[verzoekster 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , verzoekster
[verzoeker 1] , V-nummer: [v-nummer 2] , verzoeker
[verzoekster 2] , V-nummer: [v-nummer 3] , verzoekster
[verzoeker 2] , V-nummer: [v-nummer 4] , verzoeker
[verzoeker 3] , V-nummer: [v-nummer 5] , verzoeker
samen: verzoekers
(gemachtigde: mr. K.J. Kerdel),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekers om een veroordeling van verweerder in de proceskosten en vergoeding van de kosten van het op kosten van verzoekers verrichte DNA-onderzoek. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun beroep tegen het besluit van de minister van 3 december 2025 waarin hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) is afgewezen. Zij hebben het beroep ingetrokken omdat verweerder op 1 juli 2026 dit besluit heeft vervangen door een nieuw besluit waarin hun aanvraag is ingewilligd.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek. De minister heeft de rechtbank meegedeeld dat er volgens hem geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van de kosten voor het DNA-onderzoek.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling en vergoeding van de kosten voor het DNA-onderzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Verzoek om proceskostenveroordeling
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoekers is tegemoetgekomen.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat van tegemoetkomen alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Van tegemoetkomen is geen sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt op andere gronden dan door de indiener aangevoerd of vanwege gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de intrekking van het beroep het gevolg is van nadien door verzoekers verstrekte informatie, namelijk de resultaten van het DNA-onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond hiervan niet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit onrechtmatig is en is er geen sprake van tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekers. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af.
Verzoek om vergoeding van de kosten voor het DNA-onderzoek
4. De rechtbank overweegt dat is gesteld noch gebleken op grond van welke wet- of regelgeving verweerder gehouden zou zijn om de kosten voor het op kosten van verzoekers verrichte DNA-onderzoek te vergoeden. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van de kosten voor het DNA-onderzoek af.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af;
- wijst het verzoek om vergoeding van het op kosten van verzoekers verrichte DNA-onderzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.