Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/039873-26 (dagvaarding I), 09/031405-26 (dagvaarding II, gev. ttz.), 18/344313-25 (dagvaarding III, gev. ttz.) en 18/145100-26 (dagvaarding IV, gev. ttz.)
Datum uitspraak: 31 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
maar feitelijk zonder bekende woon- of verblijfplaats.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op 17 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. T.W. Delhaye naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
dagvaarding IV
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
dagvaarding I 1.hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 februari 2026 tot en met 6 februari 2026 te Den Haag, althans in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf van het plegen van een aanslag op het leven of de vrijheid van de vermoedelijke opvolger van de Koning, te weten [naam 1] (als omschreven in artikel 108 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijk en met voorbedachten rade één of meer personen van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, te weten [naam 2] (als omschreven in artikel 289 Wetboek van Strafrecht en artikel 302 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk één of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers, te weten- twee bijlen van het merk Gränsfors Bruk, met daarop de woorden “ [naam 2] ”, “Mossad” en “Sieg Heil” gekerfd of gekrast en/of- een handgeschreven papierstuk met daarop de woorden “ [naam 1] ” en/of “ [naam 2] ” en/of BloedBad” geschreven staat,bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;
2.hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 februari 2026 tot en met 6 februari 2026 te Den Haag, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam 1] en/of [naam 2] te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, op twee bijlen van het merk Gränsfors Bruk de naam “ [naam 2] ” heeft gekerfd of gekrast en/of op een papierstuk de namen “ [naam 1] ” en/of “ [naam 2] ” en/of het woord “BloedBad” heeft geschreven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
dagvaarding II
hij op of omstreeks 31 januari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheidmondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: Sieg Heil, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door de Hitlergroet (nazigroet) te brengen;
dagvaarding III
1.hij op of omstreeks 16 december 2025 te Harlingen, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 2] (agent bij de Eenheid Noord-Nederland), [verbalisant 3] (brigadier bij de Eenheid Noord-Nederland), [verbalisant 4] (brigadier bij de Eenheid Noord-Nederland) en/of [verbalisant 5] (agent bij de eenheid Noord-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Kankerpolitie" en/of "Kankermongolen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door die [verbalisant 2] in het gezicht te spugen;
2.hij op of omstreeks 16 december 2025 te Leeuwarden, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 6] (assistent beveiliging bij de Eenheid Noord-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door naar die [verbalisant 6] te spugen;
hij op of omstreeks 15 december 2025 te Harlingen, op of aan de [adres 2] en/of nabij het [adres 3] , opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een garagedeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
3. De geldigheid van dagvaarding I
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat dagvaarding I nietig dient te worden verklaard voor zover het het onderdeel “een aanslag op de vrijheid van [naam 1] ” in feit 1 betreft. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding op dit punt onbegrijpelijk is, omdat niet is uitgewerkt welke inbreuk op de vrijheid uit Titel XVIII van het Wetboek van Strafrecht de verdachte concreet wordt verweten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in de tenlastelegging van feit 1 wordt verwezen naar artikel 108 van het Wetboek van Strafrecht en dat de dagvaarding daarmee voldoende duidelijk en geldig is.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat dagvaarding I voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de tenlastelegging, tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, voldoende duidelijk is wat de verdachte onder feit 1 wordt verweten. Ook uit de behandeling ter terechtzitting en hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht is de rechtbank gebleken dat de verdediging voldoende duidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en verklaart de dagvaarding geldig.
4. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, voor zover het de voorbereiding van het misdrijf van het plegen van een aanslag op de vrijheid van [naam 1] betreft en dat de verdachte van het overige van dit feit moet worden vrijgesproken. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaardingen II, III en IV ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak dagvaarding I
Feit 1 - het voorbereiden van een aanslag op het leven van [naam 1] en het voorbereiden van het van het leven beroven van dan wel zwaar lichamelijk letsel toebrengen aan [naam 2]
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat feit 1 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen voor zover het de onderdelen van het voorbereiden van het plegen van een aanslag op het leven van [naam 1] en het voorbereiden van het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [naam 2] betreft. De rechtbank zal de verdachte van deze onderdelen in feit 1 vrijspreken.
