RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3768
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
(gemachtigde: mr. J. Kennis).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Ook heeft verweerder aan eiser geen uitstel van vertrek om medische redenen verleend.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 30 januari 2026 heeft eiser de gronden van beroep ingediend.
Verweerder heeft op 11 mei 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Op 20 mei 2026 heeft eiser in reactie op het verweerschrift aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer Z. Hanina als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Hij is geboren op [geboortedatum] 1999 in de stad [geboorteplaats]. Vanaf 2010 tot zijn vertrek uit Syrië heeft eiser zijn hoofdverblijf in deze stad gehad. Eiser is in 2015 vanwege de algemene onveilige situatie in Syrië naar Turkije vertrokken. Hij heeft ongeveer negen jaar in Turkije verbleven voordat hij eind 2024 naar Nederland is gegaan. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser voor de huidige algemene veiligheidssituatie.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder het volgende relevante element:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser.
5. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Verder heeft verweerder zich - voor zover hier van belang - op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade loopt als gevolg van willekeurig geweld. Verweerder neemt namelijk voor heel Syrië, dus ook voor [plaats], een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van omstandigheden die het risico verhogen dat hij slachtoffer wordt van willekeurig geweld.
Loopt eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ?
Wat is het betoog van eiser?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië, en specifiek in [plaats], op dit moment sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2025 waarin is geoordeeld dat verweerder niet alle relevante omstandigheden – waaronder de informatie in de 15c-bijlage behorend bij de Nota landenbeleid Syrië van 4 juni 2025 over de ontplofbare oorlogsresten en de humanitaire situatie in Syrië – kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld. Eiser voert verder aan, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak, dat de veiligheidssituatie en veiligheidsstructuur in Syrië fragiel en diffuus zijn. Er ontbreekt namelijk een stabiele machtsstructuur en er is sprake van buitenlandse militaire inmenging en onderrapportage vanuit Syrië over de situatie. Ook is volgens eiser de verslagperiode van het AAB over Syrië van mei 2025 te kort om het niveau van willekeurig geweld te beoordelen. Daarnaast voert eiser – onder verwijzing naar de brieven van VWN van 9 en 19 januari 2026 – aan dat de mate van willekeurig geweld in [plaats] in januari 2026 ernstig is toegenomen. Uit de informatie in deze brieven blijkt volgens eiser dat de situatie in [plaats] telkens en op ieder moment kan escaleren en dat, als er al sprake is van veiligere periodes, deze van tijdelijke aard zijn. Tot slot wijst eiser op de prejudiciële vraag die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, op 29 december 2025 heeft gesteld over de betekenis van humanitaire omstandigheden bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Nu hierover in de rechtspraak geen eensgezindheid bestaat, verzoekt eiser subsidiair om de beantwoording van deze prejudiciële vraag af te wachten en de behandeling van de zaak aan te houden.
Wat is het standpunt van verweerder in het bestreden besluit?
7. In het bestreden besluit heeft verweerder zich – onder verwijzing naar het landgebonden beleid over Syrië – op het standpunt gesteld dat voor geheel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder wijst daarbij op het AAB van mei 2025, waaruit blijkt dat er sprake is van geweldsuitbarstingen en gevechten die van incidentele aard zijn. Ook blijkt hieruit dat het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld relatief laag is. Hoewel er burgerslachtoffers zijn gevallen bij geweldsescalaties en incidenten, blijkt uit het AAB dat hierbij veelal sprake was van gericht geweld, bijvoorbeeld als gevolg van wraakacties. Hoewel het voor de overgangsregering een uitdaging is om haar autoriteit in alle gebieden te vestigen en de veiligheidssituatie daarom fragiel is, is er slechts in lage mate sprake van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Volgens verweerder is ook in eisers voormalige woonomgeving, de stad en het district [plaats], geen sprake van een situatie waarin iedere aanwezige een reëel risico op ernstige schade loopt. Uit het EUAA-rapport van december 2025 blijkt dat ondanks het totale aantal veiligheidsincidenten in [plaats] het gemiddelde aantal burgerslachtoffers per 100.000 inwoners relatief laag is. Bovendien volgt uit dit rapport dat het aantal dodelijke slachtoffers sinds maart 2025 sterk is gedaald.
Wat is de aanvullende motivering van verweerder in het verweerschrift?
8. Verweerder heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat de ontwikkelingen van na het bestreden besluit geen aanleiding geven om van de conclusie af te wijken dat in Syrië, en specifiek in [plaats], sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarover heeft verweerder het volgende overwogen.
