RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2026 in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/13928 ( [verzoeker] ) en AWB 26/13930 ( [verzoekster] )
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] en [verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekers,( gemachtigde: S. Nabokov),
en
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzingen van de aanvragen van verzoekers om in Nederland te verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Verzoekers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en maakt een belangenafweging. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekers hebben de Oekraïense nationaliteit. Verzoekers hebben een aanvraag ingediend om in Nederland te verblijven onder de RTB. Eerder in 2025 verbleven verzoekers in Slowakije onder de RTB.
3. Met de besluiten van 13 augustus 2026 heeft de minister de aanvragen van verzoekers afgewezen.
4. Verzoekers hebben op 14 augustus 2026 bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, kort gezegd inhoudend dat zij behandeld worden alsof ze rechtmatig verblijf hebben onder de RTB zodat zij in de gemeentelijke opvang kunnen blijven.
5. De minister heeft op 20 augustus 2026 2026 een verweerschrift ingediend.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Uitspraak artikel 8:83, vierde lid van de Awb
6. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk, als onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen zijn geschaad. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om partijen niet uit te nodigen voor een zitting, gelet op het feit dat verzoekers al sinds 17 augustus 2026 geen opvangvoorzieningen meer hebben. Partijen worden hierdoor niet in hun belangen geschaad. Verzoekers hebben de gronden van hun verzoeken immers naar voren kunnen brengen en de minister heeft daarop gereageerd. De voorzieningenrechter sluit daarom het onderzoek.
Het toetsingskader
7. Op 27 februari 2025 heeft het Hof van Justitie in het arrest Krasivila het volgende overwogen: “Het staat de autoriteiten van een lidstaat evenwel vrij om in het kader van de behandeling van een dergelijke aanvraag na te gaan of de personen die een verblijfstitel als bedoeld in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2001/55 aanvragen, behoren tot de in artikel 2 van uitvoeringsbesluit 2022/382 bedoelde categorieën van personen en tijdelijke bescherming genieten, en of zij reeds een verblijfstitel in een andere lidstaat hebben verkregen”.
8. In het Uitvoeringsbesluit (EU) 2025/1460 van de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2025 is in punt vier het volgende neergelegd: “Aangezien een persoon slechts in één lidstaat tegelijk de aan tijdelijke bescherming verbonden rechten kan genieten, moeten de lidstaten, om ervoor te zorgen dat dat beginsel wordt geëerbiedigd en om meerdere registraties voor tijdelijke bescherming te voorkomen, verzoeken om een verblijfsvergunning op basis van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2001/55/EG afwijzen wanneer duidelijk is dat de betrokken persoon op die basis reeds een verblijfsvergunning in een andere lidstaat heeft verkregen. Dat zou in overeenstemming zijn met het arrest van het Hof van Justitie van 27 februari 2025 in zaak C-753/23 en met name met punt 30 daarvan”.
9. In het Informatiebericht (IB) 2026/20 van 15 juni 2026 is het volgende neergelegd: “De opvang zit vol en tegelijkertijd zijn er signalen dat ontheemden in meerdere lidstaten staan geregistreerd voor tijdelijke bescherming. Dat is niet de bedoeling en ondermijnt het draagvlak voor opvang van ontheemden. De IND gaat daarom, in opdracht van de Minister van Asiel en Migratie, personen weigeren die reeds elders in de EU tijdelijke bescherming hebben gekregen. (…) RTB-aanvragen van personen die op het moment van toetsen al tijdelijke bescherming hebben gekregen in een andere lidstaat worden afgewezen. Het is daarbij irrelevant of de tijdelijke beschermingsstatus nog actueel is;”.
Het standpunt van partijen
10. De minister heeft in zijn besluiten overwogen dat verzoekers geen aanspraak kunnen maken op bescherming op grond van de RTB in Nederland, omdat zij in een andere lidstaat bescherming onder de RTB hebben of in een andere lidstaat bescherming onder de RTB hebben gehad. Uit de verklaringen van verzoekers blijkt namelijk dat zij sinds 10 oktober 2025 tijdelijke bescherming hebben Slowakije. Verzoekers waren in de gelegenheid gegevens te verstrekken dat de tijdelijke bescherming niet meer actief is. Daarnaast blijkt uit het Temporary Protection Platform (TPP) dat verzoekster sinds 22 oktober 2022 tijdelijke bescherming heeft gehad in Duitsland. De minister heeft hierbij overwogen dat de Nederlandse overheid (op grond van punt 4 van het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 en artikel 8, eerste lid, van de RTB) heeft besloten dat personen die op of na 15 juni 2026 tijdelijke bescherming in Nederland aanvragen en in een andere lidstaat tijdelijke bescherming hebben of hebben gehad niet in aanmerking komen voor verblijfsrecht onder de RTB in Nederland.