Feit 1 - het voorbereiden van een aanslag op de vrijheid van [naam 1]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van het plegen van een aanslag op de vrijheid van [naam 1] .
De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte meende dat hij een liefdesrelatie had met [naam 1] en dat hij met haar zou trouwen en zou gaan survivallen in Polen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat [naam 1] vrijwillig met de verdachte zou meegaan en met hem zou trouwen en dat hij zijn plannen dus alleen zou kunnen hebben uitvoeren als hij zich daarbij schuldig zou hebben gemaakt aan een strafbaar feit tegen haar vrijheid, zoals ontvoering, gijzeling of schaking. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde bijlen heeft gekocht en voorhanden heeft gehad met de bedoeling deze te gebruiken bij het plegen van deze aanslag op de vrijheid van [naam 1] en dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van die aanslag.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de ten laste gelegde periode vanuit een psychose inderdaad in de waan verkeerde dat hij een relatie had met [naam 1] , dat hij met haar zou trouwen en dat zij samen zouden gaan survivallen in Polen.
De hypothese van de officier van justitie, dat de verdachte zich erop voorbereidde [naam 1] middels het plegen van een aanslag op haar vrijheid mee te nemen of weg te voeren, al dan niet met de bedoeling om met haar te trouwen, wordt naar het oordeel van de rechtbank echter op geen enkele manier ondersteund door het dossier.
In de eerste plaats heeft de verdachte zelf van meet af aan verklaard dat hij niet van plan was [naam 1] van haar vrijheid te beroven als zij niet met hem wilde trouwen of survivallen. Hij heeft steeds verklaard dat hij in zijn toenmalige wanen helemaal niet stilstond bij de vraag wat er zou gebeuren als [naam 1] niet zou komen opdagen voor de survivaltocht. De komst van [naam 1] naar Polen was iets dat vanuit Defensie zou worden geregeld, meende de verdachte in zijn psychose. De verdachte heeft verklaard dat als de prinses niet zou zijn gekomen, hij het er dan bij zou hebben gelaten en verder zou zijn gegaan met zijn leven.
Over de bijlen die bij de verdachte zijn aangetroffen heeft de verdachte verklaard dat hij deze heeft gekocht in het kader van zijn survivaltocht met [naam 1] , en niet met de bedoeling dat hij deze zou (kunnen) gebruiken om [naam 1] tegen haar zin in mee te nemen. Deze verklaring wordt ondersteund door de omstandigheid dat de verdachte op het moment van aankoop van de bijlen tegen een winkelmedewerker heeft gezegd dat hij met een vrouw naar de Poolse bossen zou gaan en de omstandigheid dat de verdachte de bijlen heeft gekocht als onderdeel van een volledige survivalset, waar ook messen, een matje, kookgerei en voedsel onderdeel van uitmaakten. Ook tegen de psycholoog en psychiater die onderzoek deden naar zijn psyche heeft de verdachte verklaard dat de bijlen essentieel waren voor het survivallen in de wildernis van Polen.
De overige door de officier van justitie naar voren gebrachte omstandigheden, dat de verdachte op een van de bijlen, naast veel andere teksten, ook het woord ‘ [naam 2] ’ heeft gekerfd, dat hij een briefje bij zich droeg met daarop de woorden ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’, dat hij tweemaal bij Paleis Noordeinde is aangetroffen en meermalen verwarde uitlatingen heeft gedaan over (zijn relatie met) het Koninklijk Huis, wijzen er naar het oordeel van de rechtbank op dat de verdachte - vanuit zijn wanen - een fascinatie of obsessie had voor het Koninklijk Huis en [naam 1] en [naam 2] in het bijzonder, maar niet dat de verdachte een aanslag op de vrijheid van [naam 1] aan het voorbereiden was. Naar het oordeel van de rechtbank vertoonde de verdachte in dit kader verward, maar geen strafbaar gedrag. Van het voorbereiden van een ontvoering, gijzeling of schaking is de rechtbank al met al op geen enkele wijze gebleken.