Het grootste deel van Syrië, waaronder de stad [plaats] en het grootste deel van de provincie [provincie], staat momenteel onder controle van de overgangsregering. Verder stelt verweerder dat uit het AAB over Syrië van januari 2026 volgt dat in de verslagperiode (van mei 2025 tot en met december 2025) geen sprake is van één specifiek gewapend conflict. De geweldsincidenten die plaatsvinden worden hoofdzakelijk veroorzaakt door lokale milities, met name overblijfselen van het voormalige regime en ISIS. Verweerder concludeert uit het hiervoor genoemde ambtsbericht dat het aantal geweldsincidenten in Syrië sterk is gedaald en ook het aantal burgerslachtoffers is afgenomen. Volgens verweerder volgt ook uit de berichten van Syria Weekly van 15 april 2026 en 29 april 2026 dat het dodelijk geweld significant is gedaald. Verder heeft verweerder erop gewezen dat uit het eerdergenoemde EUAA-rapport van december 2025 blijkt dat het aantal veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers ook in [plaats] sterk is afgenomen sinds de overeenkomst tussen de overgangsregering en de SDF in maart 2025. Als gevolg van deze ontwikkelingen concludeert de EUAA dat in de provincie [provincie] weliswaar willekeurig geweld plaatsvindt, maar niet op een hoog niveau.
Daarnaast heeft verweerder overwogen dat het aantal slachtoffers als gevolg van ontplofbare oorlogsresten in heel Syrië gestaag afneemt. Uit het AAB van januari 2026 blijkt dat tussen 1 mei 2025 en 15 oktober 2025 in totaal 40 incidenten met ontplofbare oorlogsresten in [plaats] werden geregistreerd. Om het aantal willekeurige slachtoffers als gevolg van ontplofbare oorlogsresten te voorkomen, wordt er geruimd en voorlichting gegeven. Volgens verweerder is niet gebleken dat sinds de machtsovername (substantiële aantallen) nieuwe explosieven zijn geplaatst in [plaats].
Verder stelt verweerder dat in de verslagperiode van het AAB van januari 2026 in heel Syrië sprake was van ontheemding, maar dat er ook ontheemden van buiten en binnen Syrië terugkeerden naar hun voormalige woongebieden in Syrië. De meeste terugkeer van binnenlands ontheemden vond plaats in de provincie [provincie].
Volgens verweerder is bij de beoordeling van de gradatie van willekeurig geweld kenbaar betrokken dat sprake is van een volatiele veiligheidssituatie. Daarbij verwijst verweerder naar de eerder in voetnoot 6 genoemde brief van de regering aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 en de nota bij deze brief. Verweerder stelt echter dat de geweldsuitbarstingen incidenteel van aard zijn en dat veel slachtoffers het gevolg zijn van gericht geweld. Daarom meent verweerder dat hij voor heel Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld heeft kunnen aannemen. De enkele verwijzing van eiser naar de brieven van VWN van 9 en 19 januari 2026 maakt die conclusie volgens verweerder niet anders en is onvoldoende om de betrouwbaarheid of de actualiteit van de ambtsberichten over Syrië en het daarop gebaseerde landenbeleid in twijfel te trekken.
Wat betreft de door eiser aangevoerde humanitaire omstandigheden stelt verweerder zich allereerst op het standpunt dat de (rechtspraak van het Hof over de) Kwalificatierichtlijn geen grondslag biedt om indirecte gevolgen van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade (zonder meer) binnen de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te laten vallen. Verweerder volgt het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 16 juli 2025 daarom niet. In de tweede plaats stelt verweerder zich op het standpunt dat de humanitaire omstandigheden het gevolg moeten zijn van een gewapend conflict dat op dit moment aan de gang is.Verweerder meent dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden het regime van Assad was, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict.
Wat is de reactie van eiser op het verweerschrift?
9. Eiser handhaaft zijn standpunt dat verweerder niet alle relevante omstandigheden – waaronder ook het aantal ontheemden per regio – heeft betrokken bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld in Syrië. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar diverse uitspraken, in het bijzonder naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 23 maart 2026.
