RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9680
geboren op [datum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw., Eiser is het hier niet mee eens en heeft daartoe beroepsgronden aangevoerd. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming niet geheel in overeenstemming is met de Werkinstructie (WI) 2019/17, maar dat de minister dit met een aanvullende motivering op zitting heeft hersteld. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Dat betekent dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het bestreden besluit van 16 februari 2026 heeft de minister deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is een eerder terugkeerbesluit herhaald en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 24 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Voorafgaand aan het bestreden besluit
3. Eiser heeft eerder op 14 oktober 2021 asiel aangevraagd in Nederland en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij te vrezen heeft voor de Islamitische Staat (IS) en de groep Alhasad Alshabi. Bij besluit van 23 maart 2022 is de aanvraag afgewezen. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Nadien is bij besluit van 21 april 2022 aan eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend en is het terugkeerbesluit ingetrokken. Bij uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 27 oktober 2022 is eisers beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard. Vervolgens is bij besluit van 23 december 2023 het bezwaar tegen de weigering van het verlenen van uitstel van vertrek ongegrond verklaard en is aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd. Niet gebleken is dat eiser hiertegen beroep heeft ingesteld.
Eiser heeft op 26 november 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Irak te vrezen heeft, omdat hij homoseksueel geaard is en afvallig is van het islamitische geloof. Ter onderbouwing is een verklaring overgelegd van de partner van eiser, [naam]. Ook zijn foto’s overgelegd van hen beiden, van activiteiten in Nederland en kopieën van dreigberichten van familieleden. Eiser heeft verklaard dat hij op Snapchat en Tiktok zijn geaardheid heeft gedeeld en nadien dreigberichten heeft ontvangen. Verder heeft eiser een kopie van een Whatsapp-geschiedenis met zijn partner overgelegd en stukken van het COC, waaronder een ledenpas.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende motieven:
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
afvalligheid;
homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister heeft het eerste en tweede motief geloofwaardig geacht, maar niet zwaarwegend. Het derde motief heeft de minister niet geloofwaardig geacht. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister heeft eiser niet inzichtelijk verklaard over zijn gevoelens, bewustwording, proces van acceptatie en het ontstaan van zijn relatie met zijn gestelde partner in Nederland. Verder heeft eiser nauwelijks kennis over de situatie voor LHBTI’s in Irak en Nederland en zijn eisers verklaringen over dreigementen vaag en ongerijmd. Daarnaast heeft de minister gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft vanwege zijn afvalligheid, omdat eiser heeft verklaard dat hij zich in het verleden ook niet altijd aan religieuze verplichtingen hield en toen geen problemen heeft ondervonden. Ook zet eiser zich niet publiekelijk af tegen de religieuze gebruiken. Volgens de minister blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht inzake Irak van november 2023, dat de Iraakse maatschappij seculariseert, zodat ook daaruit niet volgt dat eiser te vrezen heeft. De minister concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of een reel risico loopt op ernstige schade. De asielaanvraag is daarom afgewezen. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat het een opvolgende asielaanvraag betreft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Vaststelling van de asielmotieven
5. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de minister de seksuele geaardheid en de hieruit voortvloeiende problemen ten onrechte niet heeft aangemerkt als twee aparte asielmotieven. Volgens eiser is daarom al sprake van een motiveringsgebrek. Ter onderbouwing is gewezen op een uitspraak van deze rechtbank van 10 maart 2026.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de gestelde geaardheid en de hieruit voortvloeiende problemen in de besluitvorming ook los van elkaar zijn beoordeeld en dat daarbij is betrokken wat eiser heeft aangevoerd. De rechtbank overweegt verder dat eiser, anders dan de vreemdeling in de uitspraak waar hij naar verwijst, niet heeft verklaard over problemen vanwege zijn gestelde geaardheid voor zijn vertrek uit het land van herkomst. De minister heeft daarom niet ten onrechte de gestelde geaardheid en de hierdoor gestelde problemen in Nederland als één asielmotief beoordeeld. Dit geldt temeer nu eiser niet eerder heeft gesteld dat de asielmotieven volgens hem niet goed zijn vastgesteld, in weerwil van zijn samenwerkingsplicht.
Beoordeling conform WI 2019/17
6. Eiser heeft verder aangevoerd dat de beoordeling van zijn seksuele geaardheid in strijd is met de Werkinstructie (WI) 2019/17.
De rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de gestelde seksuele geaardheid in de besluitvorming de WI 2019/17 toepaste. Op grond van deze gedragslijn ligt in de beoordeling het zwaartepunt op de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling, wat zijn seksuele geaardheid voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst en hoe zijn ervaringen in het algemene beeld passen. Hierbij wordt rekening gehouden met het referentiekader van de vreemdeling en worden verklaringen van derden betrokken. Het is aan de vreemdeling om de gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de besluitvorming niet in overeenstemming is met de WI 2019/17. Eiser heeft ter onderbouwing stukken overgelegd, waaronder een verklaring van zijn gestelde partner en stukken die zien op deelname aan activiteiten van het COC. De minister heeft deze stukken niet kenbaar betrokken in de besluitvorming, hetgeen namens de minister ter zitting ook is erkend. Al om deze reden is sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is in zoverre gegrond en het besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. De minister is op zitting namelijk gemotiveerd ingegaan op de overgelegde stukken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt en bespreekt daarbij de beroepsgronden van eiser.
Geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid
7. Eiser stelt dat hij binnen zijn sociale en culturele referentiekader, voldoende authentiek en inzichtelijk heeft verklaard. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met eisers vermogen om gevoelens onder woorden te brengen en heeft een westers, analytisch en sterk psychologisch verwachtingspatroon toegepast. Volgens eiser heeft hij niet in algemene termen, maar concreet en persoonlijk verklaard over zijn bewustwording en acceptatie van zijn seksualiteit in Irak. In de correcties en aanvullingen is verduidelijkt dat hij zijn geaardheid in Irak heeft geaccepteerd, maar zijn gevoelens pas in Nederland durfde te uiten. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser is opgegroeid in een samenleving waar homoseksualiteit onaanvaardbaar is, waardoor hij moeite heeft om openlijk te spreken over zijn gevoelens. Eiser meent ook dat hij voldoende inzichtelijk heeft verklaard over zijn relatie in Nederland. Als hierover onduidelijkheid bestond had de minister nadere vragen moeten stellen op grond van artikel 3.113 van het Vb. Volgens eiser kan niet worden tegengeworpen dat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in het tijdsverloop tussen de eerste ontmoeting en de vervolgafspraak met zijn partner. Dat er volgens eiser een taalbarrière bestond, betekent niet dat er tussen hem en zijn partner geen emotionele band kon ontstaan. Eiser heeft verklaard over de ontwikkeling van zijn gevoelens, dat hij zich veilig voelde bij zijn partner, dat hij de intenties van zijn partner wilde begrijpen en dat hun band zich ontwikkelde van aantrekkingskracht naar liefde. De verklaring van eiser dat het gevoel uit zijn hart kwam, maakt zijn verklaringen niet ongeloofwaardig. Verder staat volgens eiser vast dat hij kennis heeft van LHBTI in Irak. Dat hij weinig voorkennis had over Nederland kan hem niet worden tegengeworpen, omdat hij hier naartoe is gesmokkeld.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers gestelde seksuele geaardheid, in samenhang bezien, niet geloofwaardig heeft mogen achten. De rechtbank volgt het standpunt van de minister op zitting dat de overgelegde stukken de gestelde seksuele geaardheid niet aannemelijk maken, omdat deze naar inhoud van algemene aard zijn en de relatie en geaardheid niet inzichtelijk maken, terwijl eisers verklaringen niet overtuigend zijn. Daartoe heeft de minister in de besluitvorming mogen stellen dat eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn, omdat eiser niet inzichtelijk heeft verklaard over de bewustwording en acceptatie van zijn gestelde geaardheid. De minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser niet inzichtelijk heeft verklaard over hoe hij achter zijn geaardheid kwam en wat dit voor hem betekende. Eiser heeft algemeen verklaard dat dit een innerlijk gevoel was en dat hij zich aangetrokken voelde tot mannen, maar hij heeft dit onvoldoende nader toegelicht. Ook heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot acceptatie is gekomen. Eiser heeft in eerste instantie verklaard dat hij zijn geaardheid in Nederland heeft geaccepteerd en in Irak met zijn gevoelens worstelde, maar heeft in de correcties en aanvullingen gesteld dat hij de geaardheid in Irak rond zijn 18e heeft geaccepteerd. Eiser heeft dat in de gronden van beroep herhaald maar heeft de acceptatie niet nader toegelicht in het kader van zijn verklaringen dat hij in Irak depressie en angst ervoer, en wat deze acceptatie voor hem betekende. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat de minister een westers, analytisch en sterk psychologisch verwachtingspatroon heeft toegepast. De minister heeft van eiser mogen verwachten dat hij meer inzichtelijk kan verklaren, omdat hij is opgegroeid in een samenleving waar homoseksualiteit onaanvaardbaar wordt geacht. De rechtbank volgt eiser niet in de enkele stelling dat hij daardoor meer moeite heeft om openlijk te spreken over zijn gevoelens. Daartoe heeft de minister op zitting mogen stellen dat eiser al een lange periode (5 jaar) in Nederland verblijft en heeft verklaard dat hij zijn geaardheid volledig heeft geaccepteerd. Bovendien stelt eiser dat deze acceptatie begon rond 2014.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat eiser weinig kennis heeft van de situatie van LHBTI’ers in Irak, omdat hij niet weet of dit wettelijk strafbaar is en geen onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van belangenorganisaties. Ook heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn relatie met een Turkse partner tot stand is gekomen, nu eiser enerzijds heeft verklaard dat er gesprekken waren en anderzijds dat sprake was van een taalbarrière. Eiser heeft hier niet concreet over verklaard. De enkele stellingen dat hij zich veilig voelde, de intenties van zijn partner wilde begrijpen en dat hun band zich ontwikkelde van aantrekkingskracht naar liefde, laat dit onverlet. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier voldoende naar is gevraagd en volgt hem niet in de andersluidende stelling en verwijzing naar artikel 3.113 van het Vb. In de besluitvorming is verder het referentiekader van eiser aangegeven, waarmee de minister rekening heeft gehouden. De rechtbank volgt eiser, mede gelet op het voorgaande, niet in de enkele stelling dat dit onvoldoende is geweest. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat hij onvermogend is om meer inzichtelijk en concreet te verklaren over zijn gedachten, gevoelens en de totstandkoming van de relatie.
