RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/707157 / KG ZA 26-652
Vonnis in kort geding van 28 augustus 2026
in de zaak van
AVIENT PROTECTIVE MATERIALS B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Avient,
advocaten: mr. J.C.H. van Manen en mr. A. Heemskerk
tegen
SHANGHAI PORT STAR RIGGING CO. LTD,
te Shanghai, Volksrepubliek China,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Port Star,
advocaten: mr. E.J.C. van Gelderen en mr. E.C. Menkhorst.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 juni 2026,- de producties EP01-EP06 en EP08-EP12 van Avient,
- de op 21 juli 2026 ingediende producties EP13 t/m EP18,
- de op 22 juli 2026 ingediende producties GP06 t/m GP10B,
- de productie EP019 met een proceskostenopgave en specificatie zijdens Avient,
- de proceskostenopgave en specificatie van Port Star,
- de mondelinge behandeling van 24 juli 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van Avient, waarin de randnummers 11 t/m 13 niet zijn gepleit;
- de pleitnota van Port Star.
Op de mondelinge behandeling heeft Avient desgevraagd aangegeven dat productie EP07 gereserveerd was maar uiteindelijk als productie EP10 is overgelegd. In totaal heeft Avient derhalve 18 producties overgelegd.
Nadat partijen hun pleitnotities hadden voorgedragen en de vragen van de voorzieningenrechter hadden beantwoord, is een minnelijke regeling beproefd. Afgesproken werd dat partijen zich op 7 augustus 2026 zouden uitlaten over schikkingsonderhandelingen/
vragen van vonnis. Op die datum heeft gedaagde laten weten dat partijen er onderling niet uit zijn gekomen en is gevraagd om het wijzen van vonnis. Op 9 augustus 2026 heeft de advocaat van Avient, mede namens de advocaten van Port Star, verzocht de zaak alsnog aan te houden tot 14 augustus 2026 16.00 uur. De voorzieningenrechter heeft daarop geantwoord dat een voortgezette (digitale) behandeling in de week daaropvolgend tot de mogelijkheden behoorde en in ieder geval zou kunnen plaatsvinden op 17 augustus 2026 om 14.00 uur. Op 14 augustus 2026 hebben partijen alsnog verzocht vonnis te wijzen. Avient heeft zich ten aanzien van het houden van een voortgezette (digitale) behandeling gerefereerd. Port Star heeft, op basis van de inhoud van de schikkingsonderhandelingen, aangegeven dat een dergelijke behandeling, gelet op de hogere juridische kosten, niet opportuun voorkomt.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. Waar gaat deze zaak over?
Avient biedt kunststof-kettingen aan voor onder meer toepassing in de scheepvaart. Port Star is een voormalige licentiehouder van Avient en biedt eveneens kunststof-kettingen aan voor gebruik in de scheepvaart. Avient beroept zich op een modelrecht op haar kettingen en vordert een verbod. Port Star verweert zich met de stelling dat het modelrecht ongeldig dient te worden verklaard, omdat het model uitsluitend technisch is bepaald. De voorzieningenrechter stelt Avient in het gelijk.
3. De feiten
Avient maakt deel uit van de Avient Corporation, een wereldwijd opererende onderneming op het gebied van gespecialiseerde en duurzame materiaaloplossingen. Binnen Avients portfolio neemt Dyneema® een belangrijke plaats in. Onder dit merk verhandelt Avient polyethylene-vezels met ultrahoog moleculairgewicht (“UHMWPE”). UHMWPE is een licht, slijtvast en hoogwaardig synthetisch materiaal met een zeer gunstige sterkte gewichtsverhouding en hoge slijtvastheid. UHMWPE vezels zijn eind jaren ‘70 door DSM uitgevonden. Deze vezels worden onder meer toegepast in een ketting voor gebruik in de scheepvaartindustrie (de ‘Dyneema-ketting’). Ter illustratie dient de onderstaande afbeelding:
Avient is houdster van twee registraties voor Uniemodellen (samen: de Modellen):
- Uniemodel met registratiedatum 11 juni 2014 onder nummer 002480434-0001, geregistreerd voor textielweefsels in klasse 5. Bij de modelregistratie horen de volgende afbeeldingen (die hierna waar nodig afzonderlijk wordt aangeduid als: Kettingmodel):
- Uniemodel met registratiedatum 11 juni 2014 onder nummer 002480434-0003, geregistreerd voor textielweefsels in klasse 5. Bij de modelregistratie horen de volgende afbeeldingen (die hierna waar nodig afzonderlijk wordt aangeduid als: Schalmmodel):
Port Star is een Chinese onderneming die actief is op het gebied van ontwerp, productie en verkoop van hijs-, sjor- en bevestigingsmaterieel. Port Star was distributeur van de Dyneema-ketting. Zij produceert en verkoopt thans haar eigen kettingen onder de naam ‘SuperLink’.