Verder betoogt eiser dat alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict moeten worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van het willekeurige geweld. Eiser vindt hierbij met name relevant dat het gewapende conflict in Syrië na de val van het regime van Assad niet is onderbroken, maar al vanaf 2011 tot op heden voortduurt. Een andere uitleg maakt volgens eiser de bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn illusoir. Gelet hierop handhaaft eiser ook zijn standpunt dat de beantwoording van de eerdergenoemde prejudiciële vraag van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, moet worden afgewacht.
Specifiek ten aanzien van de veiligheidssituatie in [plaats] stelt eiser dat uit het AAB van januari 2026 volgt dat [plaats] op de tweede plaats van heel Syrië staat voor wat betreft het aantal geregistreerde geweldsincidenten.. Bijna dagelijks overlijdt een willekeurig persoon in [plaats] door een landmijn, autobom of aanval. Uit een recent nieuwsbericht van 12 april 2026 volgt verder dat meerdere willekeurige burgers zijn omgekomen bij een geweldsincident in [plaats]. Daar komt volgens eiser bij dat in het hiervoor genoemde ambtsbericht is vermeld dat het aantal binnenlands ontheemden in [plaats] nog altijd toeneemt, mede door geweldsuitbarstingen eind 2025 en begin 2026. Tot slot voert eiser aan dat de humanitaire situatie in [plaats] bijzonder slecht is. Hij verwijst daarbij naar de informatie in de brief van VWN van 4 februari 2026.
Wat is de rechtspraak van het Hof en de Afdeling en het beleid van verweerder over artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn?
10. Het Hof heeft in het arrest X en Y de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn nader uitgelegd. Het Hof heeft overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, een algemener risico op ernstige schade betreft dan de risico’s die zijn genoemd in de onderdelen a en b van dat artikel. Volgens het Hof gaat het in onderdeel c in ruimere zin over een ‘bedreiging van het leven of de persoon van een burger’ en dus niet om bepaalde gewelddadigheden. In onderdeel c gaat het over de situatie waarin een gewapend conflict willekeurig geweld meebrengt, waarin de mate van geweld dermate hoog is dat kan worden aangenomen dat iemand die terugkeert, alleen al door zijn aanwezigheid in een land of gebied, een reëel risico op ernstige schade zou lopen ongeacht zijn identiteit en persoonlijke situatie (meest uitzonderlijke situatie). Vervolgens is het Hof ingegaan op andere, minder uitzonderlijke situaties. In deze situaties kunnen elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling wel relevant zijn. Hoe meer de vreemdeling in die situatie het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt wegens elementen die eigen zijn aan zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (glijdende schaal).
Als gevolg van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 over dit arrest, is verweerder voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw verschillende gradaties gaan aannemen van willekeurig geweld.
In de eerste gradatie is de mate van willekeurig geweld zo hoog, dat iedere burger die terugkeert naar het betrokken land of gebied, alleen al door zijn aanwezigheid een risico loopt op ernstige schade (‘risico door loutere aanwezigheid’, voorheen: ‘meest uitzonderlijke situatie’).
De tweede gradatie is de situatie waarbij de mate van willekeurig geweld een relatief hoog niveau bereikt, maar niet hoog genoeg is om op basis van de loutere aanwezigheid van de vreemdeling een reëel risico op ernstige schade aan te nemen (‘relatief hoger niveau van willekeurig geweld’, voorheen: ‘minder uitzonderlijke situatie’). In deze situatie zal een beoordeling van de individuele (risicoverhogende) omstandigheden gemaakt moeten worden.
De derde gradatie is de situatie waarin er wel sprake is van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, maar bereikt de mate van het willekeurige geweld volgens verweerder een relatief lager niveau (‘relatief lager niveau van willekeurig geweld’, voorheen: ‘geen of onvoldoende uitzonderlijke situatie’). In deze situatie moet ook een individuele beoordeling plaatsvinden.
In de eerdergenoemde uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar het arrest CF en DN, feiten en omstandigheden (hierna: factoren) besproken die relevant zijn voor de (globale) beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het gaat hierbij om de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden gewogen:
- de algemene veiligheidssituatie;
- regionale spreiding van het geweld;
- gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers;
- veiligheidsstructuur;
- gebied van terugkeer;
- ontheemden;
- humanitaire omstandigheden.
Is de door verweerder in het bestreden besluit verrichte beoordeling van de gradatie van het willekeurige geweld volledig?
