ECLI:NL:RBDHA:2026:24376

ECLI:NL:RBDHA:2026:24376

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer NL26.46481
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Bewaring – zonder zitting – verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding – lichter middel – ongegrond – proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46481

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),

en

(gemachtigde: mr. L. Hartog).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 13 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Eiser heeft op 18 augustus 2026 beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft hier op 24 augustus 2026 op gereageerd.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 augustus 2026.

Overwegingen

3. Eiser voert aan dat sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding, omdat niet is gebleken op basis van welke verdenking hij is staandegehouden. Er zijn geen feiten en omstandigheden die een objectieve verdenking van een strafbaar feit rechtvaardigen. Verder zijn er ook geen feiten of omstandigheden die een geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf met zich meebrengen. Dat de verbalisanten geen tolk Mandarijn konden vinden op dat moment, kan niet aan eiser worden tegengeworpen.

4. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van eisers staandehouding van 12 augustus 2026 volgt dat het Stadshart in Zoetermeer tussen 09:00 uur en 18:00 uur een voetgangersgebied is en dat dit met diverse borden is aangegeven. Ook volgt uit dit proces-verbaal dat eiser fietsend kwam aanrijden en van zijn fiets stapte toen hij de verbalisanten zag. Eiser beging daarmee een overtreding en naar aanleiding hiervan hebben de verbalisanten eiser gevraagd om zich te identificeren. Omdat eiser op dat moment geen identificerende documenten bij zich had, niet reageerde op de vragen van de verbalisanten en een tolk Mandarijn op dat moment niet beschikbaar was, is eiser aangehouden op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Anders dan eiser aanvoert, volgt hieruit genoegzaam dat het ging om een strafrechtelijke aanhouding. Daarbij volgt uit de M105 dat eiser een boete heeft ontvangen, waarna hij is heengezonden en overgedragen aan de vreemdelingenpolitie.

5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Dit is anders indien de strafrechter hierover een oordeel heeft gegeven of indien sprake is van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht. Hiervan is echter geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank de staandehouding/aanhouding van eiser in deze procedure niet op rechtmatigheid kan beoordelen.

De ophouding

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte te lang heeft vastgezeten op het politiebureau. Eiser is op 12 augustus 2026 om 11:00 uur ingesloten op het politiebureau en pas op 14 augustus 2026 na 11:00 uur overgebracht naar het detentiecentrum. Eiser is formeel opgehouden op 12 augustus 2026 om 15:48 uur en de ophouding is verlengd. Op 13 augustus 2026 om 21:36 uur is eiser in bewaring gesteld. Voor een verlengde ophouding was geen juridische basis, omdat dit slechts mag in het kader van een onderzoek naar eisers identiteit en verblijfsrechtelijke positie. Deze stonden in het geval van eiser al vast. De motivering van verweerder dat de ophouding is verlengd wegens een refoulementonderzoek is onterecht, omdat de verlenging van de ophouding hiervoor niet is bestemd.

7. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser is op 12 augustus 2026 om 15:38 uur opgehouden. Eisers ophouding is op dezelfde dag om 21:07 uur verlengd wegens een risicoanalyse refoulement die door verweerder werd uitgevoerd. Eiser is op 14 augustus 2026 om 11:06 uur opgehaald om naar het detentiecentrum te worden gebracht. Artikel 50, vierde lid, van de Vw biedt verweerder de mogelijkheid om in het belang van het onderzoek de maximale duur voor de ophouding te verlengen tot 48 uur, indien het vermoeden nog steeds bestaat dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. In het geval van eiser heeft verweerder middels de vaststelling dat aan eiser in 2015 een terugkeerbesluit is opgelegd en aan de hand van het geldige Chinese paspoort van eiser zijn onrechtmatige verblijf in Nederland al direct kunnen vaststellen. Daar komt bij dat eiser op 12 augustus 2026, voorafgaande aan het verlengingsbesluit, ook zelf heeft verklaard dat hij op illegale wijze Nederland is ingereisd en geen gevolg heeft gegeven aan het aan hem opgelegde terugkeerbesluit uit 2015. Gelet hierop is de verlenging van de ophouding onrechtmatig. Dit leidt tot een gebrek in het voortraject.

8. De belangenafweging die hierna moet worden gedaan valt in het voordeel van verweerder uit. Eiser heeft zelf een melding gemaakt van refoulement door herhaaldelijk een vrees voor zijn leven bij een terugkeer naar China uit te spreken, zonder die vrees inhoudelijk met verweerder te willen delen. Eiser heeft hierover verklaard dit eerst met zijn advocaat te willen spreken. De rechtbank constateert dat eiser gelet op de herhaaldelijk uitgesproken vrees voor zijn leven bij terugkeer naar China voldoende belang had bij een refoulementbeoordeling, alvorens aan hem een aanvullend terugkeerbesluit naar China – en een maatregel van vreemdelingenbewaring – zou worden opgelegd. De rechtbank acht in dit kader ook van belang dat eiser door het meermaals herhalen van zijn vrees, maar het weigeren hierover inhoudelijk met verweerder te willen spreken, de verlenging van de ophouding zelf in de hand heeft gewerkt. Eiser heeft verder geen andere zwaar(der) wegende belangen gesteld, die tot een ander oordeel leiden. De overschrijding van de ophoudingsduur maakt de maatregel van vreemdelingenbewaring dus niet onrechtmatig. De rechtbank zal verweerder wel veroordelen in de proceskosten van eiser. De maatregel van vreemdelingenbewaring

9. In de maatregel staat dat de openbare orde deze maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

- a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; - b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

- h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; - p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

10. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken is. Lichter middel

10. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht en heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft een Chinees paspoort en wil naar China vertrekken naar een voor hem gunstige locatie. Eiser beschikt over € 1700,- die tijdens zijn fouillering bij hem is aangetroffen en hij kan hiermee een ticket kopen.

10. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Daarbij heeft verweerder alle persoonlijke omstandigheden van eiser betrokken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet op legale wijze aan het geld voor een ticket naar China kan komen. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser, omdat dat hij al drie jaar over een Chinees paspoort beschikt, alle tijd en mogelijkheid had om in vrijheid zijn terugkeer te regelen, maar dat hij hiertoe geen stappen heeft gezet. Daarbij volgt uit de gronden van de maatregel een onderduikrisico en verblijft eiser al tien jaar in Nederland zonder gehoor te hebben gegeven aan het aan hem opgelegde terugkeerbesluit. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toets

10. Voorts ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie

14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

15. Gelet op het geconstateerde gebrek in het voortraject veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt omdat de gemachtigde van eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. Y. Chakur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand