RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10985
geboren op [datum],
van Eritrese nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
(gemachtigde: M.J.C. van der Woning).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 28 maart 2023 een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (referente) in het kader van nareis.
De minister heeft de aanvraag met het primaire besluit van 22 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 januari 2026 op het bezwaar van eiser, is de minister bij de afwijzing gebleven. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft een behandeling van de zaak met toepassing van artikel 8:57 van de Awb achterwege gelaten, omdat eiser geen gronden van beroep heeft ingediend. Het onderzoek is gesloten op 21 augustus 2026.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep.
Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: aangeven op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit staat in de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft ingediend. Deze zijn niet vermeld in het beroepschrift van 26 februari 2026. De rechtbank heeft eiser bij brief van 27 februari 2026 verzocht om dit verzuim binnen een maand te herstellen. Daarbij is medegedeeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, als het verzuim niet wordt hersteld. De rechtbank heeft eiser bij brief van 31 maart 2026 gerappelleerd en nader in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 7 april 2026 beroepsgronden in te dienen. Eiser heeft binnen de geboden termijnen geen beroepsgronden ingediend. De rechtbank is niet gebleken van een verschoonbare reden voor dit verzuim. Daartoe acht de rechtbank de reactie van de gemachtigde dat zij hiervoor wel een persoonlijke, maar geen professionele uitleg kan geven, onvoldoende. Evenmin volgt de rechtbank de gemachtigde van eiser in haar reactie dat de planning van de zaak op zitting een inhoudelijke behandeling suggereert. De zaak is namelijk gepland gedurende het geboden herstelverzuim in de veronderstelling dat namens eiser beroepsgronden ingediend zouden worden. Nu deze ontbreken, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijk beoordeling van het beroep. De rechtbank ziet om die reden ook geen aanleiding om de zaak aan te houden vanwege de gestelde aanstaande bevalling van referente.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.