Port Star biedt haar kettingen (hierna: SuperLink-ketting of, in meervoud, SuperLink-kettingen) aan op de Europese markt. Zij heeft berichten (in het Engels) over haar kettingen geplaatst op haar LinkedIn-pagina. Daarnaast heeft zij haar kettingen gepresenteerd op de Breakbulk Europe beurs in Rotterdam Ahoy die van 16 t/m 18 juni 2026 plaatsvond. Naar aanleiding daarvan heeft Avient verlof gevraagd aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam om beslag te mogen leggen op de kettingen en het bijbehorende promotiemateriaal met afgifte daarvan ter gerechtelijke bewaring. Na verkregen verlof is het beslag gelegd op 16 juni 2026.
Bij brief van 7 juli 2026 heeft Avient Port Star gesommeerd de verhandeling van de kettingen te staken en binnen een week schriftelijk te bevestigen dat zij aan alle in de dagvaarding neergelegde eisen zal voldoen. Port Star heeft daar geen gehoor aan gegeven.
4. Het geschil
Avient vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
1. Port Star te bevelen met onmiddellijke ingang de inbreuk op de Modellen te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder zich te onthouden van het tonen, promoten, aanbieden, verhandelen, in voorraad houden of anderszins gebruiken van de kettingen;
subsidiair:
2. Port Star te verbieden om in Nederland op enigerlei wijze betrokken te zijn bij slaafse nabootsing van de Dyneema®-schalmen en -kettingen;
primair en subsidiair:
3. Port Star te verbieden aan derden mee te delen dat de door haar aangeboden kettingen haar innovatie zijn;
4. Port Star te bevelen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis een volledige en waarheidsgetrouwe verklaring te verstrekken aan de advocaten van Avient, vergezeld van alle relevante documenten ter staving van de juistheid van die verklaring, betreffende:
a. al hetgeen haar bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de kettingen, waaronder maar niet beperkt tot volledige naam/namen en adres/adressen van alle leverancier(s) en eventuele derde(n) die betrokken zijn (geweest) bij inkoop of verhandeling van de kettingen;
b. het totale aantal kettingen dat Port Star heeft geproduceerd of heeft laten produceren of heeft ingekocht;
c. het totale aantal kettingen dat Port Star heeft verkocht of anderszins heeft verhandeld;
d. de totale brutowinst die Port Star heeft behaald met de verhandeling van de kettingen, alsmede een overzicht van kosten die daarop op grond van vaste rechtspraak in mindering mogen worden gebracht ter bepaling van de nettowinst.
5. Port Star te bevelen binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan alle professionele afnemers aan wie Port Star producten heeft verkocht, verhuurd, afgeleverd en/of daartoe heeft aangeboden die vallen onder een van de sub 1 t/m 2 bedoelde verboden, een aangetekende brief te zenden met uitsluitend de navolgende inhoud en zonder bijschrift:
“Dear sir / madam,
The Court of The Hague has ruled that the SuperLink chain(s) we sold you infringe on the intellectual property rights owned by Avient.
We request you to immediately stop offering the SuperLink chain(s and to return all remaining stock to the undersigned.
Yours sincerely,
Shanghai Port Star Rigging Co. Ltd.”
dan wel een brief van zodanige inhoud of vorm als de rechtbank Den Haag in goede justitie zal bepalen, een en ander onder de verplichting om gelijktijdige kopieën van alle te verzenden brieven te verschaffen aan eisers;
6. Port Star te bevelen binnen twee weken na betekening van dit vonnis alle vorenbedoelde producten die nog in voorraad zijn, alsmede alle teruggezonden producten (binnen twee weken na ontvangst hiervan), en voorts alle promotiemiddelen voor die producten toe te zenden aan Avient aan de [adres] [plaats] Nederland, zodat Avient zorg kan dragen voor een milieuvriendelijke vernietiging van die producten dan wel promotiematerialen;
7. Port Star te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,-- per dag dat gedaagde in strijd handelt met de sub 1 tot en met sub 6 gevorderde verboden en bevelen – althans een in goede justitie te bepalen samenstel van genoemde verboden en/of bevelen –, waarbij een gedeelte van een dag voor een gehele dag wordt gerekend, dan wel, ter keuze van Avient, van € 1.000,- per betrokken product;
8. Port Star te veroordelen in de volledige proceskosten van dit geding overeenkomstig artikel 1019h Rv en vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW.