11. De rechtbank overweegt dat verweerder in de brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 (inclusief de Nota Landenbeleid Syrië van 4 juni 2025 en de daarbij horende 15c-bijlage) heeft aangegeven dat naar aanleiding van het AAB van mei 2025 nieuw beleid voor Syrië is ingericht, waarin – kort samengevat – is bepaald dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit beleid is neergelegd in paragraaf C7/33.4.2. van de Vc. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit beleid ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. In geschil is de vraag of de in het bestreden besluit door verweerder verrichte beoordeling van het niveau van willekeurig geweld volledig is geweest.
12. De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of, en zo ja in welke mate, humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarna zal de rechtbank de overige door eiser aangevoerde factoren, die volgens hem ten onrechte niet bij deze beoordeling zijn betrokken, bespreken.
De mate van causaal verband tussen de humanitaire omstandigheden en het willekeurige geweld en de betekenis van humanitaire omstandigheden die veroorzaakt zijn door een eerdere actor
13. De rechtbank is, evenals deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, in de uitspraak van 19 mei 2026, van oordeel dat humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat zij in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Daarvan kan sprake zijn als de humanitaire omstandigheden in overwegende mate voortvloeien uit het willekeurige geweld zelf of uit de wijze waarop het gewapend conflict wordt gevoerd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer strijdende partijen civiele infrastructuur vernietigen, humanitaire hulp blokkeren of de toegang tot voedsel, water of medische zorg belemmeren. Als dat het geval is, hebben humanitaire omstandigheden, ook als zij het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict, bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn betekenis. Of sprake is van een voldoende causaal verband zal steeds aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld.
Gelet hierop bestaat er voor de rechtbank geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vraag van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, af te wachten. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder de humanitaire omstandigheden voldoende in zijn beleid en besluitvorming heeft betrokken.
Heeft verweerder de humanitaire omstandigheden voldoende betrokken?
De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn beleid niet is ingegaan op humanitaire omstandigheden. Maar de rechtbank is van oordeel dat daartoe ook onvoldoende aanleiding bestond. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 13 is overwogen, hoeven humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurige geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor niet te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van het geweld. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië van mei 2025 en januari 2026 en de door eiser genoemde brieven van VWN, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het regime van Assad, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt – zoals verweerder terecht in het verweerschrift stelt – dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden niet of nauwelijks worden veroorzaakt of in stand worden gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder economisch wanbeleid, internationale economische sancties tegen het regime van Assad, de nalatigheid van dit regime om voor haar bevolking te zorgen (bijvoorbeeld het aanvallen van gezondheidsvoorzieningen en het tegenhouden van basisvoorzieningen) en het wegvallen van internationale noodhulp. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit de door eiser overgelegde brieven van VWN van 19 januari 2026 en 4 februari 2026.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de humanitaire omstandigheden buiten beschouwing mogen laten bij de vaststelling van de gradatie van willekeurig geweld en is het beleid in zoverre niet onvolledig.
Heeft verweerder de overige factoren voldoende in het beleid betrokken?
14. Over de factor ‘algemene veiligheidssituatie’ overweegt de rechtbank als volgt. Het AAB van mei 2025, dat gaat over de eerste periode na de val van het regime van Assad, beslaat de periode van 27 november 2024 tot en met april 2025. Dit betreft een (zeer) korte verslagperiode. Gedurende deze gehele periode wordt de veiligheidssituatie in Syrië beschreven als ‘volatiel’ en ook uit de door eiser aangehaalde openbare bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie na de val van het regime van Assad fragiel en onduidelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze mate van onduidelijkheid en onzekerheid rondom de veiligheidssituatie in Syrië niet (kenbaar) betrokken bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurige geweld. In de hiervoor genoemde brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 wordt weliswaar een opmerking gemaakt met de strekking dat zal moeten worden bezien hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen, maar niet is gebleken dat verweerder de ‘onzekerheidsfactor’ daadwerkelijk heeft betrokken bij de vaststelling dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Wat betreft de factor ‘gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers’ overweegt de rechtbank dat uit het AAB van mei 2025 volgt dat burgers blijvend gevaar lopen door landmijnen, niet-ontplofte granaten en munitie. In de 15c-bijlage is vermeld dat verspreid over heel Syrië ontplofbare oorlogsresten, waaronder mijnen en niet-gesprongen munitie, een aanhoudende, ernstige bedreiging voor het leven van burgers vormen. Hoewel verweerder dus heeft onderkend dat hierin een groot veiligheidsrisico is gelegen, kan de rechtbank niet vaststellen dat en hoe deze informatie daadwerkelijk is betrokken bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld.