Problemen vanwege de gestelde geaardheid
8. Eiser heeft ook aangevoerd dat de minister de problemen vanwege zijn geaardheid ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Eiser is in Nederland bedreigd nadat hij via Snapchat openbare foto’s heeft gedeeld en op TikTok in livestreams heeft aangegeven dat hij homoseksueel is. Door familieleden is hij nadien uitgescholden en bedreigd. Dat eiser geen screenshots heeft overgelegd ter onderbouwing van de gedeelde content kan niet worden tegengeworpen, omdat livestreams tijdelijk van aard zijn. Eiser heeft wel screenshots overgelegd van dreigberichten, afkomstig van familieleden en heeft uitgelegd van wie deze afkomstig zijn. Dat eiser niet heeft onderbouwd van wie deze berichten afkomstig zijn is daarom feitelijk onjuist.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser geenszins heeft onderbouwd dat hij online zijn gestelde geaardheid bekend heeft gemaakt. De rechtbank volgt eiser niet in de enkele stelling dat onderbouwing hiervan onmogelijk is. Evenmin heeft eiser onderbouwd van wie de dreigberichten afkomstig zijn. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat uit de overgelegde screenshots enkel een Iraaks telefoonnummer blijkt, maar niet van wie de berichten afkomstig zijn of wat de aanleiding daarvoor was. De minister heeft de verklaringen van eiser in dat verband niet aannemelijk mogen achten, omdat de inhoud van het enkele vertaalde dreigbericht van algemene aard is. Daarom zijn de verklaringen van eiser, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende.
Zwaarwegendheid van afvalligheid
9. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat hij te vrezen heeft vanwege zijn afvalligheid. Dat hij in Irak eerder niet structureel deelnam aan religieuze verplichtingen zonder problemen te ondervinden, betekent niet dat bij terugkeer geen reëel risico bestaat. De minister stelt ten onrechte dat eiser zijn afvalligheid niet wil uiten. De minister heeft miskend dat eiser heeft verklaard dat hij zijn afvalligheid bewust en openlijk wil uitdragen, door zijn (niet-praktiserende) levenswijze niet langer aan te passen uit angst voor zijn omgeving. Daarmee verschilt zijn situatie wezenlijk van de situatie voor zijn vertrek uit Irak. Eiser vreest voor zijn familie en sociale context, waarin afvalligheid kan leiden tot ernstige sociale repercussies, uitsluiting en geweld uit de directe omgeving. Volgens eiser is de verwijzing naar het Ambtsbericht over Irak van november 2023 onvoldoende. Dat sprake is van toenemende secularisering in de Iraakse maatschappij, betekent niet dat afvalligheid geaccepteerd is of geen risico's meer oplevert. Ook kan de minister de beoordeling van de afvalligheid niet koppelen aan de niet geloofwaardige geachte seksuele geaardheid, omdat eiser zelfstandig heeft verklaard dat hij de islam heeft verlaten.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat afvalligheid als apart asielmotief is aangemerkt en zelfstandig is beoordeeld, anders dan eiser meent. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn afvalligheid van de islam. Daartoe heeft de minister mogen betrekken dat eiser eerder in Irak ook niet structureel deelnam aan religieuze verplichtingen. Eiser heeft niet verklaard dat hij toen geconfronteerd is met ernstige schade, maar slechts dat hij is aangesproken. De rechtbank volgt eiser niet in de enkele stelling dat zijn situatie bij terugkeer wezenlijk zal verschillen, nu eiser heeft verklaard dat hij zijn afvalligheid niet openlijk zal uiten, anders dan het niet-praktiseren. De minister heeft op algemene landeninformatie kunnen wijzen dat de Iraakse maatschappij in toenemende mate seculariseert, waaruit niet volgt dat eiser op voorhand een reëel risico loopt. Eiser heeft deze informatie niet weerlegd, of anderszins aannemelijk gemaakt dat sprake is van substantiële gronden waaruit volgt dat hij een reëel risico loopt.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb, gelet op wat is overwogen onder 6.2. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, gelet op wat is overwogen onder 6.3 tot en met 9.1. Dat betekent dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser in stand blijft. De minister heeft daarbij het eerder opgelegde terugkeerbesluit kunnen herhalen en heeft daarom aan eiser een inreisverbod mogen opleggen. De rechtbank stelt hierbij vast dat het terugkeerbesluit dateert van 23 december 2022 en dat sprake is van een kennelijke verschrijving in het tot het bestreden besluit behorende voornemen.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.