Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/284054-25
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 13 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kampen en van wat door de verdachte en haar raadsman mr. J.G.D. Rutten naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2022 tot en met [geboortedatum 2] 2025 te Zoetermeer, althans in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam 1] en/of [naam 2] , door- [naam 1] en/of [naam 2] één of meerdere (anonieme) brieven en/of kaarten en/of e-mails en/of sms-berichten te versturen;- één of meerdere berichten te plaatsen en/of gesprekken te voeren op het internet over [naam 3] (zijnde de (toenmalige) partner van die [naam 2] );- een brief te versturen met naaktfoto’s van die [naam 2] , althans foto’s van die [naam 2] in lingerie en/of met ontbloot (boven)lichaam, naar [naam 4] (zijnde de oma van die [naam 2] );- via Facebook Messenger één of meerdere berichten te versturen naar [naam 5] , althans een derde, en/of onwaarheden te verspreiden omtrent die [naam 2] ,met het oogmerk die [naam 1] en/of [naam 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2zij op of omstreeks 16 mei 2025 te Zoetermeer, althans in Nederland een of meerdere visuele weergaven van seksuele aard, te weten één of meerdere foto's van een persoon, te weten [naam 2] , waarop die [naam 2] naakt, althans in lingerie en/of met ontbloot (boven)lichaam te zien was, openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [naam 2] kon zijn.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het versturen van de rouwkaarten.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor feit 1 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025194009 (DH4R024057, Tamarinde) van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 122) en de aanvullende processen-verbaal.
Ten aanzien van feit 1:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 13 augustus 2026;
2. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, op 27 oktober 2025 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, voor zover inhoudende (p. 2):
De rouwkaarten zijn ook van mij.
3. Het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] , opgemaakt op 4 oktober 2024 (Aanvullend proces-verbaal deel 2, p. 4-6);
4. Het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] , opgemaakt op 17 juni 2025 (PV VGL, p. 11-13);
5. Het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] , opgemaakt op 28 juni 2025 (PV VGL, p. 16-20);
6. Het proces-verbaal van bevindingen (ontvangst klacht door hulpofficier van justitie van [naam 2] ), opgemaakt op 28 juni 2025 (PV VGL, p. 14);
7. Het proces-verbaal van aangifte door [naam 1] , opgemaakt op 26 januari 2024 (Aanvullend proces-verbaal deel 1, p. 4-7);
8. Het proces-verbaal van bevindingen (ontvangst klacht door hulpofficier van justitie), opgemaakt op 1 oktober 2024 (Los proces-verbaal, p. 1-2);
9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 juli 2025 (PV VGL, p. 51-53);
10. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 januari 2024, (aanvullend PV deel 1, p. 13-14).
Bewijsoverweging
Rouwkaarten
De verdachte heeft ten aanzien van feit 1 bij de rechter-commissaris bekend dat zij ook de rouwkaarten naar de aangeefsters heeft verstuurd. Op de terechtzitting heeft zij ontkend dat zij dit heeft gedaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de eerste verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris te twijfelen. De verklaring is kort na het ten laste gelegde en in samenhang met de overige feiten afgelegd. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar en gebruikt die verklaring voor het bewijs. In samenhang met de feiten en omstandigheden uit de overige bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring, ook ten aanzien van de (rouw)kaarten.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1zij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 24 oktober 2025 te Zoetermeer wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam 1] en [naam 2] , door- [naam 1] en [naam 2] meerdere (anonieme) brieven en kaarten en e-mails en sms-berichten te versturen;- één of meerdere berichten te plaatsen en gesprekken te voeren op het internet over [naam 3] (zijnde de (toenmalige) partner van die [naam 2] );- een brief te versturen met naaktfoto’s van die [naam 2] , althans foto’s van die [naam 2] in lingerie en met ontbloot (boven)lichaam, naar [naam 4] (zijnde de oma van die [naam 2] );- via Facebook Messenger één of meerdere berichten te versturen naar [naam 5] , en onwaarheden te verspreiden omtrent die [naam 2] ,met het oogmerk die [naam 1] en [naam 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6. Straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 74 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis gevorderd.
Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een contactverbod met [naam 2] , [naam 4] , [naam 1] en [naam 6] in de vorm van een 38v-maatregel voor een periode van vijf jaar wordt opgelegd. Hierbij heeft de officier gevorderd dat voor elke overtreding twee weken hechtenis kan worden opgelegd, met een maximum van zes maanden, en dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de gevorderde taakstraf te matigen en refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer drie jaren schuldig gemaakt aan belaging van twee slachtoffers. Zij heeft hen meerdere (anonieme) brieven, kaarten, e-mails en sms-berichten gestuurd. Ook heeft zij naar verschillende mensen in de omgeving van de slachtoffers berichten gestuurd, met onder andere naaktfoto’s van haar ex-schoondochter, om haar ex-schoondochter in een kwaad daglicht te zetten. In 2024 is de verdachte al aangehouden en verhoord over deze verdenking. Desondanks is zij doorgegaan met de belaging. Door deze gedragingen heeft de verdachte stelselmatig een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Uit de aangiften en de verklaring van een van de slachtoffers op de terechtzitting volgt dat zij zich hierdoor zeer angstig, onveilig en gespannen hebben gevoeld en nog voelen. De gedragingen hebben veel invloed gehad op het leven van de slachtoffers, maar ook op de rest van het gezin en de omgeving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 juli 2026. Daaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Het strafblad is niet van invloed op de op te leggen straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 7 augustus 2026, waaruit volgt dat er een direct verband is tussen het ten laste gelegde en de leefgebieden partner, gezin en familieleden, psychisch functioneren en houding van de verdachte. De reclassering acht het recidiverisico op korte termijn laag, maar ziet een verhoogd risico wanneer opnieuw sprake is van relationele conflicten, gevoelens van afwijzing of verlies. Gelet op de aanwezige risicofactoren, het justitieel verleden en het beperkte probleeminzicht acht de reclassering diagnostiek, gevolgd door ambulante behandeling onder toezicht van de reclassering, een passend, noodzakelijk en haalbaar kader om het recidiverisico verder te beperken. De verdachte is in het kader van haar schorsing reeds gestart met een behandeling en die verloopt in grote lijnen goed.
Strafmaat
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 74 dagen met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling, en een taakstraf van 240 uren, passend en geboden.
Het genoemde voorwaardelijk strafdeel is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat met een behandeling een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
38v-maatregel
Ter bescherming van de slachtoffers en hun naaste familie zal de rechtbank tevens een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen en bevelen dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt met [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, [naam 4] , geboren op [geboortedatum 3] 1952, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 4] 1977 en, [naam 6] , geboren op [geboortedatum 4] 1974. De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van vijf jaren. Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van twee weken met een maximum van zes maanden.
Gelet op de ernst van de feiten, de periode en de stelselmatigheid, acht de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel aangewezen.
7. De vordering van de benadeelde partij [naam 1] (feit 1)
[naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.500,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met het toewijzen van de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om het gevorderde bedrag te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.500,- . De vordering is immers voldoende onderbouwd in een toelichting waaruit volgt hoe de schade bij de benadeelde partij is ontstaan en zich (heeft) (ge)uit.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 24 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [naam 1] .
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 63, 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
belaging;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 74 (VIERENZEVENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 60 (ZESTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de reclassering op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
38v-maatregel
legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 (TWEE) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 (TWEE) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 (ZES) maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vordering van de benadeelde partij (feit 1)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.500,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam 1] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.R.F. van Engelen, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 augustus 2026.