Avient legt aan de vorderingen ten grondslag dat Port Star inbreuk maakt op haar Modellen. De vormgevings-kenmerken van de Modellen zijn in de kettingen van Port Star tot in detail overgenomen. Voor zover er sprake zou zijn van (zichtbare) verschillen, zijn deze slechts van ondergeschikte aard en doen zij geen afbreuk aan de overeenstemmende algemene indruk die bij de geïnformeerde gebruiker wordt gewekt. Ook handelt Port Star onrechtmatig jegens Avient, althans is sprake van onrechtmatige concurrentie, door een ketting aan te bieden die verwarringwekkend overeenstemt met de Dyneema-kettingen (slaafse nabootsing).
Port Star voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
bevoegdheid
Voor zover Avient haar vorderingen heeft gegrond op haar Modellen, is de voorzieningenrechter internationaal (en relatief) bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van artikel 119 lid 1, 120 aanhef en onder a, 121 lid 2, 122 lid 1 en 129 lid 1 en lid 3 UModVo en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen. De bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Europese Unie.
Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op onrechtmatige daad (slaafse nabootsing) is de voorzieningenrechter bevoegd alleen al omdat die bevoegdheid niet is bestreden. Deze bevoegdheid is beperkt tot Nederland.
spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Avient daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Naar vaste rechtspraak is sprake van voldoende spoedeisend belang bij een voortgaande inbreuk op een recht van intellectuele eigendom, zodat Avient in deze procedure voldoende belang heeft bij een voorlopige voorziening. Overigens is de spoedeisendheid niet (voldoende) door Port Star bestreden.
juridisch kader
Een Uniemodel wordt op grond van artikel 5 lid 1 UModVo beschermd indien en voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft. Een ingeschreven Uniemodel wordt, gelet op artikel 6 lid 1 aanhef en onder b UModVo, als nieuw beschouwd indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld vóór de datum van depot. Het publiek bestaat uit ingewijden in de betrokken sector die in de Europese Unie gevestigd zijn. Ingevolge artikel 7 lid 1 aanhef en onder b UModVo wordt een ingeschreven Uniemodel geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die vóór de eerdergenoemde datum voor het publiek beschikbaar zijn gesteld (het vormgevingserfgoed). Een recht op een Uniemodel geldt op grond van artikel 9 lid 1 UModVo niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie worden bepaald.
Om de bescherming te genieten die een Uniemodel krijgt, hoeft de houder of ontwerper van een model naast het feit dat aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter is voldaan, niet aan te tonen dat het model het resultaat is van een minimum aan creatieve activiteit.
De ‘geïnformeerde gebruiker’ ziet op een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector. Deze gebruiker is gepositioneerd tussen de – op het gebied van het merkenrecht gehanteerde – gemiddelde consument, van wie geen enkele specifieke kennis wordt verwacht en die de strijdige merken in de regel niet rechtstreeks vergelijkt, en de vakpersoon met grondige technische deskundigheid. Voor wat betreft het aandachtsniveau van deze geïnformeerde gebruiker betekent dat dat deze weliswaar niet de redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende gemiddelde consument is die een model gewoonlijk als een geheel waarneemt en niet op de verschillende details ervan let, maar dat het evenmin gaat om de vakpersoon die in detail de minieme verschillen die mogelijkerwijs tussen de conflicterende modellen bestaan, kan onderscheiden. Het betreft de gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, de in de betrokken sector bestaande verschillende modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan. Deze regel heeft tot consequentie dat eerder moet worden aangenomen dat het aangevallen model/voortbrengsel een andere algemene indruk wekt; ook detailverschillen moeten immers worden meegewogen.
geldigheid
Voorop staat dat Port Star nadrukkelijk niet de nieuwheid en het eigen karakter van de Modellen betwist. Daarmee staat voorshands vast dat de Modellen nieuw zijn en een eigen karakter hebben.