Verder overweegt de rechtbank dat in de 15c-bijlage weliswaar per regio een kolom is opgenomen waarin de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd kunnen worden vermeld, maar dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat bij de in deze kolom vermelde cijfers daadwerkelijk de aantallen ontheemden per regio zijn betrokken. Daar komt bij dat de genoemde cijfers alleen betrekking lijken te hebben op het aantal doden per regio. Bovendien lijken de in de 15c-bijlage genoemde cijfers niet aan te sluiten bij de – veel hogere – cijfers over ontheemden zoals die blijken uit het AAB van mei 2025.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat de in het bestreden besluit door verweerder verrichte beoordeling van het niveau van willekeurig geweld niet volledig is geweest. Het beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. Wel ziet de rechtbank – gelet op de aanvullende motivering van verweerder in het verweerschrift – aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.
Heeft verweerder voor [plaats] een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen?
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de aanvullende motivering in het verweerschrift voldoende en met inachtneming van alle relevante factoren heeft gemotiveerd dat in [plaats], sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank nog het volgende.
Verweerder heeft uit het meest recente AAB van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Het beschreven geweld betreft voornamelijk gericht geweld. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten gestaag is afgenomen. Daarnaast worden er maatregelen genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten en het geven van voorlichting. Ook blijkt uit de door verweerder aangehaalde bronnen dat veel ontheemden uit het buiten- en binnenland van Syrië terugkeerden.
Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] te zien is. Uit het AAB van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. Tussen 1 mei 2025 en 31 december 2025 registreerde ACLED 439 geweldsincidenten in [plaats]. In 102 gevallen ging het om gevechten, in 154 gevallen om explosies/geweld op afstand en in 183 gevallen om geweld tegen burgers. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats]. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal burgerslachtoffers in verhouding tot de bevolkingsomvang relatief laag is en is gedaald in vergelijking met de voorgaande verslagperiode. Verder waren er in [plaats] meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats], maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad [plaats] tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats].
De hiervoor genoemde informatie wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door het al eerder genoemde rapport van de EUAA van december 2025. Hierin wordt – kort samengevat – overwogen dat de veiligheidssituatie in het gouvernement [plaats] is verbeterd en het aantal veiligheidsincidenten gestaag afneemt. Hoewel het totale aantal veiligheidsincidenten het hoogste is van alle provincies, is het gemiddelde aantal burgerslachtoffers per 100.000 inwoners relatief laag vanwege de grote bevolking van de provincie en is het aantal slachtoffers sinds maart 2025 sterk gedaald. De EUAA concludeert dan ook dat er in de provincie [provincie] willekeurig geweld plaatsvindt, maar niet op een hoog niveau.
De verwijzing van eiser naar de brief van VWN van 19 januari 2026 en het eerdergenoemde nieuwsbericht van 12 april 2026 leidt niet tot een ander oordeel. In de brief van VWN wordt namelijk ook verwezen naar het hiervoor genoemde EUAA-rapport van december 2025. Daarnaast blijkt uit de overige bronnen in de brief van VWN en het nieuwsbericht dat er weliswaar geweldsincidenten in [plaats] plaatsvinden, maar ook dat dit vaak gericht geweld is. Ook blijkt hieruit dat er nog altijd burgerslachtoffers (door (willekeurig) geweld of ontplofbare oorlogsresten) vallen, maar dat dit aantal afneemt.
Op grond van het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in [plaats], geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan de in het beleid vastgestelde gradatie. De door eiser genoemde uitspraken van andere zittingsplaatsen geven geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld?
16. In het geval dat er sprake is van een minder uitzonderlijke situatie moet de beoordeling van het risico op ernstige schade worden gebaseerd op de individuele en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Hierbij gaat het met name om omstandigheden die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de vreemdeling en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het reële risico op ernstige schade vergroten. De vreemdeling dient deze omstandigheden aannemelijk te maken.
