ECLI:NL:RBDHA:2026:24350

ECLI:NL:RBDHA:2026:24350

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 09/039566-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor mishandeling en bedreiging, beide meermaals gepleegd. Oplegging van gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een taakstraf. (Gedeeltelijke) Toewijzing vordering benadeelde partij.”

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/039566-26

Datum uitspraak: 27 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats] (Somalië),

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 mei 2026 (pro forma) en 13 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.A.C. Looijestijn en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. Y.W.G. Verschuren naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij, op of omstreeks 7 februari 2026 te Zoetermeer, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door:- die [slachtoffer 1] meermalen te slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam en/of door die [slachtoffer 1] ten val te brengen en/of- die [slachtoffer 2] meermalen te slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam;

2hij, op of omstreeks 7 februari 2026 te Zoetermeer, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een mes te tonen en/of- met dat mes achter die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aan te lopen.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde ten aanzien van de bewijsvraag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026044522, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 62).

1. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] met bijlagen, opgemaakt op 7 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 6-7, 10-15):

Plaats delict: Zoetermeer

Pleegdatum: 7 februari 2026

Ik zag de verdachte ongeveer twee meter van mij vandaan. Ik zag dat hij op mij af kwam rennen. Ik hoorde dat hij zei Kanker hoer. Ik zag dat hij met zijn linkerhand mijn jas vast pakte. Ik probeerde gelijk los te komen maar dit lukte niet. Tegelijkertijd zag ik dat hij zijn rechtervuist balde. Ik zag dat hij met kracht op mijn rechteroog sloeg. Ik voelde heel veel pijn aan mijn oog. Ik werd gelijk duizelig. Ik voelde direct hoofdpijn opkomen. Ik viel door de vuistslag op de grond. Ik voelde dat hij mijn jas nog steeds vast had. Ik zag dat hij op een knie ging zitten. En ik zag dat hij nogmaals met zijn rechtervuist met kracht op de zijkant van mijn hoofd sloeg. Door de eerste klap kan ik mij geen pijn meer herinneringen. Maar ik zag zwart, ik hoorde niks meer en ik was even de weg kwijt. Toen ik weer zicht terug kreeg. Zag ik dat dat [slachtoffer 2] de man van mij aftrok. Ik zag dat de man [slachtoffer 2] met ik denk zijn rechtervuist sloeg maar dat durf ik niet meer met zekerheid te zeggen.

Enige tijd later kwam [slachtoffer 2] aangerend. Ik hoorde dat hij zei dat we weg moesten komen omdat de man ook een mes getrokken zou hebben. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat hij bijna was neergestoken door hem.

2. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] met bijlagen, opgemaakt op 7 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 18, 21-24):

Ik keek om en zag dat de man [slachtoffer 1] van mijn fiets aftrok. Zij zat namelijk bij mij achterop. Ik voelde mijn fiets heen en weer gaan toen hij haar eraf trok. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag. Ik zag dat de man bovenop [slachtoffer 1] lag. Ik zag dat hij met een gebalde vuist en met kracht 4 a 5 keer achter elkaar op haar gezicht sloeg.

Ik zag dat de man opstond, mij aankeek en volgens met een gebalde vuist en met kracht mij op mijn rechteroog sloeg. Ik voelde wel wat op mijn oog, maar door de adrenaline niet direct pijn. Deze volgde later toen de politie ter plaatse kwam en mijn adrenaline wat gezakt was. Toen voelde ik een branderige pijn en ik had ook wazig zicht.

Ik zag dat de man uit zijn binnenzak een mes pakte. Ik zag dat het een zwart klapmes was van ongeveer 30 centimeter groot. Ik zag dat de man achter mij aanrende en het mes hoog hield. Ik kreeg het gevoel dat hij mij wilde doodsteken met dat mes.