Het verweer van Port Star is volledig gericht op de techniekexceptie. De vormgeving van met name het Schalmmodel wordt volgens haar gedicteerd door de techniek. Dit geldt voor de gelaagdheid van de windingen van de schalm, die strak op elkaar worden geplaatst voor een grotere dichtheid, flexibiliteit en sterkte alsook voor de (wiskundige) Möbius-draaiing, die verschuiving van bedoelde windingen zou tegengaan en de trekkracht van de schalm tegelijk verder zou versterken. Port Star verwijst in dit verband onder meer naar de Amerikaanse octrooiaanvraag van Avient met nummer 2024/0368833 A1 en Internationale octrooiaanvraag WO 2013/186206 A1 (hierna: WO 206), aangevraagd door de rechtsvoorgangster van Avient, DSM IP Assets B.V. Deze zouden de technische bepaaldheid van de vormgeving bevestigen. De bevestiging van een reeks schalmen in de vorm van een ketting is volgens Avient eveneens louter technisch bepaald zodat ook aan het Kettingmodel geen bescherming kan worden ontleend.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie moet bij de beoordeling of uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie van dat voortbrengsel worden bepaald, nagegaan worden of die functie de enige factor is die bepalend was voor die kenmerken, of dat er andere overwegingen, met name die met betrekking tot het visuele aspect van het voortbrengsel, een rol hebben gespeeld bij de keuze van die kenmerken. In dit verband is niet beslissend of er alternatieve modellen zijn. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met alle relevante, objectieve omstandigheden van het specifieke geval.
Avient ontkent op zich niet dat functionaliteit een belangrijke rol heeft gespeeld, maar stelt, onder verwijzing naar een verklaring van de heer [naam], een van de ontwerpers, dat bij de vormgeving van de Modellen zeker ook sprake is geweest van concrete esthetische ontwerpkeuzes. [naam] legt uit dat bij de opdracht een product van Dyneema-vezels te maken voor lifting, lashing en rigging, het idee ontstond van een vorm die de gebruiker zou doen denken aan zware scheepskettingen. De associatie met een zware ketting, terwijl het product gemaakt is van het zeer lichte Dyneema, moest een verrassings- (‘wow’) effect teweeg brengen, zo verklaart [naam] .
[naam] verklaart dat de afmetingen van de verschillende onderdelen (bandbreedte van het stripmateriaal) esthetisch zijn afgestemd, dat de banden strak over elkaar heen worden gelegd zodat deze aan de zijkant een strakke wand vormen waarbij de keuze is gemaakt die niet af te dichten, en er is aan de zijkanten van de schalmen een verschil in structuur waarneembaar tussen de bovenste en onderste helft van de banden waarbij er mede om esthetische redenen voor gekozen is de draaiing in één van de wangen te plaatsen. Dit heeft, aldus nog steeds Avient, geresulteerd in een mooi minimalistisch product met een coole uitstraling: de schalmen hebben een vloeiend en organisch uiterlijk in combinatie met een strakke, gelaagde structuur, terwijl de draaiing in één van de wangen en de doorlopende lijnen de indruk wekken dat de vorm zich eindeloos voortzet. De draaiing geeft de Modellen – naast extra robuustheid – ook een ‘eigen visuele touch’ aldus [naam] .
Anders dan Port Star aanvoert, blijkt uit de verklaring van [naam] voldoende concreet dat bij het ontwerp aandacht is besteed aan de vormgeving zodat naar voorlopig oordeel aangenomen wordt dat ook andere overwegingen dan louter functionele, namelijk ook die met betrekking tot het visuele aspect, een rol hebben gespeeld bij de keuze van de uiterlijke kenmerken van de Modellen. Hieraan kan niet afdoen dat uit de door Port Star aangehaalde octrooiaanvragen blijkt dat het gebruik van meerdere lagen bij een schalm of ketting leiden tot een schalm of ketting die sterker is dan een schalm of ketting die is gevormd uit een enkele laag. Hetzelfde geldt voor het gebruik in WO 206 van een draaiing van 180º waardoor de verschillende lagen zich gunstiger gedragen wanneer er kracht op de lus komt. Dat de Modellen een technische functie vervullen en dat de vormgeving daarvan mede door die functie wordt verklaard, staat er niet aan in de weg dat bij het ontwerpen keuzes zijn gemaakt die niet uitsluitend door die functie zijn gedicteerd. Alleen als de technische functie de enige factor is die bepalend is voor de vormgeving, kan een beroep op de techniekexceptie slagen. Dat is een hoge drempel die door Port Star niet wordt gehaald.
Daarbij weegt enerzijds mee dat Avient, onder verwijzing naar het als productie EP16 overgelegde (AI) overzicht van alternatief denkbare kettingen van synthetisch materiaal, onbetwist heeft gesteld dat producten met dezelfde technische functie op uiteenlopende wijze kunnen worden vormgegeven. Anderzijds laat de omstandigheid dat Port Star de nieuwheid en het eigen karakter van de Modellen niet heeft bestreden, zich tegelijk moeilijk verenigen met haar stelling dat de beschermde uiterlijke kenmerken daarvan uitsluitend en zonder enige ontwerpkeuze door de techniek zijn bepaald.
De voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat voorshands moet worden aangenomen dat de Modellen niet uitsluitend technisch zijn bepaald en (dus) geldig zijn.
SuperLink-ketting wekt geen andere algemene indruk
Bij beoordeling van de gestelde inbreuk moet het volgende in aanmerking worden genomen. Volgens artikel 11 lid 1 UModVo omvat de beschermingsomvang van een Uniemodel elk model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt. Volgens lid 2 wordt bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model. Bij de vergelijking is het model zoals ingeschreven in beginsel maatgevend voor de beschermingsomvang. Bij de beoordeling van de algemene indruk die door de betreffende modellen wordt gewekt, kunnen de daadwerkelijk verhandelde voortbrengselen in aanmerking worden genomen voor zover dit een bevestiging oplevert van wat uit het model zoals ingeschreven blijkt, dus enkel ter verduidelijking, om al eerder getrokken conclusies te bevestigen. Tussen de beantwoording van de vragen of een model geldig is en wat de beschermingsomvang daarvan is, bestaat in die zin een verband dat, indien vaststaat dat een model geldig is, de beschermingsomvang daarvan (i) afhankelijk is van de afstand die bestaat tussen het model en eerdere soortgelijke modellen, en (ii) ten opzichte van latere modellen niet groter is dan de afstand die bestaat tussen het model en eerdere soortgelijke modellen.
Bij de beoordeling van de beschermingsomvang stelt de voorzieningenrechter voorop dat de inhoud van de inschrijving als geheel - voor de geïnformeerde gebruiker die het register raadpleegt, zoals deze hierboven nader is gedefinieerd in r.o. 5.7 - de algemene indruk bepaalt, en daarmee de beschermingsomvang van het model.
Avient stelt dat Port Star inbreuk maakt op de Modellen, omdat de vormgevingskenmerken van de Modellen tot in detail zijn overgenomen. Avient wijst in dit verband op de volgende kenmerken:
de textiele, weefselachtige en gelaagde structuur,
strakke en capsuleachtige schalmvorm,
de afwerking en onderlinge bevestiging van de schalmen,
de wijze waarop de schalmen zijn gedraaid.
Avient heeft de volgende visuele vergelijking overgelegd van de Modellen met de SuperLink-ketting:
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn alle onder 5.18 genoemde kenmerkende elementen van de Modellen op vrijwel identieke wijze verwerkt in de SuperLink-ketting. Dit maakt dat deze ketting bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekken dan de Modellen. De verschillen in uitvoering van de diverse elementen, waarop Port Star heeft gewezen, kunnen haar niet baten.
Hoewel aan de geïnformeerde gebruiker een hoog aandachtsniveau mag worden toegedicht, hetgeen meebrengt dat de geïnformeerde gebruiker het model niet alleen als geheel waarneemt, maar ook let op details, gaat dat niet zo ver dat sprake is van een minutieuze vergelijking. Port Star heeft zowel de kenmerkende schalm met de draaiing overgenomen, als ook de wijze van bevestiging van de schalmen aan elkaar tot een ketting die een identieke algemene indruk maakt als de Modellen van Avient. Port Star heeft nog opgeworpen dat het patroon van het stiksel afwijkt en dat de hoek van de draaiing minder scherp is, maar dit is dermate ondergeschikt en weinig in het oog springend, dat die aan het voorlopig oordeel niet kunnen afdoen.
De conclusie is dat Port Star met het aanbieden en de verhandeling van de SuperLink-kettingen in de Europese Unie inbreuk maakt op de geregistreerde Uniemodelrechten van Avient.
slaafse nabootsing
Nu de vorderingen reeds grotendeels op de primaire grondslag worden toegewezen, komt de voorzieningenrechter aan beoordeling van de subsidiair opgeworpen grondslag niet toe.
slotsom en overige vorderingen
Het onder 1. door Avient gevorderde inbreukverbod zal ter verduidelijking worden beperkt tot handelingen in de Europese Unie. Ter voorkoming van executiegeschillen zal worden bepaald dat het verbod ingaat na betekening van dit vonnis.
