RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/697557 / HA ZA 26-068
Vonnis bij vervroeging van 12 augustus 2026
in de zaak van
MSC MEDITERRANEAN SHIPPING COMPANY S.A te Genève (Zwitserland),
eiser tot verificatie,
hierna te noemen: MSC,
advocaat: mr. C. Almeida, te Rotterdam,
tegen
MR. KARLIJN VAN VLIET, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijfsnaam] B.V., te Naaldwijk,
verweerster tot verificatie,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. E.A.H. ten Berge, te Naaldwijk.
1. De procedure
Deze zaak betreft een renvooiprocedure die verband houdt met het op 5 juli 2016 uitgesproken faillissement van [bedrijfsnaam] B.V. (‘ [bedrijfsnaam] ’). MSC stelt een vordering op [bedrijfsnaam] te hebben. De curator heeft de vordering betwist. De rechter-commissaris heeft de betwiste vordering op de verificatievergadering van 17 december 2025 naar de rolzitting van deze rechtbank van 21 januari 2026 verwezen. Mr. Almeida heeft zich op de rolzitting namens MSC als advocaat gesteld. MSC heeft op 4 maart 2026 een conclusie van eis in de renvooiprocedure ingediend, met producties 1 tot en met 9. Namens de curator is op 8 juli 2026 een conclusie van antwoord ingediend, met producties 1 tot en met 14.
De rechtbank heeft bij bericht aan partijen van 20 juli 2026 (ambtshalve) de vraag opgeworpen of deze zaak op grond van artikel 625, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) naar de rechtbank Rotterdam moet worden verwezen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover op de rol van 5 augustus 2026 bij akte uit te laten.
Beide partijen hebben op 5 augustus 2026 een akte ingediend. MSC concludeert dat de rechtbank Rotterdam relatief bevoegd is en verzet zich niet tegen verwijzing. De curator refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
De zaak is hierna naar de rol van vandaag verwezen voor een beslissing.
2. De beoordeling
Deze zaak gaat, kort samengevat, over het volgende. In augustus 2014 heeft [bedrijfsnaam] met een in Pakistan gevestigde koper een overeenkomst tot verkoop en levering van meerdere ladingen aardappelen gesloten. MSC heeft op basis van een verstrekte vervoersopdracht in de periode oktober 2014 tot en met november 2014 in vier verschepingen een aantal van deze ladingen, in totaal (circa) 177 containers, over zee vervoerd van Rotterdam naar Karachi (Pakistan). De koper heeft maar 40 van de 177 containers verzameld. MSC stelt dat zij als gevolg van de weigering van de koper om de resterende 137 containers op te halen, een schade van (omgerekend naar Euro’s) € 4.040.377,64 heeft geleden (onbetaalde vracht, koelingskosten, en kosten voor uiteindelijke vernietiging). MSC stelt dat [bedrijfsnaam] aansprakelijk is voor deze kosten, omdat [bedrijfsnaam] opdrachtgever is bij de vervoersovereenkomst. MSC vordert in dit geding dat de rechtbank de vordering van MSC ter verificatie in het faillissement vaststelt op een bedrag van € 4.040.377,64, vermeerderd met rente en met veroordeling van de curator in de kosten. De curator heeft betwist dat [bedrijfsnaam] contractspartij bij de vervoersovereenkomst was.
De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een geschil met internationale kenmerken. De eisende partij (MSC) is in Zwitserland gevestigd, de verwerende partij ( [bedrijfsnaam] ) is in Nederland gevestigd. MSC heeft in haar akte van 5 augustus 2026 toegelicht dat (volgens haar) op de vervoersovereenkomst de MSC-cognossementvoorwaarden van toepassing zijn, die in een forumkeuze voor de Britse rechter in Londen voorzien, maar dat MSC uit proceseconomische overwegingen geen beroep heeft gedaan op die forumkeuze. Ook de curator heeft zich niet op een forumkeuze beroepen. De rechtsmacht van deze rechtbank staat dan ook niet ter discussie. De rechtbank is bevoegd hetzij op grond van de woonplaats van [bedrijfsnaam] , hetzij op grond van een stilzwijgende aanvaarding van de bevoegdheid van deze rechtbank (artikelen 4 en 26 van de Brussel 1-bis verordening.
Zoals partijen niet betwisten, betreft de vordering een overeenkomst tot het vervoer van goederen over zee. Op grond van artikel 625, lid 1 onder a Rv is de rechtbank Rotterdam bij uitsluiting bevoegd tot kennisneming van zulke vorderingen. De rechtbank zal de zaak daarom naar de rechtbank Rotterdam verwijzen.
Dat het hier gaat om een renvooiprocedure, staat daaraan niet in de weg. De Hoge Raad heeft al eerder overwogen dat artikel 122 van de Faillissementswet (Fw) geen algemene exclusieve bevoegdheid schept tot de beoordeling van geschillen met betrekking tot ter verificatie aangemelde vorderingen. Het gaat hier om een scheepvaartzaak (vervoer over zee). De wetgever heeft het wenselijk geacht dat zulke zaken bij uitsluiting door de rechtbank Rotterdam worden behandeld. Redenen hiervoor zijn onder meer dat het gaat om een zeer specialistisch rechtsgebied met veelal een complexe onderliggende materie, en dat de rechtbank Rotterdam over de juridische en inhoudelijke deskundigheid op het terrein van de scheepvaart beschikt. Daarnaast zal concentratie van behandeling van scheepvaartzaken door gespecialiseerde rechters volgens de wetgever naar verwachting bijdragen aan de efficiency van de procesgang. Daarom is met ingang van 1 januari 2017 artikel 625 Rv ingrijpend gewijzigd. De uitsluitende bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam is te beschouwen als lex specialis ten opzichte van de algemene (gewone) competentieregels. Er is geen aanknopingspunt dat de wetgever voor wat betreft de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam in zaken als deze, een uitzondering heeft willen maken voor renvooiprocedures. De in de Faillissementswet met betrekking tot de verificatie getroffen voorzieningen strekken er juist toe om geschillen over het bestaan en de omvang van vorderingen op de gefailleerde doelmatig af te wikkelen. Daarbij past dat de renvooiprocedure wordt behandeld door de rechter die over de vereiste specialistische kennis en ervaring beschikt.
De zaak wordt dan ook in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de rechtbank Rotterdam. De rechtbank Rotterdam zal na aanbrengen bepalen hoe de zaak verder gaat.
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen;
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Rotterdam, team haven en handel;
bepaalt dat de zaak wordt ingeschreven op de rol van woensdag 26 augustus 2026 om 10.00 uur;
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
2431