11. Verzoekers hebben, samengevat, naar voren gebracht dat de minister niet heeft onderzocht of zij in Slowakije nog wel bescherming hebben. Nu de minister dit niet heeft gedaan, kan hij zich niet op het standpunt stellen dat verzoekers bescherming genieten in Slowakije. Volgens verzoekers is dat ook niet het geval. Bovendien heeft verzoekster tijdelijke bescherming in Nederland gehad sinds 4 maart 2022 onder V-nummer [V-nummer] . Bij brief van 16 februari 2023 was de tijdelijke bescherming ook verlengd en was verzoekster ingeschreven in de BRP. Volgens verzoekster dient haar aanvraag te worden aangemerkt om voortzetting van de bescherming die zij eerder had genoten.
Het oordeel van de rechtbank
12. De rechtbank overweegt als volgt. In de Werkinstructie (WI) 2025/63 heeft de minister het volgende opgenomen:
“De lidstaten zijn overeengekomen dat een tijdelijk beschermde niet wordt teruggestuurd naar een lidstaat van een eerder verblijf. Dit betekent dat als een ander EU-land al tijdelijke bescherming heeft verleend maar de ontheemde besluit zich toch in Nederland te vestigen, hij niet hoeft terug te keren naar het land dat hem tijdelijke bescherming heeft verleend.
Nederland zal dan zijn eigen beoordeling van de RTB moeten doen. Dat een ander land de ontheemde tijdelijke bescherming heeft gegeven, betekent niet dat Nederland dit ook moet doen. Als de tijdelijke bescherming wel wordt gegeven, zal het andere EU-land de tijdelijke bescherming moeten beëindigen. Een ontheemde kan dus maar in één lidstaat op een specifiek moment tijdelijke bescherming hebben.”
Deze WI is op dit moment nog steeds van kracht, naast het nieuwe IB 2026/20, zoals hiervoor geciteerd. De rechtbank stelt vast dat deze overweging uit de WI tegenstrijdig is aan het standpunt van de minister dat is gebaseerd op het IB, inhoudende dat de RTB-aanvraag van een persoon die in een andere lidstaat tijdelijke bescherming heeft of heeft gehad wordt afgewezen. Hierdoor bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onduidelijkheid over de consequentie van het naast elkaar bestaan van de WI en het IB.
13. Daarnaast leest de voorzieningenrechter in het IB 2026/6 dat bij het afwijzen van RTB-aanvragen van personen die op het moment van toetsen al tijdelijke bescherming hebben gekregen in een andere lidstaat het irrelevant is of de tijdelijke beschermingsstatus nog actueel is. De voorzieningenrechter leest in het arrest Krasivila, noch in het Uitvoeringsbesluit, terug dat de vraag of verzoekster elders de aan de tijdelijke bescherming verbonden rechten kan genieten irrelevant is. Uit dit arrest en het Uitvoeringsbesluit komt met name naar voren dat het niet de bedoeling is dat er in twee lidstaten gelijktijdig bescherming wordt genoten. Maar het arrest en het Uitvoeringsbesluit lijken zich er niet tegen te verzetten dat een ontheemde eerst in de ene lidstaat bescherming geniet, deze bescherming eindigt, en de ontheemde vervolgens in een andere lidstaat bescherming verkrijgt. Daarbij komt dat onduidelijk is of verzoekers nog wel tijdelijke bescherming hebben in Slowakije.
14. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van verzoekers uitvalt. Het belang van verzoekers is er in gelegen dat zij opnieuw de opvangvoorzieningen krijgen die zij tot 17 augustus 2026 hebben gekregen. Het belang van de minister is erin gelegen dat alleen personen die recht hebben op RTB-bescherming gebruik kunnen maken van de gemeentelijke opvang. Verzoekers zouden volgens de minister asielaanvragen kunnen indienen en zich kunnen melden in Ter Apel, waar zij dan ook opvang zullen krijgen. De voorzieningenrechter erkent het belang van de minister om de beperkte opvangcapaciteiten zo efficiënt mogelijk te benutten voor degenen die recht hebben op die opvang. Daar tegenover staat echter dat de rechtmatigheid van de besluiten nog niet vaststaat en dat het voor verzoekers ingrijpende gevolgen heeft als hun verzoeken worden afgewezen. Daarbij komt dat er zowel in de gemeentelijke opvang voor RTB-beschermden als in de opvang voor “reguliere” asielzoekers tekorten bestaan.
15. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding de verzoeken toe te wijzen en te bepalen dat verzoekers dienen te worden behandeld als vreemdelingen die onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG vallen.
Conclusie en gevolgen
16. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft in beide zaken de voorlopige voorziening dat verzoekers dienen te worden behandeld als vreemdelingen die onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt, tot twee weken na de dag dat de besluiten op bezwaar bekendgemaakt worden.
17. Er bestaat in dit geval aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoeker en verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft de verzoekschriften ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter
Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2026 door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. S.S. Mazaheri, griffier.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 20 augustus 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.