De rechtbank zal de verdachte daarom ook van dit onderdeel - en daarmee integraal - van feit 1 vrijspreken.
Feit 2
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat feit 2 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van
- kortgezegd - een poging tot bedreiging van [naam 1] en [naam 2] , omdat niet is gebleken dat de verdachte het opzet had dat de prinsessen kennis zouden krijgen van de bijlen en het briefje (die ten grondslag liggen aan de verdenking).
Het oordeel van de rechtbank inzake dagvaardingen II, III en IV
De rechtbank acht de feiten op dagvaardingen II, III en IV wettig en overtuigend bewezen.
Dagvaarding II
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2026035237 van de politie eenheid Den Haag (p. 1 t/m 33).
De rechtbank gebruikt als bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 1] , voor zover inhoudende (p. 7):
Op zaterdag 31 januari 2026 omstreeks 14:45 uur was ik, verbalisant, belast met toezicht op een demonstratie in Den Haag. Omstreeks eerdergenoemd tijdstip zag ik, samen met mijn collega's, een man voorbij lopen die later verdachte [verdachte] bleek te zijn. Ik en mijn collega's zagen dat hij zijn rechterarm ophief en hiermee een Hitlergroet maakte. Ik en mijn collega's hoorden de verdachte hierbij driemaal roepen: Sieg Heil. Wij zagen dat de man ons hierbij indringend aankeek. Hierop besloten wij de man aan te houden wegens belediging van ambtenaar in functie, daar wij zeer sterk het gevoel hadden dat wij als politieambtenaren vergeleken werden met Nazi's. Het was op dit moment op deze plek zeer druk, gezien de demonstratie in beweging was en ons op dat moment passeerde.
2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 17 augustus 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 31 januari 2026 Sieg Heil heb geroepen en de Hitlergroet heb gebracht jegens een ambtenaar in functie.
Dagvaarding III
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met registratienummer PL0100-2025340029 van de politie eenheid Den Haag (p. 1 t/m 28).
De rechtbank gebruikt als bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring van feit 1:
1. Het proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 2] , voor zover inhoudende (p. 5 en 6):
Op dinsdag 16 december 2025, omstreeks 09.25, werd ik samen met verbalisant [verbalisant 3] door de meldkamer verzocht te gaan naar [restaurant] , gelegen op het [adres 3] te Harlingen . Aldaar zou een man op de ramen en deuren bonken.
Ik hoorde dat de man ons diverse keren 'kanker politie' en 'kanker mongolen' noemde. Ik zag dat de man ons nadrukkelijk aankeek wanneer hij deze bewoordingen noemde. Ik zag dat in het restaurant nog twee tafeltjes bezet waren. Ik zag dat er aan één tafel twee mannen zaten en aan het andere tafeltje een man met een hondje. Door de beledigende woorden in het bijzijn van derden voelde ik mij in mijn goede naam aangetast.
Ik zag dat de man zijn gezicht naar mij wendde. Ik hoorde vervolgens een spugend geluid uit de richting komen waar de man zat. Ik voelde dat er spuug op mijn gezicht kwam. Ik voelde diverse spetters spuug rondom en in mijn neus en mond. Ik zag dat er ook op mijn borst gespuugd was.
De verdachte die in mijn gezicht had gespuugd bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] .
2. Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 251216-830-656, voor zover inhoudende (p. 9 en 10):
Op dinsdag 16 december 2025, waren wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , belast met de uitvoering van surveillance in de gemeente Harlingen. Wij waren in politie-uniform gekleed en reden elk in een als zodanig herkenbaar politievoertuig.
Op het moment dat [verdachte] ons zag, begon hij ons vol uit te schelden, met name met het woord 'kanker' en 'mongolen'.
Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , luisterden het gesprek tussen de collega's en deze persoon aan. Wij hoorden deze persoon meerdere malen schelden en vloeken naar de collega's en ons. Plotseling draaide de betrokkene zijn gezicht naar rechts, daar waar collega [verbalisant 2] in de deuropening van het hotel stond, en spuugde opzettelijk een dikke fluim in het gezicht van collega [verbalisant 2] .
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, voor zover inhoudende (p. 25):
P: Wat heb je gezegd?V: Kankermongolen en kankerpolitie.
De rechtbank gebruikt als bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring van feit 2:
1. Het proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 6] , voor zover inhoudende (p. 12 en 13):
Ik, verbalisant [verbalisant 6] , was vandaag 16-12-2025 belast met de verzorging van arrestanten op de cellengang van politiebureau Leeuwarden.
Ik zag dat [verdachte] met zijn hoofd een korte beweging maakte van achter naar voren en ik hoorde dat hij spuugde richting mij.
Ik voelde mij erg vies en vernederd door het bespugen door [verdachte] .
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 7] , voor zover inhoudende (p. 14):
Ik was er bij aanwezig toen mijn collega [verbalisant 6] werd bespuugd. Dit gebeurde op 16 december 2025. Wij waren samen om de betreffende verdachte op te halen uit de advocatenkamer waar hij in gesprek was geweest met zijn advocaat. Toen hij eenmaal buiten de ruimte was, richtte hij zich tot mijn collega [verbalisant 6] en spuugde hij in de richting van [verbalisant 6] . Ik hoorde en zag dat de verdachte spuugde naar [verbalisant 6] . Ik hoorde duidelijk een spugend geluid. Ook zag ik een kleine hoeveelheid vloeistof uit zijn mond komen in de richting van [verbalisant 6] .
Dagvaarding IV
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met registratienummer PL0100-2025337796 van de politie eenheid Den Haag (p. 1 t/m 31).
De rechtbank gebruikt als bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , voor zover inhoudende (p. 5):
Op maandag 22 december 2025 omstreeks 12.45 uur werd mijn vrouw gebeld. Dit bleek een medewerker van de politie te zijn. Deze vertelde dat mijn ruit van mijn garage aan de [adres 2] was vernield.
Ik zag dat het raam wat in de rechterdeur zat kapot was. De laatste keer dat ik bij mijn garage was is eind oktober geweest. Ik weet zeker dat het raam toen nog heel was.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , voor zover inhoudende (p. 8):
Op 15 december 2025 verhoorde ik de getuige [getuige] . De getuige verklaarde:
Toen ik bijna bij het huis van mijn vader was zag ik een man staan vloeken en tieren in de [adres 2] . Toen ik ter hoogte van die meneer stond zag ik dat de man zijn hand tegen een raampje sloeg. Ik hoorde het glas breken. Toen zag ik dat hij met een stuk glas alle scherven uit het kozijn haalde. Toen ik weer keek zag ik dat al het glas uit het kozijn was.
3. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 17 augustus 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 15 december 2025 een ruit van een garagedeur in de [adres 2] heb ingeslagen.
Bewijsoverwegingen (dagvaardingen II, III en IV)
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle bij dagvaardingen II, III en IV ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte handelde vanuit een psychose en daarmee geen opzet had op het plegen van de feiten.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat een geestelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat, indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke uitzondering in deze zaken geen sprake. Hieruit volgt dat de verdachte in juridische zin opzet had op het plegen van die feiten.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
dagvaarding II
hij op 31 januari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: Sieg Heil en door de Hitlergroet (nazigroet) te brengen;
dagvaarding III
1.hij op 16 december 2025 te Harlingen, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 2] , agent bij de Eenheid Noord-Nederland, [verbalisant 3] , brigadier bij de Eenheid Noord-Nederland, [verbalisant 4] , brigadier bij de Eenheid Noord-Nederland en [verbalisant 5] , agent bij de eenheid Noord-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd door hun de woorden toe te voegen "Kankerpolitie" en "Kankermongolen" en door die [verbalisant 2] in het gezicht te spugen;
2.hij op 16 december 2025 te Leeuwarden opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 6] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door naar die [verbalisant 6] te spugen;
dagvaarding IV
hij op 15 december 2025 te Harlingen, op de [adres 2] , opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een garagedeur, die een ander, te weten aan [aangever] toebehoorde, heeft vernield.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten op dagvaardingen I en II en ten aanzien van die feiten moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten op dagvaardingen III en IV.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van alle bewezen verklaarde feiten en dat de verdachte daarom ten aanzien van alle feiten moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia-rapport psychologisch en psychiatrisch onderzoek van 6 juni 2026, opgesteld door H.E.W. Koornstra (GZ- psycholoog) en F. Verstraeten (psychiater).
