare of merkbare psychische of fysieke trauma’s zijn waargenomen of aangevoerd. In de maatregel is erop gewezen dat er in het aanmeldcentrum een medische dienst aanwezig is. Eiser heeft niet gesteld of onderbouwd dat hij medische klachten heeft die zo ernstig zijn dat de maatregel daarom onevenredig zwaar is of dat de medische zorg voor deze klachten ontoereikend is. Ook is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is of dat er andere individuele omstandigheden zijn die de maatregel onevenredig zwaar maken. Eiser heeft daarnaast wel gesteld dat hij een bijzondere opvangbehoefte heeft en dat vrijheidsontneming zijn lichamelijke en/of geestelijke gezondheid ernstig in gevaar brengt maar heeft dat op geen enkele manier onderbouwd. De enkele stelling dat hij homoseksueel zou zijn betekent nog niet dat hij ook bijzondere opvangbehoeften heeft en/of dat vrijheidsontneming de lichamelijke en geestelijke gezondheid ernstig in gevaar brengt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.S. Abbing, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 juli 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.