RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] , eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.6355 (beroep) en NL25.6356 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door eiseres aangevoerde bijzondere omstandigheden niet leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Indonesische nationaliteit. Eiseres heeft op 6 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf als familielid bij de heer [referent] (referent)’. Referent was de partner van eiseres. Hij is op 30 december 2024 overleden.
Met het primaire besluit van 9 augustus 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet beschikt over een geldige mvv. Zij krijgt geen vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft wel aangenomen dat sprake is van familieleven tussen eiseres en referent, maar heeft gesteld dat in de belangenafweging het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eiseres. Verweerder heeft verder aangenomen dat eiseres privéleven heeft in Nederland, maar heeft ook in die belangenafweging gesteld dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eiseres. Volgens verweerder is verder het besluit niet onredelijk hard. De ziekte van referent is geen reden om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om het inreisverbod op te heffen afgewezen.
Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens verweerder is het mvv-vereiste niet onredelijk is. Verder blijft verweerder bij zijn standpunt dat de belangenafwegingen in het kader van familieleven en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres uitvallen, dat er geen sprake is van onredelijke hardheid en dat er geen aanleiding is om het inreisverbod op te heffen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, om te voorkomen dat zij gedurende de beroepsprocedure wordt uitgezet. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, I.R. Tjandrakesuma als tolk in de Indonesische taal en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht heeft afgewezen.
Griffierecht
4. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De griffier heeft het verzoek om vrijstelling eerder al voorlopig toegewezen. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht definitief toe.
Procesbelang
Tussen partijen is allereerst in geschil of eiseres nog belang heeft bij de beoordeling van haar beroep. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is, omdat referent op 30 december 2024 is overleden. De gevraagde mvv voor verblijf bij referent kan daarom niet meer worden afgegeven.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres belang heeft bij de beoordeling van haar beroep. De rechtbank overweegt daartoe dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat gegrondverklaring van het beroep ertoe leidt dat verweerder ten onrechte aan eiseres de gevraagde vergunning voor verblijf bij referent, een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht, heeft onthouden. Omdat zij in dat geval geacht moet worden houder te zijn geweest van deze verblijfsvergunning, zou zij als gevolg van het overlijden van referent in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden. Daarnaast zou verweerder bij gegrondverklaring van het beroep ambtshalve een verblijfsvergunning kunnen verlenen na toetsing aan artikel 8 van het EVRM.
Vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule
Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft getoetst aan WBV 2022/28 en IB 2023/74, op basis waarvan vrijstelling van het mvv-vereiste had moeten worden verleend. Daaruit volgt namelijk dat als aan alle voorwaarden voor de verblijfsvergunning is voldaan en de aangevoerde persoonlijke omstandigheden nipt niet voldoende zijn voor de conclusie dat een onbillijkheid van overwegende aard optreedt als wordt vastgehouden aan het mvv-vereiste, deze omstandigheden toch voldoende kunnen zijn voor vrijstelling van het mvv-vereiste zonder dat is voldaan aan de drempel voor de hardheidsclausule.
De rechtbank overweegt als volgt. De toepassing van de hardheidsclausule is beperkt tot zeer uitzonderlijke gevallen die door de wet- en regelgever niet zijn voorzien. Verweerder kan een vreemdeling vrijstellen van het mvv-vereiste met toepassing van de hardheidsclausule, indien het handhaven van dit vereiste naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De Afdeling heeft verder in een uitspraak van 29 maart 2019 geoordeeld dat het onevenredig is om het mvv-vereiste tegen te werpen als aan de materiële vereisten voor een mvv wordt voldaan en sprake is van bepaalde bijzondere en persoonlijke feiten en omstandigheden. Verweerder moet bij die toets eerst uitgaan van de veronderstelling dat aan alle materiële voorwaarden voor de vergunning wordt voldaan. Vervolgens moet verweerder toetsen of de aangevoerde bijzondere omstandigheden, in combinatie met het voldoen aan de voorwaarden, maken dat het onevenredig is om vast te houden aan het mvv-vereiste. Als dat het geval is, dan moet verweerder vervolgens toetsen aan de inhoudelijke voorwaarden voor de vergunning. Hieruit volgt dat de bijzondere individuele omstandigheden niet al op zichzelf de hoge lat van de onevenredigheid behoeven te halen, maar slechts zwaarwegend genoeg moeten zijn om – in samenhang met de aanname dat wordt voldaan aan de voorwaarden – tot onevenredigheid te concluderen. De lat waaraan de bijzondere omstandigheden moeten voldoen ligt bij deze toets dus lager dan dat zij op zichzelf al moeten leiden tot onevenredigheid. Uit beleid van verweerder volgt verder dat wanneer de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat van hem niet verwacht kan worden dat hij naar het land van herkomst of bestendig verblijf reist vanwege een ernstige ziekte of handicap van de referent, dit kan worden gezien als zo’n bijzondere omstandigheid.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door eiseres aangevoerde bijzondere omstandigheden niet maken dat het onevenredig is om vast te houden aan het mvv-vereiste. Als bijzondere omstandigheden heeft eiseres aangevoerd dat referent terminaal ziek was, dat zij zorg aan hem verleende, dat zij al lang met hem samenwoonde en dat zij al lang in Nederland verbleef. Verweerder heeft gesteld dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om haar vrij te stellen van het mvv-vereiste, omdat eiseres niet heeft aangetoond waarom de ondersteuning niet door derden kon worden verleend, bijvoorbeeld door een familielid of medewerker van professionele thuiszorg. Anders dan verweerder stelt is het enkele feit dat zorg door derden kan worden verleend, geen reden om daarom per definitie geen vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet van eiseres gevraagd had kunnen worden om de ondersteuning door een derde te laten verlenen. Het gaat er hier namelijk om de situatie waarin eiseres bij haar partner wilde zijn en hem wilde ondersteunen in de laatste maanden van zijn leven. Referent was terminaal ziek, en uiteindelijk is ook gebleken dat zijn ziekte dusdanig ernstig was dat hij daar na een korte periode al aan is overleden, namelijk op 30 december 2024. De rechtbank vindt het meer dan logisch dat eiseres de ondersteuning van haar partner in zo’n verdrietige periode niet door een derde heeft laten verlenen. Dat had in redelijkheid niet van haar kunnen worden gevraagd. De rechtbank vindt ook dat het in die situatie niet van eiseres verwacht had kunnen worden om terug te gaan naar haar land van herkomst om een mvv aan te vragen, in plaats van dat zij referent, met wie zij al sinds 2017 samen was, kon bijstaan in de laatste maanden van zijn leven. Daarbij neemt de rechtbank mee dat het aanvragen van een mvv doorgaans langer duurt dan de daarvoor gestelde termijn van drie maanden.
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard op grond van deze beroepsgrond, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat het onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder daarvoor een termijn van zes weken.
Omdat de rechtbank beslist op het beroep, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.6355:
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.6356:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.