RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43135
(gemachtigde: mr. P. Langereis)
en
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 29 juli 2026 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 3 augustus 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 5 augustus gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op
6 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de maatregel staat verder dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden.
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan
Wat voert eiser aan in beroep?
3. Allereerst voert eiser aan dat verweerder in de maatregel geen rekening heeft gehouden met dat eiser asiel wil aanvragen in Nederland. Ten tweede betoogt eiser dat verweerder verschillende gronden onvoldoende heeft gemotiveerd en/of ten onrechte aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Ten derde is volgens eiser niet gebleken dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Ten slotte is de maatregel onevenredig bezwarend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een formeel gebrek dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig maakt. Tijdens het gehoor opleggen maatregel van bewaring heeft eiser namelijk meerdere malen gezegd dat hij een asielaanvraag wil indienen, maar verweerder heeft hem hiertoe desondanks niet in de gelegenheid gesteld. Verweerder moet eiser nu alsnog in de gelegenheid stellen om een asielaanvraag in te dienen. Uit artikel 44, derde lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening volgt echter dat de bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht is uitgevoerd. Doordat eiser nu alsnog de asielprocedure moet doorlopen, zal de maatregel van bewaring langer duren dan redelijkerwijs nodig en daardoor niet zo kort mogelijk. De rechtbank ziet in deze bepaling geen ruimte voor een belangenafweging.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond en de rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 7 augustus 2026.
6. De rechtbank kent eiser een schadevergoeding toe vanaf 29 juli 2026 tot aan 7 augustus 2026. Het bedrag aan schadevergoeding komt dus neer op 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = €1120,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van
7 augustus 2026;
- wijst het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van €1120,- toe;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.