De deskundigen hebben geconcludeerd dat bij de verdachte in de bij dagvaarding I ten laste gelegde periode - 3 tot en met 6 februari 2026 - sprake was van een actieve psychose in het kader van schizofrenie, cannabisgebruik en een autismespectrumstoornis en dat het gedrag van de verdachte in die periode volledig werd gestuurd door zijn psychose.
Hoewel de rapportage is toegespitst op de feiten op dagvaarding I - waarvan de verdachte wordt vrijgesproken - acht de rechtbank de inhoud daarvan ook relevant voor de feiten die de rechtbank wel bewezen acht, die zijn gepleegd op 15 en 16 december 2025 en 31 januari 2026.
De rechtbank overweegt daartoe dat de deskundigen hebben gerapporteerd dat de afgelopen twee jaren voortdurend sprake geweest lijkt te zijn van psychosen bij de verdachte en dat het leven en het functioneren van de verdachte vanaf de scheiding van zijn vrouw (in december 2024) geheel werden bepaald door zijn psychotische waanideeën.
Hoewel uit het rapport volgt dat de verdachte minder te kampen had met psychoses op het moment dat hij was opgenomen en antipsychotische medicatie innam (hetgeen het geval was in de periode van 7 tot en met 11 december 2025), volgt uit het rapport ook dat de verdachte na een opname telkens stopte met het innemen van zijn medicatie.
De deskundigen hebben geconcludeerd dat bij de verdachte sprake was van een zeer overheersend en slechts langzaam dovend toestandsbeeld na zijn aanhouding op 7 februari 2026 en dat de verdachte zowel op 13, 15 en 18 december 2025 als op 27 en 31 januari 2026 gedesoriënteerd gedrag vertoonde en verwarde uitlatingen deed over onder meer het Koninklijk Huis.
Op grond van deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte zich vanaf (in ieder geval) 13 december 2025 in een psychotisch ontregelde toestand bevond en dat het plegen van de bewezen verklaarde feiten voortkwam uit zijn psychose. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte ten tijde van het plegen van die feiten ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank acht de verdachte derhalve niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.
7. Geen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de raadsman betoogd dat aan de verdachte geen straf of maatregel moet worden opgelegd, vanwege de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat aan de verdachte geen straf of maatregel moet worden opgelegd, omdat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten op dagvaarding I en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de overige feiten, terwijl voor die feiten wettelijk gezien geen tbs kan worden opgelegd. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte geen langere straf moet worden opgelegd dan hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank
Geen straf
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belediging van zes agenten en vernieling van een ruit. Dit zijn vervelende feiten, die getuigen van een gebrek aan respect voor de politie en het eigendomsrecht van anderen. De rechtbank overweegt dat dit feiten zijn waarvoor normaal gesproken een geldboete of een taakstraf een passende sanctie zou zijn, maar dat nu de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend aan hem geen straf kan worden opgelegd.
Geen tbs-maatregel
De officier van justitie heeft de tbs-maatregel met dwangverpleging gevorderd. Nu de verdachte integraal zal worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I tenlastegelegde, kan de rechtbank geen tbs-maatregel opleggen.
