RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46804
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 15 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 18 augustus 2026 zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 24 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 26 augustus 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
- b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; - p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de gronden b en p. Hij stelt zich op het standpunt dat het niet redelijk is van verweerder om deze gronden tegen te werpen, omdat eisers vertrektermijn is verstreken terwijl hij in strafrechtelijke detentie zat. Indien de feitelijke juistheid van deze gronden wordt aangenomen, voert eiser aan dat hij niet één maand de tijd heeft gehad om te vertrekken en beroept zich op overmacht. Een gedwongen verwijdering mag en kan pas aan de orde zijn indien een vreemdeling daadwerkelijk gedurende een maand heeft kunnen vertrekken. Omdat de effectieve vertrektermijn nog niet is verstreken, zijn de gronden niet deugdelijk gemotiveerd.
4. De rechtbank constateert dat eiser de gronden r en s niet heeft betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd. Ook de gronden b en p zijn terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Aan eiser is op 24 juni 2026 een besluit uitgereikt waarmee zijn rechtmatige verblijf als Unieburger is ingetrokken en eiser is niet binnen de daartoe gestelde termijn van één maand vertrokken uit Nederland. Anders dan eiser aanvoert, is de vertrektermijn van eiser niet verstreken gedurende zijn strafrechtelijke detentie. Eiser is immers pas op 27 juli 2026 in strafrechtelijke detentie gesteld. Ook heeft eiser geen mededeling gedaan van zijn illegale verblijf, waarmee hij zich niet aan de op hem wettelijk rustende verplichtingen heeft gehouden. De gronden zijn juist en voldoende om de maatregel te rechtvaardigen. Het risico op onderduiken is daarmee gegeven.
Inspanningsvereiste en voortvarendheid
5. Eiser voert aan dat hij vanuit het strafrecht afkomstig is en vraagt zich af welke verwijderingsactiviteiten gedurende zijn strafrechtelijke detentie tot 15 augustus 2026 hebben plaatsgevonden. Hij verwijst daarbij naar vaste jurisprudentie waaruit volgt dat het niet tot een minimum beperken van de vreemdelingenbewaring leidt tot onvoldoende voortvarend handelen en de oplegging van de maatregel van meet af aan onrechtmatig maakt.
6. Eiser heeft van 27 juli 2026 tot en met 15 augustus 2026 in strafrechtelijke detentie doorgebracht. Op verweerder rust een inspanningsverplichting om, indien een vreemdeling aansluitend op strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, de voorbereiding van de uitzetting zo veel mogelijk tijdens de strafrechtelijke detentie plaats te laten vinden. Indien verweerder deze inspanningsverplichting niet nakomt, leidt dit niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Daarvoor dient een belangenafweging plaats te vinden.
7. Niet is in geschil dat verweerder gedurende de strafrechtelijke detentie van eiser geen uitzettingshandelingen heeft verricht. Verweerder heeft in het verweerschrift eveneens niet betwist dat hij daarom niet heeft voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting. Daarmee is sprake van een gebrek. De rechtbank is echter van oordeel dat dit gebrek niet leidt tot onrechtmatigheid van de vreemdelingrechtelijke bewaring, omdat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft gedurende negentien dagen in strafrechtelijke detentie gezeten, zodat sprake is van een relatief beperkte periode waarin verweerder voorbereidingen had kunnen treffen. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring volgt dat een risico op onderduiken bestaat. Daarnaast werkt verweerder na de oplegging van eisers maatregel van vreemdelingenbewaring op 15 augustus 2026 voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft verklaard op 17 augustus 2026 het Openbaar Ministerie te hebben verzocht om toestemming om eiser te laten vertrekken. Hierop is op 18 augustus 2026 akkoord gegeven, waarna dezelfde dag een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en op 20 augustus 2026 een verzoek om terugname is gedaan aan de Poolse autoriteiten. De Poolse autoriteiten hebben eisers persoonsgegevens op 21 augustus 2026 bevestigd, waarna voor eiser een vlucht is aangevraagd.
8. De rechtbank zal verweerder vanwege het geconstateerde gebrek wel veroordelen in de proceskosten.
Ambtshalve toets
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.