Het onder 2. gevorderde verbod wordt afgewezen nu aan de beoordeling van de grondslag daarvan niet wordt toegekomen.
De vordering van Avient onder 3. wordt afgewezen nu Avient ter zake niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Voor zover de onderbouwing voor deze vordering gevonden moet worden in de paragrafen 66 t/m 69 van haar pleitnotitie, wordt daaraan als tardief voorbij gegaan nu hierover in de dagvaarding niets is gesteld.
De onder 4. gevorderde opgave wordt toegewezen als na te melden. Voor toewijzing van onderdeel d. ontbreekt een spoedeisend belang.
De vordering tot verzending van een brief aan afnemers (vordering onder 5. van Avient, een zogenaamde ‘recall’) zal worden afgewezen, aangezien Port Star onbestreden heeft aangevoerd dat zij geen enkele PortLink-ketting aan een in de Europese Unie gevestigde klant heeft verkocht. Avient heeft gelet daarop onvoldoende (spoedeisend) belang. De onder 6. gevorderde vernietiging wordt om dezelfde reden afgewezen.
De gevorderde dwangsommen zullen worden beperkt en gemaximeerd zoals nader bepaald in het dictum.
proceskosten
Port Star zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Avient. Avient maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv.
Avient heeft haar advocaatkosten gespecificeerd tot een totaalbedrag van € 23.223,57 en haar vordering ter zitting beperkt tot € 18.000,-. Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 februari 2026). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Onderhavige zaak valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder de categorie ‘normale zaak’ met een maximumtarief van € 18.000,-. Omdat Avient haar advocaatkosten tot dit bedrag heeft beperkt zullen zij daarom op € 18.000,- worden begroot. Dit bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van € 735,- en de kosten van de dagvaarding van € 125,57; waarmee het bedrag tot zover uitkomt op € 18.860,57.
Nakosten behoren tot de proceskosten. De nakosten worden altijd toegewezen, ook als deze niet expliciet zijn gevorderd. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2026 een bedrag van € 189 zonder betekening). Dit bedrag wordt onvoorwaardelijk toegewezen, waarmee het totaalbedrag aan door Port Star te betalen proceskosten wordt begroot op € 19.049,57. In geval van betekening wordt een extra component aan salaris (per 1 februari 2026 een bedrag van € 98 extra) en de explootkosten van betekening toegekend. Deze kosten worden voorwaardelijk toegekend, te weten als de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen op de wijze zoals vermeld in de beslissing.
Port Star heeft nog verzocht het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit verzoek wordt afgewezen omdat het belang van Avient die de uitvoerbaarheid bij voorraad vordert, zwaarder weegt dan het belang van Port Star bij behoud van de bestaande toestand totdat de uitspraak kracht van gewijsde heeft of op een eventueel rechtsmiddel is beslist.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
beveelt Port Star met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de Modellen in de Europese Unie te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, in voorraad houden of anderszins gebruiken van een voortbrengsel waarin de Modellen zijn verwerkt of waarop de Modellen worden toegepast, waaronder de SuperLink-ketting;
beveelt Port Star binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis een volledige en waarheidsgetrouwe verklaring te verstrekken aan de advocaten van Avient, vergezeld van alle relevante documenten ter staving van de juistheid van die verklaring, betreffende:
a. al hetgeen Port Star bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de inbreukmakende kettingen, waaronder maar niet beperkt tot volledige naam/namen en adres/adressen van alle leverancier(s) en eventuele derde(n) die betrokken zijn (geweest) bij inkoop of verhandeling van de inbreukmakende kettingen in de Europese Unie;
het totale aantal inbreukmakende kettingen dat Port Star heeft geproduceerd of heeft laten produceren of heeft ingekocht in de Europese Unie;
het totale aantal inbreukmakende kettingen dat Port Star heeft verkocht of anderszins verhandeld in de Europese Unie;
veroordeelt Port Star tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,- per dag dat zij in strijd handelt met de onder 6.1 en 6.2 gegeven bevelen (een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend), dan wel, ter keuze van Avient, van € 1.000,- per in strijd met het bevel onder 6.1 verkochte product, alles tot een maximum is bereikt van € 250.000,-;
veroordeelt Port Star in de proceskosten, aan de zijde van Avient tot op heden begroot op € 19.049,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als Port Star niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis wordt betekend;
veroordeelt Port Star in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, tot de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.Th. van Walderveen en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.