Eiser voert in dit verband aan dat hij in Syrië geen huis heeft en daarom op straat zal belanden. Dat maakt hem extra kwetsbaar. Zonder enige bescherming van een huis zal hij namelijk direct aan willekeurig geweld worden blootgesteld. Daarnaast stelt eiser dat hij in Syrië geen persoonlijk netwerk heeft, waardoor hij minder schuil- of vluchtmogelijkheden heeft en een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser meent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte aan deze omstandigheden voorbij is gegaan.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op basis van zijn persoonlijke en individuele situatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar [plaats] een verhoogd risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de voor artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn geldende glijdende schaal, bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld de door de vreemdeling naar voren gebrachte risicoverhogende omstandigheden meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. Dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen huisvesting en persoonlijk netwerk heeft, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van eiser als volwassen man, die naar school is geweest en werkervaring heeft opgedaan, mag worden verwacht dat hij in staat is om bij terugkeer in Syrië een baan te vinden en onderdak te regelen. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser geen gezondheidsklachten heeft die hem hierin belemmeren en dat hij sinds een aantal jaren zelfstandig woont en zichzelf gedurende die periode heeft kunnen redden. Daarnaast heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd dat hij bij terugkeer niet in staat zou zijn om te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld ten opzichte van andere personen in [plaats]. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Is uitzetting vanwege de humanitaire situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM ?
17. Eiser betoogt in zijn aanvullende beroepsgronden dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM vanwege de slechte humanitaire situatie in Syrië. Hij beroept zich daarbij op het arrest Sufi en Elmi, waaruit volgt dat verweerder moet onderzoeken en beoordelen of een vreemdeling nog in zijn basisbehoeften kan voorzien als de humanitaire crisis door strijdende partijen is veroorzaakt. Eiser stelt – onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 23 februari 2026 –dat verweerder voor deze beoordeling niet slechts kan verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, omdat artikel 3 van het EVRM een apart toetsingskader kent. Eiser meent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte dat risico niet inzichtelijk heeft beoordeeld.
Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit geen kenbare beoordeling heeft gemaakt van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM vanwege de humanitaire omstandigheden in [plaats]. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder voor een dergelijke beoordeling ook geen aanleiding had hoeven zien, omdat eiser hierop pas in de aanvullende beroepsgronden een beroep heeft gedaan en hij niet eerder in de asielprocedure humanitaire omstandigheden heeft benoemd die volgens hem aan een terugkeer naar Syrië in de weg staan.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich met de motivering in het verweerschrift en de mondelinge toelichting op de zitting voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een dergelijk risico loopt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er op dit punt geen sprake is van een motiveringsgebrek in de besluitvorming.
Daartoe overweegt de rechtbank dat, hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, niet is gebleken dat in [plaats] zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld onder rechtsoverweging 17.1 bestaan. Uit het AAB van januari 2026 blijkt dat volgens UN OCHA naar schatting 16,5 miljoen Syriërs, onder wie 7,2 miljoen binnenlands ontheemden en bijna 2 miljoen teruggekeerde binnenlands ontheemden, behoefte hadden aan humanitaire hulp. Naar schatting 90% van de bevolking leefde onder de armoedegrens van 2,15 dollar per dag. Meer dan de helft van de bevolking had te kampen met voedselonzekerheid en bijna drie miljoen mensen had te maken met ernstige voedselonzekerheid. Tegelijk blijkt uit het AAB van mei 2025 dat verschillen bestonden tussen stedelijke en rurale gebieden; diensten waren over het algemeen in grotere steden geconcentreerd. Bovendien zijn internationale hulporganisaties actief in Syrië en niet is gebleken dat deze organisaties, anders dan aan de orde was in het arrest Sufi en Elmi, geen toegang hebben tot de getroffen gebieden. De humanitaire situatie in [plaats] is op zichzelf dan ook onvoldoende om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen.
Daarnaast volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt op zitting dat eiser niet (met bewijsstukken) aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar [plaats] niet zal kunnen voorzien in de meest basale levensbehoeftes zoals voedsel, hygiëne en onderdak. Voor zover eiser in dit kader stelt dat hij bij terugkeer naar Syrië geen huisvesting en persoonlijk netwerk heeft om op terug te vallen, verwijst de rechtbank naar wat zij daarover onder rechtsoverweging 16.2 heeft overwogen. De situatie van eiser is dus – zoals verweerder terecht stelt – niet vergelijkbaar met de twee Somalische vreemdelingen uit het arrest Sufi en Elmi die in een vluchtelingenkamp terecht zouden komen waar de slechte humanitaire omstandigheden tot een schending van artikel 3 van het EVRM zouden leiden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, slaagt het betoog van eiser niet.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is – gelet op wat hiervoor onder rechtsoverwegingen 14 tot en met 14.3 is overwogen – gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat verweerder het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld en ook de overige beroepsgronden niet slagen.
19. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 januari 2026;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, voorzitter, en mr. E. Hoekstra en mr. T.M. Weeda, leden, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.