Ik rende vervolgens hard weg. Ik struikelde twee keer tijdens het rennen waardoor

mijn knieën schaafwonden hebben opgelopen. Ik zag dat de man achter mij aan bleef rennen. Ik kreeg het benauwd en ik voelde me duizelig door de klap die de man mij gaf. Toen ik op de grond terechtkwam werd het ook zwart voor mijn ogen. Ik wist weer op te staan en verder te rennen. Na ongeveer 100 meter keerde ik weer om en rende terug naar mijn fiets die nog op de plek stond waar de mishandeling had plaatsgevonden. Ik zag dat de man steeds achter mij aan bleef rennen.

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op 8 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 25):

De man stapte van zijn fiets af. Ik zag dat de man op [slachtoffer 1] sprong. Ik stond op

ongeveer 10 meter afstand. Ik zag dat de man bovenop [slachtoffer 1] zat en met zijn

rechterhand op haar lichaam sloeg.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 28):

Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) een verdikking had bij haar rechteroog.

5. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 7 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 36-37):

Tijdens de daaropvolgende zoektocht trof ik een man aan die volledig voldeed aan het opgegeven signalement. De man bevond zich op een fiets.

Op grond van deze informatie heb ik de man [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats] aangehouden.

6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 8 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 54):

Ik had toen een mes gepakt. Ik had hem alleen gepakt om bang te maken. Ik had dit mes van huis meegenomen.

Bewijsoverweging

De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De verdachte heeft de onder 1 ten laste gelegde mishandelingen ontkend, maar de verschillende verklaringen over wat er is gebeurd zijn eensluidend. Bovendien heeft de politie bij de aangeefster [slachtoffer 1] letsel gezien, welk letsel past in de afgelegde verklaringen.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1hij, op 7 februari 2026 te Zoetermeer, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door:- die [slachtoffer 1] meermalen te slaan tegen het hoofd en door die [slachtoffer 1] ten val te brengen en- die [slachtoffer 2] te slaan tegen het hoofd;

2hij, op 7 februari 2026 te Zoetermeer, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door:- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een mes te tonen en- met dat mes achter die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aan te lopen.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 primair op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit komt, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer(exces) toekomt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt, omdat het verdachte is geweest die de confrontatie met de aangevers heeft gezocht.

Het oordeel van de rechtbank

Op de terechtzitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Subsidiair heeft zij gesteld dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft met zijn gedragingen, weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden, maar deze overschrijding is het onmiddellijk gevolg geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.

Daartoe heeft de raadsvrouw de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. De weken voor het incident hebben er meerdere confrontaties plaatsgevonden tussen aangevers en de verdachte. Daarnaast zou de verdachte op de dag van het incident een knal hebben gehoord in de buurt van zijn huis. In reactie daarop heeft hij het zakmes in zijn zak gestoken en is hij naar buiten gegaan. Vervolgens zou er weer een confrontatie hebben plaatsgevonden, waarop de verdachte achter de aangevers aan is gefietst om een foto van ze te maken. Toen de verdachte en aangeefster [slachtoffer 1] op de grond waren beland, kwam aangever [slachtoffer 2] op de verdachte af en probeerde hem te slaan. Daarop heeft de verdachte zich verdedigd met het mes.

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsvrouw aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Uit de aangiftes en de getuigenverklaring blijkt dat het de verdachte is geweest die de confrontatie met de aangevers heeft opgezocht. Hij is op de aangevers afgerend, heeft aangeefster [slachtoffer 1] van de fiets afgetrokken en haar meerdere keren geslagen. Toen aangever [slachtoffer 2] tussenbeide wilde komen om aangeefster [slachtoffer 1] te verdedigen, heeft de verdachte zijn mes getrokken.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt het beroep op noodweerexces evenmin.

Het verweer wordt verworpen.

5. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod, en een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht te volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest, en indien de rechtbank verdere bestraffing toch nodig acht, een taakstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich, als volwassene, schuldig gemaakt aan de mishandeling van twee minderjarigen door een van de slachtoffers van een fiets af te trekken en meermaals op haar hoofd te slaan. Toen het andere slachtoffer tussenbeide wilde komen heeft de verdachte hem ook op het hoofd geslagen. Vervolgens is de verdachte achter het tweede slachtoffer aangerend met een mes. De rechtbank betrekt bij de ernst van de feiten ook dat er geen directe aanleiding was voor deze handelingen zoals door de verdachte is betoogd. Hij heeft met dit handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van de aangevers. Dat de gebeurtenis een grote impact op de aangevers heeft gemaakt is evident en blijkt ook uit de aangiften en de schriftelijke slachtofferverklaring van de vader van een van de slachtoffers.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Het strafblad is niet van invloed op de op te leggen straf.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 juli 2026, waaruit zijn houding en psychosociaal functioneren naar voren komen als voornaamste risicofactoren: de verdachte kan minimaal op eigen gedrag en rol reflecteren. Hij ziet dan ook niet in dat hij anders had kunnen handelen in onderhavig delict. Daarbuiten is sprake van voornamelijk stabiele leefgebieden. De reclassering acht het psychosociaal functioneren, bij een bewezenverklaring, dusdanig problematisch dat een interventie zal worden geadviseerd om de verdachte zijn beslisvaardigheden en emotieregulatie vaardigheden te verbeteren. De reclassering zet echter ook vraagtekens bij de haalbaarheid hiervan, daar de verdachte zelf geen problemen hierin voorziet, dan wel hulpvragen op dit vlak heeft. Het risico op recidive kan gelet op de proceshouding van de verdachte niet worden ingeschat.

De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en een contactverbod met de slachtoffers.

Strafmaat

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is voor mishandeling als uitgangspunt vermeld een geldboete en voor bedreiging met een steekwapen een forse taakstraf. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat het om meerdere slachtoffers gaat en dat de verdachte meerderjarig was tijdens het plegen van de feiten en de slachtoffers minderjarig waren. Dat er naar het oordeel van de rechtbank geen (directe) aanleiding was om tot de bewezenverklaarde gedragingen te komen, acht de rechtbank eveneens strafverhogend, evenals het feit dat de verdachte de slachtoffers in het gezicht heeft geslagen.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht, alles afwegende een gevangenisstraf van 94 dagen met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod met aangevers en ambulante behandeling. De rechtbank zal daarnaast, conform de eis van de officier van justitie, een taakstraf opleggen van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

6. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 509,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 119,- aan materiële schade en € 390,- aan immateriële schade.

[slachtoffer 2] , bijgestaan door mw. C.M. van den Berg van DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.603,95, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 103,95 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van beide vorderingen geconcludeerd tot toewijzing, te vermeerderen met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen omdat de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 en 2:

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘Oortjes (€ 119,-)’, is namens benadeelde partij voldoende onderbouwd in het schade-onderbouwingsformulier en in de bijlage. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 390,-.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 509,-, bestaande uit € 119,- aan materiële schade en € 390,- aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 509,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van feit 1 en 2:

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘Schade aan de fiets’ (€ 43,95) en ‘Beschadiging broek’ (€ 60,-), is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd door de toelichting op het voegingsformulier en de bijlage. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag (€ 103,95).

Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 390,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade. Dit deel van de vordering is gebaseerd op het toebrengen van psychisch letsel, en deze grond is namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 493,95, bestaande uit € 103,95 aan materiële schade en € 390,- aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 493,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [slachtoffer 2] .

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

mishandeling, meermaals gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met de dood en zware mishandeling, meermaals gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 94 (VIERENNEGENTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 60 (ZESTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2012) en [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum 3] 2011), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179, te 's-Gravenhage;

- zich gedurende de proeftijd bij De Waag of een soortgelijke zorgverlener laat behandelen, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig na aanvang van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing dan wel cognitieve vaardigheden;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 60 (ZESTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 30 (DERTIG) DAGEN;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vorderingen van de benadeelde partijen, ten aanzien van feit 1 en 2:

[slachtoffer 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 509,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

[slachtoffer 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 493,95 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregelen, ten aanzien van feit 1 en 2:

[slachtoffer 1]

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 509,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

[slachtoffer 2]

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 493,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 4 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Anemaet, voorzitter,

mr. B.J. van de Griend, rechter,

mr. E.R.F. van Engelen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L. Anemaet
  • mr. B.J. van de Griend
  • mr. E.R.F. van Engelen

Griffier

  • mr. V.J.J. van Mierlo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand