RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9681
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 16 februari 2026 heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van verzoeker afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is een eerder opgelegd terugkeerbesluit herhaald en is aan verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 augustus 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep van verzoeker. Verzoeker is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende beroep van verzoeker, en dat beroep gegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om deze reden af.
3. Omdat het samenhangende beroep gegrond is verklaard, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.