Een tbs-maatregel kan worden opgelegd aan een verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, indien het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren of meer is gesteld of dat expliciet wordt genoemd in artikel 37a lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.
De rechtbank overweegt dat op de bewezen verklaarde feiten niet een gevangenisstraf van vier jaar of meer staat en dat zij ook niet behoren tot de misdrijven die worden genoemd in artikel 37a lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht. Daarmee is het opleggen van een tbs-maatregel niet mogelijk en zal de rechtbank daartoe niet overgaan.
Geen zorgmachtiging
De rechtbank constateert dat in deze zaak, ondanks herhaalde verzoeken daartoe van de raadsman aan de officier van justitie, geen voorbereidingen zijn getroffen voor de aanvraag om een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De officier van justitie heeft daarover ter terechtzitting naar voren gebracht dat behandeling in het kader van een zorgmachtiging naar haar mening een te kortdurend kader biedt voor de langdurige behandeling die de verdachte nodig heeft en dat een tbs-maatregel wat haar betreft passender is.
Hoewel de rechtbank, op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (hierna: Wfz), ook ambtshalve een zorgmachtiging kan opleggen, ziet zij geen reële mogelijkheid om daartoe in dit geval nog over te gaan. Nu ter zake geen voorbereidingen zijn getroffen in de vorm van het vragen van een medische verklaring aan de geneesheer-directeur en de opstelling van een zorgplan, beschikt de rechtbank niet over de informatie die nodig is om een zorgmachtiging af te geven. In het bijzonder is de rechtbank er niet op toegerust te bepalen welke verplichte zorg in het kader van een zorgmachtiging aan de verdachte moet worden verleend en waar die zorg ook daadwerkelijk kan worden verleend. Daarnaast overweegt de rechtbank dat artikel 2:1 lid 2 van de Wvggz als uitgangspunt stelt dat verplichte zorg alleen kan worden overwogen als uiterste middel, indien er geen mogelijkheden voor vrijwillige zorg meer zijn. Ter terechtzitting heeft de verdachte helder en samenhangend verklaard dat hij graag wil worden behandeld voor zijn psychische problematiek, dat hij al enige tijd vrijwillig medicatie slikt en dat hij merkt dat hij zich daardoor beter voelt. Van zorgweigering is dus op dit moment geen sprake. Daar komt bij dat de verdachte wordt veroordeeld voor feiten van relatief geringe ernst en dat de officier van justitie alsnog via de reguliere (civielrechtelijke) weg een zorgmachtiging kan aanvragen als de situatie dat vereist.
Om deze genoemde redenen ziet de rechtbank op dit moment te weinig aanknopingspunten om op grond van artikel 2.3 van de Wfz ambtshalve een zorgmachtiging af te geven en zal de rechtbank ook hiertoe niet overgaan.
8. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[verbalisant 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, indien de rechtbank de verdachte vrijspreekt van feit 1 op dagvaarding III of hem ontslaat van alle rechtsvervolging. In het geval dat de rechtbank het feit bewezen en de verdachte strafbaar acht, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte ten aanzien van het feit waarop de vordering betrekking heeft zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en aan hem geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
9. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de beslaglijst genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat teruggave van de in beslag genomen goederen moet worden gelast in geval van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging voor de feiten op dagvaarding I.
Het oordeel van de rechtbank
Nu de verdachte van de feiten op dagvaarding I zal worden vrijgesproken zal de rechtbank besluiten tot teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen goederen.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding II, bij dagvaarding III onder 1 en 2 en bij dagvaarding IV ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding II:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
ten aanzien van dagvaarding III, feit 1:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;
ten aanzien van dagvaarding III, feit 2:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
ten aanzien van dagvaarding IV:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
verklaart de verdachte daarvoor niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;
gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerpen, te weten: 2 STK Bijl (Omschrijving: 2026042441-3459292, 2 hakbijlen met leren beschermhoes om ijzer).
Dit vonnis is gewezen door
mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. S.M. Krans, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2026.