RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46320
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, M. Mardo als tolk en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft voorafgaand aan de zitting laten weten te zijn verhinderd.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de maatregel staat verder dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een risico op onderduiken bestaat.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Wat voert eiser aan in beroep?
3. Allereerst betwist eiser alle gronden. Ten tweede betoogt eiser dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
4. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder vermelde gronden de maatregel kunnen dragen. Verweerder mag de grond a aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Het betoog van eiser dat de illegale inreis al een tijd geleden is, leidt niet tot een andere conclusie. Deze grond ziet verder ook op het zonder toestemming tussen lidstaten reizen en het zich daarmee onttrekken aan het toezicht. Eiser heeft dit gedaan, nu hij asiel heeft aangevraagd in verschillende landen en deze procedures niet heeft afgewacht. Verweerder mag ook de grond p aan eiser tegenwerpen omdat eiser niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Eisers betoog dat hij kort na zijn inreis in Nederland asiel heeft aangevraagd en hiermee zijn aanwezigheid bij de autoriteiten bekend heeft gemaakt, doet hier niet aan af. Deze twee gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de andere gronden niet.Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
5. Gelet op wat hiervoor is besproken, mocht verweerder afzien van toepassing van een lichter middel. Ook heeft verweerder zich over de gestelde psychische omstandigheden van eiser in het bestreden besluit op het standpunt mogen stellen dat er voldoende medische voorzieningen zijn in het detentiecentrum. Van eventuele detentieongeschiktheid is niet gebleken.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.